Archive for ‘Vaktechniek’

23 november 2021

Is de doorstroomvennootschap een gewone holding geworden? Over de inhoud van het rapport commissie Ter Haar

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In dit artikel ga ik nader in op het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen, dat ik gisteren al aankondigde.

Definitie
De definitie van het begrip ‘doorstroomvennootschap’ in het rapport is niet de definitie van de Wet toezicht trustkantoren 2018. Eigenlijk is het een economische definitie: het betreft rechtspersonen die geen of een beperkte reële economische bijdrage leveren aan de Nederlandse economie. Die rol kan volgens de rapporteurs heel legitiem zijn, zoals een joint venture holding van twee aandeelhouders uit twee grote EU-landen die hun holding graag in een neutraal land willen hebben.

De definitie omvat daardoor vele rechtspersonen die op volledige legitieme gronden in Nederland aanwezig zijn, men spreekt over de volgende kenmerken (pagina 24 rapport):

  1. de aanwezigheid van een internationale structuur,
  2. transacties met gelieerde partijen,
  3. beperkte reële aanwezigheid in Nederland,
  4. de aanwezigheid van fiscale, financiële of juridische motieven en
  5. grote internationale geldstromen of balansposities.

Als meerdere van deze kenmerken aanwezig zijn, kan worden gesproken van ‘doorstroom’ of een ‘doorstroomvennootschap’. Ik vermoed dat vrijwel alle holdings in internationale structuren aan eisen 1, 2, 4 en 5 voldoen, een aantal daarvan voldoet aan 3. Dat betekent dat Nederland veel doorstroomvennootschappen kent.

Legaal of illegaal behalen van fiscale voordelen, IBO’s
De meeste nadruk ligt in het rapport op het bestrijden van fiscaal ‘misbruik’ (het legaal of illegaal behalen van fiscale voordelen). Het rapport bevat een uitvoerige beschrijving van al genomen fiscale maatregelen (waarvan het effect niet altijd bekend is). Aanverwant zijn de voordelen die kunnen worden behaald met investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s). De voorgestelde maatregelen hebben vooral betrekking op fiscaliteit en IBO’s.

Criminaliteitsbestrijding
Het gedeelte van het rapport over criminaliteitsbestrijding is zeer mager. Dit onderdeel van het rapport is meer een beschrijving van wat de ministeries van Financiën en van Veiligheid al van plan zijn. Het voorstel om het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’ (ubo) aan te scherpen doet wereldvreemd aan.

Trustkantoren
Trustkantoren krijgen in het rapport veel aandacht als leverancier van statutair bestuurders en domicilie aan doorstroomvennootschappen. De commissie bepleit aanpak van illegale trustdienstverlening (dat is niet nieuw), waarbij opvalt dat men denkt dat de omvang daarvan aanzienlijk is. Ik ben benieuwd of de veronderstelling inzake de omvang klopt.

Informatievoorziening
In de sfeer van het jaarrekeningenrecht is volgens de commissie voordeel te behalen, door te voorkomen dat er een summiere publicatiejaarrekening wordt gepubliceerd (omdat de rechtspersoon ‘klein’ is in het jaarrekeningenrecht).

Ook stelt de commissie voor dat meer niet-fiscale informatie over deze categorie rechtspersonen wordt uitgewisseld met andere landen.

Tot slot
Naar verwachting zal dit rapport leiden tot de nodige wijzigingen met betrekking tot fiscaliteit, rechtspersonenrecht en witwasbestrijdingsregelgeving.

 

NB Opvallend is dat het de commissie wel lukte om een rapportage te krijgen over hoe het Nederlandse fiscale stelsel zich verhoudt tot dat in andere landen, maar dat een externe studie naar niet-fiscale verschillen tussen landen (met name het ondernemingsrecht) is mislukt (pagina 19).

 

Bron: Op weg naar acceptabele doorstroom. Rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen.

22 november 2021

Is de doorstroomvennootschap een brievenbus geworden? Rapport commissie Ter Haar

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag is het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen, de commissie Ter Haar, bekend gemaakt.

