Archive for ‘Vaktechniek’

4 april 2016

Panama in Nederland

door Ellen Timmer

Het kan niemand ontgaan dat trustkantoren en hun ‘doelvennootschappen’ (brievenbusmaatschappijen) weer in de schijnwerper staan, dankzij Panama, een land dat onlangs door de FATF is verwijderd uit de lijst van landen met tekortkomingen (zie DNB bericht).
Panama Papers is een project van het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ), een Amerikaanse organisatie van onderzoeksjournalisten die gefinancierd wordt met subsidiegeld en donaties en valt onder het Center for Public Integrity in Washington. Journalisten van Trouw en Het Financieele Dagblad vormen het Nederlands ICIJ-team dat met de Panama Papers bezig is. Verwacht mag worden dat Trouw en het FD de belangrijkste onthullingen zullen gaan doen.

Boeiend is in dit verband dat cybercrime een belangrijke rol speelt bij het opsporen van deze informatie.

We gaan zien waar het toe zal leiden.

Meer informatie:

Aanvulling 6 april 2016
Gisteren bij Bureau Buitenland gehoord dat er opvallend weinig Amerikanen voorkomen in de Panama Papers. BB twittert:

 

en

 

Podcasts van Bureau Buitenland zijn via dit adres te vinden.

Aanvulling 10 april 2016
Op de BNR site is een interview met Privacy First verschenen waarin zij zeggen dat het onjuist is dat namen van privépersonen bekend worden gemaakt, terwijl niet vaststaat dat zij zich aan criminele handelingen hebben schuldig gemaakt. Privacy First vindt dat overheid en opsporingsinstanties onderzoek naar de mensen in de database moeten doen.

1 april 2016

DNB nieuwsbrief voor trustkantoren

door Ellen Timmer

Op 31 maart jl. is een nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht door DNB.
Onderwerpen:

  • Wijziging in de methodiek van personentoetsing >>> en een informatiebijeenkomst daar over >>>
  • Nieuwe themaonderzoeken door DNB over transactiemonitoring, de auditfunctie, integriteitsrisicomanagement en de integriteitsrisico’s verbonden aan betaald voetbal >>>
  • Stakeholderonderzoek >>>
  • Update FATF-waarschuwingslijsten >>>
  • Position paper DNB voor de bijeenkomst van de tweede kamer commissie >>> (zie mijn eerdere bericht over die bijeenkomst)
18 maart 2016

Compliance in de rechtspraak van de rechtbank Rotterdam

door Ellen Timmer

Over de wijze waarop ondernemingen uitvoering moeten geven aan de open normen van onder meer Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en Wet toezicht trustkantoren (Wtt) is niet veel rechtspraak. Onlangs heeft de rechtbank Rotterdam een uitspraak gewezen in een zaak tegen een betaalinstelling, waarin de naleving van de Wet op het financieel toezicht en de Wwft aan de orde kwam. Vanwege de gelijksoortige problematiek bij trustkantoren is het nuttig van die uitspraak kennis te nemen.

Vindplaats: rechtbank Rotterdam 3 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1666

Tags: ,
17 maart 2016

Rondetafelgesprek tweede kamer commissie financiën over de trustkantorensector | 23 maart 2016

door Ellen Timmer

Op 23 maart a.s. vindt van 11 tot 13 uur in de Troelstrazaal in het parlementsgebouw een hoorzitting/rondetafelgesprek plaats op initiatief van de tweede kamer commissie financiën. De agenda ziet er als volgt uit:

Blok 1. Toezichthouder en wetenschap (11.00-11.55 uur)
– Willemieke van Gorkum (De Nederlandsche Bank)
– Juliëtte van Doorn (De Nederlandsche Bank)
– Jan van de Streek (Universiteit van Amsterdam)

Blok 2. Trustkantoren en belanghebbenden (12.05-13.00 uur)
– André Nagelmaker (Holland Quaestor)
– Huib de Kanter (TMF Group)
– Dick Niezing (Intertrust)
– Jeroen Lammers (VNO-NCW)

Van dit rondetafelgesprek wordt geen verslag gemaakt.
Aan de deelnemers aan het rondetafelgesprek is verzocht voorafgaand aan het rondetafelgesprek een position paper in te sturen. De ontvangen position papers worden in dit agendapunt gepubliceerd.

Meer informatie:

Aanvulling 21 maart 2016

Inmiddels zijn twee position papers bekend gemaakt:

Aanvulling 23 maart 2016

De volgende position papers zijn bekend:

  • Intertrust – pdf
  • DNB – pdf
  • J. van der Streek – docx

Zo op het eerste gezicht bevatten de papers weinig nieuwe inzichten.
Alleen de paper van J. van der Streek is wat mij betreft lezenswaard. De tekst luidt:

POSITION PAPER RONDETAFELGESPREK (TRUSTSECTOR)
TWEEDE KAMER 23 MAART 2016

Prof. dr. J.L. van de Streek (hoogleraar fiscaal concernrecht aan de Universiteit van Amsterdam)

Inleiding

1. Allereerst is het van belang op te merken dat de problematiek van belastingontwijking door multinationale ondernemingen – en de faciliterende rol die de trustsector bij een onderdeel daarvan speelt – in beginsel losstaat van het in de trustsector aanwezige integriteitsrisico met betrekking tot witwassen en fiscale fraude. Belastingontwijking (tax planning) vindt nou eenmaal plaats binnen de grenzen van nationale en internationale fiscale regelgeving, terwijl witwassen en fiscale fraude strafbare feiten zijn. Het enige verband tussen het belastingontwijkingsdossier en het integriteitsdossier is dat de omvangrijke geldstromen die door Nederlandse brievenbusmaatschappijen lopen, het risico met zich brengen dat een deel daarvan betrekking heeft op illegale activiteiten.

2. Het onderdeel van het internationale belastingontwijkingsdossier waarbij de Nederlandse trustsector een belangrijke rol speelt, betreft het zogenoemde “misbruik van belastingverdragen”, wat ook wel wordt aangeduid als treaty shopping. Via de tussenschakeling van een Nederlandse brievenbusmaatschappij kan een internationaal opererend concern de in het buitenland geheven bronbelasting op dividend, rente en royalty’s vermijden. Als het gaat om dividend, rente en royalty’s ontvangen vanuit Europa gaat het vooral om directive shopping, waarbij ik doel op oneigenlijk gebruik van de Europese fiscale moeder/dochterrichtlijn en de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn. Op grond van deze richtlijnen dienen Europese bronstaten kort gezegd af te zien van een bronheffing op de genoemde inkomensbestanddelen die worden betaald aan een Nederlandse concernvennootschap. Voor de goede orde merk ik op dat het dus gaat om buitenlandse bronheffing die met behulp van een Nederlandse brievenbusmaatschappij wordt ontgaan. De Nederlandse belastingheffing is niet in het geding.