Het zal me benieuwen welke definitie van het begrip ‘doorstroomvennootschap’ is gehanteerd. Mogelijk niet de definitie van de Wet toezicht trustkantoren 2018.

 

Meer informatie:

12 november 2021

Grootschalig onderzoek naar trustkantoren | Wtt 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

De Minister van Financiën stuurde op 10 november jl. een brief aan de Tweede Kamer waarin een grootschalig onderzoek naar de sector van de trustkantoren wordt aangekondigd. Deze sector, die hoofdzakelijk zorgt voor statutair bestuurders van rechtspersonen, wordt beschouwd als een hoog risico sector. Aan die veronderstelling ligt geen onderbouwing ten grondslag; incidenten betekenen immers niet dat de hele sector ‘rot’ is. We gaan zien of die onderbouwing te vinden zal zijn in de aangekondigde rapportage.

In het onderzoek dienen de volgende scenario’s te worden bekeken:

Bij deze vraag dienen een aantal toekomstscenario’s te worden geanalyseerd. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende scenario’s:
a) het volledig verbieden van trustdienstverlening in Nederland;
b) het verbieden van specifieke trustdiensten in Nederland;
c) het strikter reguleren van de trustsector in Nederland;
d) de situatie ongewijzigd laten.

Het belangrijkste scenario ontbreekt:

e) Afschaffing van het toezicht op trustkantoren,
[1] nu de aanpak van statutair bestuurders afdoende kan plaats vinden via het reguliere rechtspersonenrecht en via de reguliere fiscale en commune strafrechtelijke regels;
[2] nu het vergunningplichtig maken van het zijn van statutair bestuurder in strijd is met het Nederlandse en Europese recht.

Een gemiste kans!

 

Meer informatie:

 

Tekst van de brief:

Tijdens het commissiedebat over de bestrijding van witwassen met de vaste commissie voor Financiën van 9 september 2021 heb ik toegezegd uw Kamer nader te informeren over de onderzoeksopzet en de planning van het onderzoek naar de toekomst van de trustsector. Gedurende dit debat zijn er ook een aantal suggesties gedaan voor de onderzoeksopzet, ik heb deze suggesties verwerkt in de onderzoeksopzet.

Tijdens het debat heb ik aangegeven dat het onderzoek onafhankelijk zal worden uitgevoerd door een externe partij die door middel van een aanbestedingstraject wordt geworven. In de offerte-uitvraag heb ik nadrukkelijk opgenomen dat de partij die het onderzoek gaat uitvoeren geen banden mag hebben met de trustsector. In deze brief ga ik in op de onderzoeksopzet die wordt aanbesteed en de planning van de aanbesteding en het onderzoek. Volledigheidshalve wijs ik uw Kamer op de recente berichten naar aanleiding van de Pandora Papers. Het onderzoek zal inzichten bieden die ook relevant zijn bij de opvolging van mogelijke lessen die getrokken worden uit de Pandora Papers.

Onderzoeksopzet
De hoofdvraag die centraal staat in dit onderzoek is of bij trustdienstverlening in Nederland de integriteit voldoende te waarborgen is. Deze vraag zal in breder verband worden onderzocht, waarbij ook zal worden gekeken naar de financieel-economische en de maatschappelijke meerwaarde van deze sector voor Nederland. Bij het onderzoek worden tevens de uitkomsten betrokken van het onderzoek van de Commissie doorstroomvennootschappen. In dat onderzoek is aandacht besteed aan financiële stromen door Nederland en de relatie met witwassen.

Om de centrale vraag goed te kunnen beantwoorden en afwegingen te kunnen maken, moeten de onderzoekers tenminste de volgende vragen beantwoorden.

1. Wat is de aard en omvang van de Nederlandse trustsector?
Hierbij moeten de trustkantoren in Nederland in kaart worden gebracht, welke activiteiten zij verrichten en welke type cliënten zij bedienen.