Drie belangrijke internationale fiscale ontwikkelingen

3. Drie belangrijke internationale fiscale ontwikkelingen zorgen er echter voor dat de kale doorsluisfunctie van Nederland zijn houdbaarheidsdatum nabij lijkt. Voor de trustsector betekent dit mijns inziens dat zij (nog meer) de slag zullen moeten maken naar een ander businessmodel want het businessmodel dat vooral is gebaseerd op het om fiscale redenen doorsluizen van gelden lijkt binnen afzienbare tijd nagenoeg geheel versleten. De drie internationale fiscale ontwikkelingen zijn:
* Per 1 januari 2016 kunnen Europese dividenden niet meer zonder bronheffing naar een Nederlandse brievenbusmaatschappij worden overgemaakt via de Europese fiscale moeder-dochterrichtlijn. Op grond van een nieuwe algemene anti-misbruikbepaling in die richtlijn zullen Europese bronlanden naar verwachting bronheffing gaan inhouden op dividenden naar Nederlandse brievenbusmaatschappijen.
* Op het niveau van de Europese Ecofin-raad is een voorstel aanhangig om een vergelijkbare algemene anti-misbruikbepaling in te voeren in de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn. Als het voorstel eenmaal is aangenomen, zullen Europese bronlanden bronheffing gaan inhouden op aan Nederlandse brievenbusmaatschappijen betaalde rente- en royalty’s.
* Iets soortgelijks gaat binnen afzienbare tijd wereldwijd gelden voor dividenden, rente en royalty’s. Bronlanden over de hele wereld kunnen een bronheffing gaan inhouden op betalingen aan Nederlandse brievenbusmaatschappijen zodra de OESO-aanbevelingen in het kader van het BEPS-project van de OESO zijn geïmplementeerd in belastingverdragen. De OESO werkt op dit moment aan een manier op zoveel mogelijk belastingverdragen in één keer – te weten via een multilateraal verdrag – te voorzien van anti-misbruikbepalingen.

4. Op grond van deze drie ontwikkelingen is mijn verwachting dat buitenlandse belastingautoriteiten doorstroomsituaties zullen gaan onderzoeken, met als gevolg dat deze structuren zullen moeten worden ontmanteld. Dit heeft uiteraard even tijd nodig, maar het lijkt onontkoombaar dat buitenlandse belastingautoriteiten de anti-misbruikbepalingen zullen gaan inroepen en daarbij een eigen invulling zullen ontwikkelen. De praktijk wijst daar nu al op. De ontwikkelingen op Europees en mondiaal niveau rondom het vergroten van transparantie, zoals de automatische uitwisseling van fiscale informatie tussen belastingautoriteiten, zullen hieraan ongetwijfeld een steentje bijdragen.

Nederlandse substance-eisen

5. Ik vermoed dat het standpunt van de Nederlandse wetgever dat er geen sprake is van misbruik als wordt voldaan aan de zogenoemde “substance-eisen”, naar alle waarschijnlijkheid niet door buitenlandse belastingautoriteiten zal worden gevolgd. De enige toets die lijkt te tellen is of de Nederlandse vennootschap die aanspraak maakt op een reductie van buitenlandse bronbelastingen een “reële functie” heeft. Een met “substance” aangeklede brievenbusmaatschappij is dat hoogstwaarschijnlijk niet. Voor de goede orde vermeld ik op deze plaats kort de Nederlandse substance-eisen:
* Ten minste de helft van het totaal aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de Nederlandse vennootschap moet feitelijk in Nederland wonen of hier zijn gevestigd;
* De in Nederland wonende of gevestigde bestuursleden dienen te beschikken over de nodige professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren; [1]
* De Nederlandse vennootschap moet over gekwalificeerd personeel beschikken ten behoeve van de uitvoering en registratie van de transacties;
* De bestuursbesluiten dienen in Nederland te worden genomen;
* De belangrijkste bankrekeningen dienen in Nederland te worden aangehouden;
* De boekhouding moet in Nederland te worden gevoerd;
* De Nederlandse vennootschap mag geen dubbele fiscale woonplaats hebben; en
* De Nederlandse vennootschap moet met betrekking tot de financiële activa en passiva een reëel risico lopen en dienen te beschikken over een passend eigen vermogen.

De Algemene Rekenkamer heeft reeds in zijn rapport van 5 december 2014 geconstateerd dat in de praktijk doorgaans eenvoudig aan deze substance-eisen kan worden voldaan met behulp van de inzet van een trustkantoor. [2]