2. Welke inherente integriteitsrisico’s kent de trustdienstverlening in Nederland en kunnen die voldoende worden beheerst?
De beantwoording van deze vraag dient inzicht te geven in integriteitrisico’s die gepaard gaan met trustdiensten die partijen op dit moment in Nederland aanbieden. Ook moet het uitvoeren van de poortwachtersfunctie door trustkantoren worden geanalyseerd.

3. Wat is de meerwaarde van de trustsector in Nederland?
De beantwoording van deze vraag moet inzicht geven in de rol van trustdiensten in het internationale financiële systeem en de maatschappelijke en de financieel-economische (meer)waarde van de trustsector binnen de Nederlandse economie.

4. Hoe zal de Nederlandse trustsector er in de nabije toekomst uitzien?
Dit deel van het onderzoek draait om de vraag welke legale en illegale trustdiensten in de toekomst naar verwachting zullen afnemen, of toenemen en/of trustkantoren zich wellicht gaan richten op het verlenen van andere type diensten.

5. Wat zijn de voor- en nadelen van (nieuwe) regulering ten opzichte van het geheel of gedeeltelijk verbieden van trustdienstverlening, met het oog op het voorkomen van witwassen?
Bij deze vraag dienen een aantal toekomstscenario’s te worden geanalyseerd. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende scenario’s:

a) het volledig verbieden van trustdienstverlening in Nederland;
b) het verbieden van specifieke trustdiensten in Nederland;
c) het strikter reguleren van de trustsector in Nederland;
d) de situatie ongewijzigd laten.

Deze analyse zal zowel economisch, juridisch als maatschappelijk van aard zijn. Ook moeten de waterbedeffecten worden ingeschat bij de verschillende scenario’s.

Planning
Het aanbestedingstraject is gestart. Er is een aantal onderzoeksbureaus benaderd. Bij een geslaagde aanbesteding zal het geselecteerde onderzoeksbureau naar verwachting eind november starten met het onderzoek. Het onderzoek moet voor de zomer van 2022 worden opgeleverd.

Tags:
9 november 2021

Recht op een bankrekening voor niet-consumenten, uitspraak Hoge Raad | Wwft

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 5 november jl. heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gewezen op het recht van niet-consumenten op een bankrekening, zie de uitspraak.

Belangrijke overwegingen (markering door mij):

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 Onderdeel 1.1 van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de bijzondere zorgplicht voor banken kan leiden tot een verplichting te contracteren. Onderdeel 1.2 voegt daaraan toe dat het hof heeft miskend dat aan een rechtspersoon niet dezelfde uit de bijzondere zorgplicht voortvloeiende bescherming toekomt als aan een natuurlijk persoon. Onderdeel 1.3 voert aan dat ten aanzien van niet-consumenten hooguit een verplichting tot contracteren kan bestaan indien het weigeren te contracteren misbruik van bevoegdheid oplevert of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens onderdeel 1.4 heeft het hof ten onrechte geen gewicht toegekend aan het gerechtvaardigd belang van banken om cliënten te weigeren in verband met toezichtrechtelijke eisen en integriteitsrisico’s. In ieder geval kan van een contracteerplicht geen sprake zijn indien bij de bank reële twijfel bestaat of aan het met deze eisen en risico’s verbonden belang van de bank voldoende tegemoet wordt gekomen. Onderdeel 3 klaagt onder meer over de motivering van het oordeel van het hof dat er onevenredigheid bestaat tussen de belangen van Yin Yang en ING en dat het belang van Yin Yang bij het aanhouden van een betaalrekening bij ING in dit geval moet voorgaan.

3.2 Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten, de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden (vgl. voor consumenten art. 4:71f Wft). Het heeft daarbij eveneens terecht zwaar laten wegen dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. De onderdelen 1.1-1.3 falen daarom.

3.3 Anders dan onderdeel 1.4 aanvoert, heeft het hof niet miskend dat banken een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dat dit belang eraan in de weg kan staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden. Het hof heeft het belang van ING in dit opzicht onderzocht en afgewogen tegen het belang van Yin Yang c.s. Het is tot de conclusie gekomen dat tussen deze belangen onevenredigheid bestaat, en dat het belang van ING in de omstandigheden van dit geval niet in de weg staat aan een verplichting tot het aanbieden van een betaalrekening (zie rov. 3.12-3.14), maar wel aan een verplichting tot het faciliteren van het storten van contant geld (rov. 3.8). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten van de onderdelen 1.4 en 3 falen derhalve.