Gevolgen voor de trustsector

6. Het traditionele businessmodel waarbij een trustkantoor (zelf) probeert aan de “reële functie” gestalte te geven door op te treden als bestuurder van de brievenbusvennootschap (hetgeen onder de Nederlandse substance-eisen mogelijk is) lijkt onder de genoemde anti-misbruikbepalingen niet houdbaar. Mijn verwachting is dan ook dat de trustsector zich meer en meer zal (moeten) gaan richten op het assisteren van een overigens (wel) reële aanwezigheid van een buitenlandse multinational, zoals een operationele dochtervennootschap of een regionaal hoofdkantoor. Dan denk ik aan dienstverlening rondom het voldoen aan Nederlandse wet- en regelgeving, zoals voortvloeit uit het financiële toezichtrecht, het jaarrekeningenrecht en het belastingrecht alsmede administratieve dienstverlening. Het nieuwe businessmodel voor de trustsector zou daarmee kunnen neerkomen op “meer (en interessanter) werk voor minder cliënten.” Mijn – positieve – indruk is overigens dat een groot deel van de trustsector hier al aan een slag aan het maken is. Concrete voorbeelden van nieuwe vormen van dienstverlening door de trustsector die in de markt kunnen worden waargenomen zijn fondsadministratie, backoffice-activiteiten en incubatorachtige activiteiten waarbij een trustkantoor een bedrijvencentrum huisvest gericht op start-ups.

Beleidsmatige opties Nederland

7. Kan of moet Nederland zelf nog wat doen om het doorsluizen van gelden via Nederlandse brievenbusmaatschappijen aan banden te leggen? Of zijn de maatregelen die in EU-verband en OESO-verband zijn getroffen afdoende? Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat het grote aantal brievenbusmaatschappijen in Nederland de afgelopen decennia heeft kunnen ontstaan als gevolg van een combinatie van factoren, te weten:
* Het uitgebreide netwerk van belastingverdragen (inclusief de Europese fiscale richtlijnen met een vergelijkbaar effect);
* De ruime deelnemingsvrijstelling; en
* De afwezigheid van bronheffing op uitgaande rente en royalty’s.

Zoals ik hiervoor heb aangegeven, lijkt vooralsnog met de (aanstaande) invoering van anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen (en de Europese fiscale richtlijnen) de angel uit het probleem gehaald. De anti-misbruikbepalingen werpen bovendien naar verwachting een voldoende dam op tegen agressieve strategieën waarbij op grond van belastingverdragen en Europese fiscale richtlijnen rente en royalty’s via een Nederlandse brievenbusmaatschappij naar belastingparadijzen worden gesluisd.

8. Het verdient naar mijn mening daarbij wel aanbeveling om binnen de EU tot een consistente invulling te komen van de anti-misbruikbepalingen. Het gevaar dreigt nu dat de eigen invullingen van de lidstaten te veel uit elkaar gaan lopen en bovendien ook veel meer situaties gaan treffen dan brievenbusmaatschappijen. In dit verband zou Nederland het voorstel van Zweden kunnen steunen om in de Europese fiscale richtlijnen een notificatieverplichting op te nemen voor het geval waarin een lidstaat op grond van de algemene anti-misbruikbepaling een uitgaande rente- of royaltybetaling aan een bronheffing wil onderwerpen. [3] Volgens het Zweedse voorstel dient de bronstaat de ontvangststaat daarover te informeren. Met de informatie die de Nederlandse belastingdienst op deze wijze zou ontvangen, kan vervolgens over een aantal jaren een evaluatie worden uitgevoerd.

9. Ten slotte merk ik op dat aanpassingen van de deelnemingsvrijstelling en/of de invoering van een bronheffing op uitgaande rente en royalty’s door Nederland niet voor de hand ligt ter oplossing van het grote aantal brievenbusmaatschappijen. Dergelijke maatregelen gaan veel verder dan het aanpakken van doorsluissituaties en hebben ook ingrijpende gevolgen voor het reële bedrijfsleven en daarmee het Nederlandse vestigingsklimaat. Het zijn in wezen radicale oplossingen voor BEPS-problemen van een geheel andere aard. Als op deze terreinen maatregelen zouden moeten genomen, ligt een gezamenlijke Europese aanpak mijns inziens voor de hand. De door de Europese Commissie op 28 januari 2016 voorgestelde anti-belastingontwijkingsrichtlijn voorziet in aanpassingen van de deelnemingsvrijstelling. En in een op dezelfde dag gepubliceerde mededeling doet de Europese Commissie het voorstel om in Europa een gezamenlijke zwarte lijst op te stellen van belastingparadijzen. De Europese Commissie suggereert daarbij dat lidstaten als flankerende maatregel een bronheffing zouden kunnen invoeren op betalingen aan vennootschappen gevestigd in “zwarte lijst”-landen.