 

Dit artikel verscheen eerder op mijn algemene blog, zie daar ook de andere artikelen op dit blog over het verkrijgen en behouden van een bankrekening.

3 november 2021

Hoe banken de misdaadbestrijdingskosten aan hun klanten doorberekenen | Wwft

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Door middel van de witwasbestrijdingswetgeving [1] worden misdaadbestrijdingstaken aan bedrijven uitbesteed, dit is de zgn. ‘poortwachtersfunctie’. Onder meer hebben banken deze taak gekregen (er zijn veel meer ondernemingen die ‘poortwachter’ zijn, zie deze lijst).

Deze poortwachterstaken zijn duur en een reden voor banken om bepaalde (groepen) klanten te weigeren (‘de-risken’). Aangezien alle klanten die zich aan de wet houden toegang tot het bancaire systeem dienen te houden, kunnen banken klanten die zij riskant vinden niet altijd weg sturen.

Hogere tarieven voor ‘hoogrisicoklanten’
De nieuwste ontwikkeling (maar al lang gaande) is dat banken hogere kosten in rekening willen brengen aan klanten met een vermeend hoog risicoprofiel, zoals coffeeshops. Onlangs kwam ABN Amro in het nieuws, omdat de tarieven voor coffeeshops werden vertienvoudigd [2]. Daarbij rijst uiteraard de vraag of de bank die misdaadbestrijdingstaken wel kwalitatief goed en efficiënt uitvoert (maar de bank mag de vraag of DNB wel zuinig genoeg is in het toezicht op banken ook niet stellen, die kosten worden integraal aan banken doorberekend). Die vraag kunnen klanten van banken niet stellen en een andere bank vinden is ook niet gemakkelijk. Het geeft aan dat hier een foute situatie is ontstaan.

Antwoord Minister van Financiën
Inmiddels heeft de Minister van Financiën tijdens een vragenuur vragen hierover beantwoord [3]. De tekst van het voorlopig verslag volgt hierna.

Vragen Hammelburg

Vragen van het lid Hammelburg aan de minister van Financiën over het bericht dat ABN AMRO witwascontroles in rekening gaat brengen bij risicoklanten.

De voorzitter:
Dan gaan we over naar de volgende mondelinge vraag, namelijk die van de heer Hammelburg van D66. Hij stelt een vraag aan de minister van Financiën, die ik ook van harte welkom heet. Het gaat over het bericht dat ABN AMRO witwascontroles in rekening gaat brengen bij risicoklanten. Ik geef het woord aan de heer Hammelburg van D66 voor het stellen van zijn mondelinge vragen.

De heer Hammelburg (D66):
Dank u wel, voorzitter. Net als de overheid hebben banken een belangrijke maatschappelijke rol om criminaliteit en terrorisme aan te pakken. Het kan niet zo zijn dat criminelen en terroristen banken gebruiken voor hun activiteiten. De banken nemen dat serieuzer en serieuzer en dat brengt natuurlijk ook kosten met zich mee. Maar ze hebben ook die maatschappelijke rol en functie te vervullen.

Vorige week vrijdag kwam Het Financieele Dagblad met het bericht naar buiten dat ABN AMRO de kosten voor coffeeshophouders fors gaat verhogen, met wel 1.000%. Dit is een voorbeeld van weer een doorberekening door een Nederlandse bank naar een bepaalde sector van de kosten die de bank maakt om criminaliteit en terrorisme aan te pakken. Dat is niet de eerste keer. We hebben het eerder gezien met kleine autohandelaren, die gewoon geen bankrekening meer kunnen openen of voor wie de kosten gigantisch omhoog zijn gegaan. We zien stelselmatige discriminatie van coffeeshops. We zien het ook stelselmatig gebeuren bij sekswerkers, die bepaalde vormen betalingsverkeer niet meer kunnen gebruiken en die allerlei foefjes moeten uithalen om nog gewoon hun werk te kunnen doen.