Noten

[1] Tot deze taak dient ten minste te behoren de besluitvorming over de door de Nederlands vennootschap af te sluiten transacties, alsmede het zorgdragen voor een goede afhandeling van de afgesloten transacties.

[2] Belastingontwijking, een verdiepend onderzoek naar belastingontwijking in relatie tot de fiscale regels en het verdragennetwerk, Algemene Rekenkamer, 2014, blz. 7 en blz. 72-73.

[3] Zweden heeft dit voorstel gedaan in Ecofinverband op 8 april 2015. Het zou moeten gaan om een nieuw artikel 4a in de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn dat als volgt luidt: “The competent authority of the source state shall inform the competent authority of the Member State of the beneficial owner of the income, before denying the benefits of this Directive.”

12 februari 2016

Meldpunt Misstanden, nieuwsbericht DNB

door Ellen Timmer

Vandaag heeft DNB een nieuwsbericht over het Meldpunt Misstanden uitgebracht, alsmede een factsheet “De aanpak van financieel-economische criminaliteit door DNB“.
Mijn eerdere bericht op deze site over dit onderwerp heb ik met deze informatie aangevuld, lees verder.

11 februari 2016

Minister kondigt integrale wijziging van de Wtt aan

door Ellen Timmer

In een recent vastgesteld verslag van een schriftelijk overleg komt ook de regelgeving inzake trustkantoren aan bod, abusievelijk staat er ‘trusts’ boven, terwijl het over trustkantoren gaat. In dit verslag wordt integrale herziening van de Wet toezicht trustkantoren aangekondigd.

Trusts
De leden van de fractie van de VVD hebben gelezen dat er volgend jaar een wetsvoorstel aankomt om bepaalde onverantwoorde dienstverlening van trustkantoren te verbieden en vragen zich af hoe dit exact wordt afgebakend en voorkomen wordt dat goedwillende en goed functionerende trustkantoren hiermee onnodig worden beperkt.
Het doel van de Wet toezicht trustkantoren is het bevorderen van de integriteit van het financiële stelsel door middel van regulering van de trustsector. Dit wordt bereikt door het uit de anonimiteit halen van degene die gebuikt maakt van een structuur van rechtspersonen. Het verbod op onverantwoorde dienstverlening door trustkantoren zal onder meer zijn gericht op dienstverlening aan vennootschapsrechtelijke structuren die de anonimiteit van de uiteindelijk belanghebbende bevorderen, dan wel structuren die van dien aard zijn dat het trustkantoor op te grote afstand staat om haar taken te kunnen vervullen. Het voornemen is in de wet een grondslag op te nemen voor dit verbod en de exacte afbakening te regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. De inhoud van die maatregel zal mede zijn gebaseerd op de bevindingen van de Nederlandsche Bank als toezichthouder op trustkantoren.

De leden van de fractie van de PvdA willen weten welk soort voorstellen het kabinet zal doen om te waarborgen dat de trustsector goed gereguleerd en gecontroleerd is, met het oog op het kunnen handhaven van substanceregels. Zij vragen voorts of het mogelijk is vooruitlopend op het wetsvoorstel een brief te ontvangen met een analyse van de sector en denkrichtingen voor maatregelen.
Het wetsvoorstel waarin het verbod op bepaalde dienstverlening door trustkantoren (zoals aangekondigd in de brief van 27 november 2015) zal worden opgenomen, is gericht op integrale herziening van de huidige Wet toezicht trustkantoren. Naast een grondslag voor het verbieden van onverantwoorde dienstverlening door trustkantoren, ik verwijs ook naar een antwoord hiervoor, zal het voorstel ondermeer inhouden dat de voorschriften inzake het cliëntenonderzoek worden aangescherpt. Deze voorschriften strekken ertoe dat trustkantoren inzicht hebben in hun cliënten en de vennootschappen die zij bedienen. Een goed gereguleerde trustsector kan in zijn algemeenheid bijdragen aan de naleving van de substance-eisen, specifiek in verband met de informatiepositie van trustkantoren als bestuurders van vennootschappen.
De Nederlandsche Bank blijft in het voornoemde wetsvoorstel belast met het toezicht op trustkantoren. De Belastingdienst is verantwoordelijk voor de toezicht op de naleving van de substance-eisen. Een aantal specialisten bij het APA/ATR-team houdt zich hier onder andere mee bezig. Ik verwijs ook naar antwoorden over de organisatie van de rulingpraktijk hiervoor.

Naar verwachting zal het wetsvoorstel tot aanpassing van de wet toezicht trustkantoren binnenkort, in het eerste kwartaal van dit jaar, geconsulteerd worden.

Bron: verslag van een schriftelijk overleg, vastgesteld 3 februari 2016

Tags:
1 februari 2016

DNB wijzigt pagina ‘Integriteit en trustkantoren’

door Ellen Timmer

DNB laat via een recente nieuwsbrief en via de pagina met de recent gewijzigde items weten dat de internetpagina ‘Integriteit en trustkantoren’ is gewijzigd. Wat er exact is gewijzigd, wordt uit de aankondiging niet duidelijk. In de tekst per heden, die ik hierna weergeef, zie ik informatie die voor zover ik weet niets nieuws bevat.

Overigens ben ik wel benieuwd wat DNB bedoeld met ‘relationele integriteit‘. Dit begrip wordt niet nader toegelicht.

Integriteit en trustkantoren
Datum: 26 januari 2016
Status: Factsheet
Referentie: 00246

Trustkantoren moeten hun bedrijfsvoering zo inrichten dat de gesignaleerde integriteitrisico’s zoals witwassen, ontwijking van sanctieregelgeving en corruptie, worden beheerst.

Bij trustkantoren speelt de relationele integriteit ook een belangrijke rol; niet alleen het trustkantoor en zijn medewerkers zelf moeten zich zodanig gedragen dat aantasting van de reputatie van het trustkantoor en van de financiële markten wordt voorkomen, ook de cliënten van het trustkantoor mogen geen risico vormen. Daar moet het trustkantoor op toezien. De Wtt schrijft voor dat trustkantoren op de hoogte moeten zijn van de identiteit van hun cliënten (opdrachtgevers). Tevens moet een trustkantoor kennis hebben van de herkomst van de gelden die toebehoren tot die cliënten, alsmede wat de bestemming is van die gelden. Het trustkantoor moet ongebruikelijke transacties kunnen detecteren en eventueel melden aan het FIU-Nederland. Een en ander is nader uitgewerkt in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2014(Rib) alsmede de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft).

Van het trustkantoor wordt in het kader van de zorg voor een integere bedrijfsvoering verwacht dat duidelijke normen worden gesteld ten aanzien van de acceptatie van cliënten. Een trustkantoor moet zich comfortabel voelen bij de acceptatie van een cliënt en moet zijn beheersingskader afstemmen op de integriteitrisico’s die gepaard gaan met acceptatie van een bepaalde cliënt. Het trustkantoor dient te beschikken over een eenduidig beleid ten aanzien van het afscheid nemen van een cliënt: wanneer zijn de risico’s verbonden aan een cliënt nog beheersbaar en welke risicobereidheid legt het trustkantoor hierbij aan?

Een trustkantoor dient een overzicht te hebben van de risico’s verbonden aan zijn activiteiten door middel van het opstellen van een systematische integriteitsrisico-analyse. De uitgangspunten ter beheersing van integriteitrisico’s moeten zijn vastgelegd in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen.