Voorzitter. Nederlanders die zich aan de wet houden — of het een coffeeshopeigenaar is, een sekswerker of een autohandelaar — mogen erop rekenen dat zij niet door banken worden gediscrimineerd. Ze moeten niet worden uitgesloten van het betalingsverkeer. Ze mogen niet tegen veel hogere kosten aanlopen dan anderen. Ja, als er een oververtegenwoordiging is van kwaden, dan mogen de goeden daar nooit onder lijden. Ik heb eigenlijk één hele simpele vraag aan de minister. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat deze vormen van discriminatie en uitsluiting van bepaalde sectoren door banken zo snel als mogelijk worden gestopt?

De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de minister van Financiën.

Minister Hoekstra:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de heer Hammelburg voor het stellen van een aantal vragen en het maken van een aantal opmerkingen over een onderwerp dat bepaald niet zonder dilemma’s is. Hij stelde een vraag over de toegang voor ondernemers tot het betalingsverkeer. Dat vind ik op zichzelf heel begrijpelijk, want die toegang is voor vrijwel elk bedrijf een randvoorwaarde. Daar staat overigens tegenover of daar moeten we naast leggen dat banken natuurlijk ook een belangrijke poortwachtersfunctie hebben en dat wij als kabinet, maar eigenlijk als hele politiek, die poortwachtersfunctie als het gaat om het financieren van terrorisme en om witwassen in toenemende mate indringend bij de banken onder de aandacht brengen. Wij spreken ze aan op de rol die ze te vervullen hebben.

Vervolgens kom je in een dilemma: wat moet je nou doen als een bank voor een bepaalde zakelijke hoogrisicoklantengroep zeer veel kosten maakt? Wat moet daarmee gebeuren? De heer Hammelburg verwees terecht ook naar andere categorieën, maar in Nederland en ook in het buitenland betekent dat dat banken proberen afscheid te nemen van zo’n hele categorie. Waarom? Onder andere omdat de politiek zegt: let goed op uw zaak, zorg dat er geen misbruik plaatsvindt. Dat vinden we met elkaar onwenselijk. We vinden het ook onwenselijk als hoogrisicoklanten vervolgens ook klanten blijken te zijn waar die risico’s materialiseren. De heer Hammelburg voegde nog een extra dilemma toe: je wilt vervolgens ook dat het allemaal proportioneel is. Volgens mij is dat proportionele precies de titel waarvan ik gebruik zou willen maken in mijn dialoog met de banken. Ik zou via het MOB, dat de heer Hammelburg meer dan bekend is, met de banken in gesprek willen gaan over het maken van gerechtvaardigd onderscheid op zo’n manier dat dat proportioneel is. Het gaat dus niet over discriminatie, maar over gerechtvaardigd onderscheid. Dat wordt overigens ook toegestaan. Gelijke gevallen moet je gelijk behandelen, maar ongelijke gevallen mag je ook ongelijk behandelen. Vervolgens heb je als financiële instelling natuurlijk in generieke maar ook in specifieke zin een belangrijke communicatieverplichting om uit te leggen waarom je doet wat je doet. Dat zou de manier zijn waarop ik dit zou willen aanvliegen. Nogmaals, het is een situatie die voor alle betrokkenen, voor de banken, voor de betrokken ondernemers maar ook voor de politiek, helaas niet zonder dilemma’s is. Dat is natuurlijk wel vaker zo met ingewikkelde zaken in het leven.

De heer Hammelburg (D66):
Ik dank de minister voor dit antwoord. Ik ben natuurlijk heel blij dat de minister het gesprek met de banken voert, maar dit is natuurlijk niet de eerste keer dat we deze vormen van uitsluiting en discriminatie bespreken. Ik weet dat de minister dat gesprek met de banken voert en de minister weet dat ik dat weet, maar het gaat nu wel te ver en het blijft maar doorgaan. Ergens moet je als politiek zeggen: hier moet het stoppen en hier moet een halt worden toegeroepen aan deze uitsluiting en deze discriminatie. Ik begrijp niet geheel wat in dit geval het verschil is tussen gerechtvaardigd onderscheid en discriminatie. Ik ken het juridische verschil, maar je zou kunnen beargumenteren, zeker wanneer het bijvoorbeeld om sekswerkers gaat of coffeeshops — laten we het bij sekswerkers houden, waar dit stelselmatig gebeurt — dat het toch echt over discriminatie gaat. Ik wil een brief van de minister met een goede uitleg waarom dit een geval is van gerechtvaardigd onderscheid en niet van discriminatie. Ik vraag de minister om dit vervolgens met de banken te bespreken, want ik vind dat dat dit echt vele malen te ver gaat. Het is niet de eerste keer dat we dit bespreken en het moet echt stoppen.

Minister Hoekstra:
Ik denk dat we het eens zijn op het meer algemene niveau. Volgens mij zijn we het ook eens over de principes waarover het hierbij gaat. Tegelijkertijd zegt de heer Hammelburg hier op voorhand dat er sprake is van discriminatie, dat dit onacceptabel is en dat we er dus een einde aan moeten maken. Dat zou ik echt in belangrijke mate willen nuanceren. Nogmaals, het is een situatie die niet zonder dilemma’s is. Je wil juist ook voorkomen — ik denk dat de heer Hammelburg mij onmiddellijk naar de Kamer zou halen als ik dat niet zou kunnen voorkomen — dat een hele categorie de banken uit wordt gewerkt en niet meer kan bankieren omdat banken zeggen: “Ja, maar het risico voor ons is zo hoog en zo groot; dat kunnen we niet meer redelijkerwijs voor onze kap nemen. Waarom niet? Omdat de politiek van ons vraagt dat wij optreden tegen witwassen en dat wij optreden tegen terrorismefinanciering.” Dat is het eerste dilemma.

Het is misschien goed om het tweede dilemma hier nog eens te schetsen. Met alle maatregelen die wij als politiek vragen van de banken betekent de ene klant natuurlijk wel degelijk aanzienlijk hogere kosten dan de andere klant. Dat is überhaupt ongemakkelijk voor de banken, maar we weten ook allemaal wie vervolgens opdraaien voor de meerkosten in bepaalde categorieën. Dat zijn namelijk de andere klanten van de bank. Dat betekent dat de extra kosten die gaan zitten in bijvoorbeeld de hoogrisicocategorie van de coffeeshops, worden omgeslagen over de bakker, de slager en andere ondernemers. Dat is gewoon een van de dilemma’s. Daarmee hebben we nog geen oplossing te pakken, maar het is wel belangrijk om dat te benoemen. Daarom nogmaals mijn voorstel.

Ik zeg de heer Hammelburg overigens graag toe dat ik de Kamer een brief daarover stuur, maar dat zou ik dan willen doen nadat ik het gesprek heb gevoerd. Ik wil graag met de banken in gesprek over: hoe ga je hiermee om, hoe probeer je een categorische uitsluiting te voorkomen, hoe probeer je te doen wat redelijk is richting individuele ondernemers? Nogmaals, ik ben niet op voorhand ervan overtuigd dat het maken van een onderscheid in alle gevallen onrechtvaardig is en zich niet zou verdragen met de wet. Ik vind wel dat je heel goed moet kijken naar proportionaliteit. Dat vraagt de wet ook. Het gaat hier overigens überhaupt om privaatrecht. Dat is ook een belangrijke loot aan deze stam. Daarvoor geldt dat banken zich uiteindelijk te houden hebben aan wat redelijk en billijk is in het privaatrechtelijke verkeer. Ik zal ook nog met de banken in gesprek gaan over hoe ze dit niet alleen proportioneel doen, maar ook op een manier die voldoende helder en inzichtelijk is, waarbij men daar afdoende over communiceert. Als ik dat hele pakket toezeg, dan ga ik eerst via het MOB niet alleen met deze bank maar met alle banken in gesprek en laat ik de Kamer daarna weten wat de afdronk is van het geheel.