Daartoe behoren ook procedures die voorzien in de omgang met en eisen aan personeelsleden in een integriteitgevoelige functie en de omgang met incidenten. Een trustkantoor heeft tevens een belangrijke taak in de uitvoering van de (inter)nationale sanctiewetgeving.

Tags:
1 februari 2016

Personentoetsing door DNB

door Ellen Timmer

Al eerder meldde ik dat DNB de praktijk rondom personentoetsing gaat aanpassen.
Zie over personentoetsing ook het recente korte artikel in het FD, “De Nederlandsche Bank past toetsing voor financieel bestuurders aan“. Daarin schrijft het FD dat de te toetsen a.s. beleidsbepalers een advocaat mogen meenemen en er van de mondelinge examens geluidsopnamen zullen worden gemaakt.

20 januari 2016

DNB: sancties tegen Iran deels opgeheven

door Ellen Timmer

DNB laat vandaag in een nieuwsbericht weten dat de Iran-sancties deels zijn opgeheven:

Sancties tegen Iran deels opgeheven

Op 16 januari 2016 zijn de wijzigingen met betrekking tot de nucleair gerelateerde sancties tegen Iran in werking getreden. Deze wijzigingen zijn reeds bij Uitvoeringsverordeningen EU 2015/1861, 2015/1862 en 2015/1863 van 18 oktober 2015 vastgesteld.[1] De wijzigingen komen er in het kort op neer dat een deel van de sancties tegen Iran is opgeheven.

Blijvende sancties
Financiële instellingen dienen zich er rekenschap van te geven dat niet alle sancties zijn opgeheven. Zo blijven onverkort sancties voor het schenden van de mensenrechten, het steunen van terrorisme en embargo’s ten aanzien van wapens en ballistische raketten van kracht. Dit betekent dat financiële instellingen de beheersmaatregelen ten aanzien van Iran niet volledig kunnen opheffen, maar goed moeten bekijken welke maatregelen nog toepassing moeten blijven.

Aanvullende risico’s
Verder is het belangrijk dat financiële instellingen in hun zaken doen met Iran alert blijven op integriteitsrisico’s, zoals corruptie, witwassen en terrorismefinanciering. In oktober 2015 heeft de FATF een document gepubliceerd waarin zij hier nogmaals op wijst (zie: http://www.fatf-gafi.org/publications/high-riskandnon-cooperativejurisdictions/documents/public-statement-october-2015.html). De conclusie luidt: “The FATF remains particularly and exceptionally concerned about Iran’s failure to address the risk of terrorist financing and the serious threat this poses to the integrity of the international financial system”. Daarnaast is het belangrijk dat financiële instellingen bekijken in hoeverre activiteiten en transacties met Iran binnen de risk appetite van de instelling passen.

Achtergronden
Al vele jaren zijn sancties van Verenigde Naties (VN), Europese Unie (EU) en Verenigde Staten (VS) tegen Iran van kracht. Een belangrijk aanleiding hiervoor is dat Iran de mensenrechten schendt, terrorisme steunt, weigerde te voldoen aan de eis van de VN-Veiligheidsraad om te stoppen met verrijking van uranium en zich niet aan het non-proliferatieverdrag hield.

Op 14 juli 2015 hebben China, Frankrijk, Duitsland, de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk en de VS, gesteund door de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid met Iran overeenstemming bereikt over een alomvattende langetermijnoplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie. Deze oplossing is opgenomen in de Joint Comprehensive Plan of Action (JCPOA) (zie http://eeas.europa.eu/statements-eeas/docs/iran_agreement/iran_joint-comprehensive-plan-of-action_en.pdf). De International Atomic Energy Agency (IAEA) heeft nu vastgesteld dat Iran de nucleaire afspraken zoals opgenomen in dit JCPOA is nagekomen (zie https://www.iaea.org/newscenter/news/iaea-director-general%E2%80%99s-statement-iran).