De heer Hammelburg (D66):
Ergens in het betoog van de minister zie ik toch wel een probleem. De aanpak van terrorisme en de aanpak van ondermijnende criminaliteit, ook door banken, kost geld. We hebben al heel vaak een discussie gehad, ook in verschillende commissies hier in huis, over dat die kosten niet te zwaar mogen worden verhaald op de consumenten. Dat gebeurt nog veel te vaak. Maar dat is een ander debat. Ik ga, als ik het heb over uitsluiting en discriminatie, ook niet zeggen — ik pak nu de bakkers er maar even bij, in de veronderstelling dat die weinig te maken hebben met witwaspraktijken — dat als er ineens drie bakkers zijn die wat vaker in verband worden gebracht met criminaliteit, we alle bakkers heel veel hogere kosten in rekening brengen bij de bank of zelfs uitsluiten van een bankrekening. Ik vraag me echt ten stelligste af of hier sprake is van gerechtvaardigd onderscheid of discriminatie. Dit verhaal speelt al heel lang, bijvoorbeeld bij sekswerkers. Dus ik zou dan ook in de brief van de minister toch echt de juridisch grondslag willen hebben op basis waarvan banken denken dit te mogen doen. Dan kunnen we het debat daarna op een juiste basis met elkaar voeren in dit huis.

Minister Hoekstra:
Ik proefde nuance in het betoog. Ik zag de heer Hammelburg ook afbuigen naar dat we ons de vraag moeten stellen wat wel en niet gerechtvaardigd is. Dat is volgens mij precies wat je moet doen. Ik zal hier ook naar kijken. Ik wil nog wel één ding echt markeren. Het is niet een particuliere opvatting van mij als minister of van deze bank of van het kabinet dat, objectief kijkend, de ene groep veel meer, significant meer hoogrisicoklanten bevat dan anderen. Ik durf de stelling echt wel aan dat een bank die zegt “dat zien wij meer bij coffeeshops dan bij bakkerijen”, het vermoedelijk bij het juiste eind heeft. Maar nogmaals, die inschatting ga ik laten bij de experts, bij het ministerie van Justitie en anderen. Maar ik zou wel staande durven houden dat die generieke inschatting blijkt te kloppen.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een vervolgvraag van mevrouw Simons van BIJ1 en dan de heer Azarkan van DENK.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Heel fijn dat de minister in gesprek gaat met alle betrokken partijen. Ik vraag me af of hij in die gesprekken ook de volgende overweging mee zou kunnen nemen. Als wij te maken hebben met een bepaalde branche, met in die branche malafide en bonafide bedrijven, en wij verhogen de bankkosten van die beide takken met 1.000%, wie blijft er dan in staat om die te betalen? Is dat het malafide of het bonafide bedrijf?

Minister Hoekstra:
Dat is van mevrouw Simons een uitstekende vraag. Het is ook een retorische vraag. Natuurlijk kun je beargumenteren dat degenen die meer en ook oneigenlijke winst maken, makkelijker in staat zijn om die kosten te betalen. Overigens, die 1.000%; ook in echte euro’s gaat het om veel geld, maar om dat toch in perspectief te plaatsen: het gaat over nu €10 per maand en je zou gaan naar €110 per maand, overigens in een branche die aanzienlijke winstmarges maakt. Maar daar gaat het eerlijk gezegd niet om. Het gaat meer om de principiële gedachtewisseling die de heer Hammelburg en ik net hadden. Langs die lijnen moet je ernaar kijken. Misschien nog aansluitend op wat ik net tegen de heer Hammelburg zei: ik heb er geen enkel bezwaar tegen om ook te kijken nog naar andere branches waar dit type problematiek speelt, want volgens mij verwijst mevrouw Simons — maar misschien is dat impliciet, ook naar.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Vanzelfsprekend verwijs ik ook naar alle branches die de heer Hammelburg noemde: de sekswerkers, de coffeeshops, de autohandelaren. Dat zijn branches waarin, net als in elke andere branche, malafide en bonafide bedrijven werkzaam zijn. Dan zegt de minister: het punt dat mevrouw Simons inbrengt is leuk en waar, maar niet zo relevant. Nou ja, tenzij je uit wil kijken voor een glijdende schaal. Als je praat over of er wordt gediscrimineerd of niet, dan lijkt het mij wel degelijk dat je ook rekening houdt met wie je wel of niet faciliteert. Dan gaat het niet om het verschil tussen €10 of €110, maar dan gaat het over wie wij de mogelijkheid geven om kwaad te doen.