De VN, EU en US hebben vervolgens een deel van de nucleair gerelateerde, economische en financiële sancties opgeheven. Deze nucleair gerelateerde sancties worden in drie stappen verlicht en als Iran het akkoord niet uitvoert zoals afgesproken zullen sancties automatisch weer worden ingesteld (‘snapback’). In een uitgebreide nota (zie http://eeas.europa.eu/top_stories/pdf/iran_implementation/information_note_eu_sanctions_jcpoa_en.pdf) wordt hierover praktische informatie gegeven.

Vanwege deze sanctieverlichting zijn binnen de EU bepaalde financiële en andere diensten en activiteiten, zoals betalingen aan Iraniërs en verzekeringsdiensten, weer toegestaan. Tevens zijn meerdere personen en entiteiten van de sanctielijsten geschrapt.[2] De VS heeft een soortgelijke opheffing van de nucleair gerelateerde sancties toegepast (zie http://content.govdelivery.com/accounts/USTREAS/bulletins/130aae2).

[1] BESLUIT (GBVB) 2016/37 VAN DE RAAD van 16 januari 2016 met betrekking tot de toepassingsdatum van Besluit (GBVB) 2015/1863 tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (zie: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1453200811797&uri=CELEX:32016D0037)
[2] UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1862 VAN DE RAAD van 18 oktober 2015 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

Wat financiële ondernemingen, pensioenfondsen en trustkantoren moeten doen:
– Controleer of deze verordening van toepassing is (bijvoorbeeld op uw klanten, deelnemers of gedane beleggingen).
– Indien deze verordening van toepassing is, pas de geboden en verboden in de verordening direct toe: bevries de tegoeden en/of economische middelen en voorkom dat de tegoeden en/of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld.
– Meld de bevriezing direct aan DNB, voor verdere instructies klik hier.
– Ingeval DNB vragen heeft naar aanleiding van uw melding, beantwoord deze direct.

Als u vragen heeft, stel deze aan de juiste instantie. Nadere informatie hierover vind u op Open Boek Toezicht.

Aanvulling 25 januari 2016

Vandaag heeft DNB een aanvullend bericht uitgebracht:

DNB Sanctie Alert – Iran
Nieuwsbericht 25 januari 2016

Op 23 januari is Uitvoeringsverordening (EU) 2016/74 gepubliceerd tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran.
Op 17 januari 2016 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de volgende twee entiteiten Bank Sepah en Bank Sepah International verwijderd van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 267/2012. Voor meer informatie, zie: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=uriserv:OJ.L_.2016.016.01.0006.01.NLD&toc=OJ:L:2016:016:TOC

Wat financiële ondernemingen, pensioenfondsen en trustkantoren moeten doen:
– Controleer of deze verordening van toepassing is (bijvoorbeeld op uw klanten, deelnemers of gedane beleggingen).
– Indien deze verordening van toepassing is, pas de geboden en verboden in de verordening direct toe: bevries de tegoeden en/of economische middelen en voorkom dat de tegoeden en/of economische middelen direct of indirect ter beschikking worden gesteld.
– Meld de bevriezing direct aan DNB, voor verdere instructies klik hier.
– Ingeval DNB vragen heeft naar aanleiding van uw melding, beantwoord deze direct.

Als u vragen heeft, stel deze aan de juiste instantie. Nadere informatie hierover vind u op Open Boek Toezicht

18 januari 2016

De toekomst van het toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer

André Nagelmaker schrijft in een bericht op LinkedIn dat een Holland Quaestor delegatie met kamerleden heeft gesproken over het nieuwe kwaliteitssysteem. Uit zijn uitlatingen blijkt dat de kamerleden zich afvroegen waarom zo veel holding- en financieringsvennootschappen buiten toezicht vallen. Als ik dat lees vraag ik me wel af of de kamerleden wel op de hoogte zijn van de Wet controle op rechtspersonen en van de in het Nederlandse rechtspersonenrecht gebruikelijke structuren.
In ieder geval lijkt het er op dat de wetgevende interesse voor de trustsector nog steeds groot is.