De voorzitter:
Dank u wel. Uw vraag?

Mevrouw Simons (BIJ1):
Als je maar kunt betalen, als je maar op een of andere manier de centjes hebt om je malafide praktijken netjes te financieren, dan vinden wij dat goed. Dát is een principiële kwestie.

Minister Hoekstra:
Ik probeerde juist twee dingen uit elkaar te trekken, waarover ik het volgens mij juist met mevrouw Simons eens was. Ik probeerde die 1.000% in perspectief te plaatsen door daar het bedrag in euro’s aan toe te voegen. Want “1.000%” klinkt voor de meeste mensen in eerste instantie nog groter dan een verhoging van €10 naar €110, wat overigens ook nog steeds een significante verhoging is in reële euro’s als het gaat om het bedrag per maand. Verder zou ik willen verwijzen naar de dialoog met de heer Hammelburg net.

De voorzitter:
Tot slot de heer Azarkan van DENK.

De heer Azarkan (DENK):
Ik merkte bij collega Hammelburg een zekere afkeer van datgene wat in de basis nu wordt voorgesteld. Ik begrijp dat wel. We hebben hier natuurlijk een aantal weken geleden een debat over gehad. Die Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme is best ingewikkeld, omdat het voor heel veel bedrijven onvoldoende duidelijk is op basis waarvan ze gecontroleerd worden, maar ook hoe ze daartegen in het geweer kunnen komen. We hebben daarover gesproken. Ik zou graag van de minister een brief willen hebben over hoe die banken dat ervaren, hoe ze dat inzetten en welke informatie men heeft die dit plan onderbouwt.

Minister Hoekstra:
De heer Azarkan en ik hebben daar vaker van gedachten over gewisseld, ook daar waar het ging over andere branches. Ik wil dat best meenemen in de brief. Ik zou toch nog een keer willen wijzen op het dilemma dat de heer Azarkan overigens in eerdere debatten zelf altijd heeft onderkend. Je wil juist niet dat banken te weinig doen tegen witwassen. Het is een enorm probleem dat nog jarenlang bij ons zal blijven en waar we het hier vaker met elkaar over gehad hebben. Dan is vaak de volslagen terechte roep vanuit de Kamer: minister, zorg ervoor dat die banken meer gaan doen. Dat is de ene kant.

De tweede piketpaal — daar ging het betoog van mevrouw Simons over — is dat je niet wil dat een hele sector de bank uit wordt geduwd en dan alleen nog is aangewezen op een andere manier van opereren, met contant geld en zonder betaalrekeningen. Dat wil je ook niet. Dan kom je dus voor dit type dilemma’s te staan. Dus het is wel belangrijk om ons die context te blijven realiseren. Verder ben ik het zeer eens met de heer Azarkan en zeg ik hem dus toe om in de brief, die ik de heer Hammelburg al had toegezegd, ook dit specifieke punt mee te nemen. Ik denk dat dat de discussie ook weer verder kan helpen.

Uit het verslag blijkt dat de Minister van mening is dat ‘ongelijke gevallen’ ongelijk behandeld mogen worden.

Er is dus geen enkele stimulans voor banken om zorgvuldig tot een indeling in risicocategorie te komen, op basis van individuele kenmerken van de klant. Een stimulans om de Wwft-compliance zorgvuldig en zuinig te doen is er evenmin. Dat betekent dat er een ongezonde situatie is ontstaan, want overstappen naar een andere bank is moeilijk (ook voor ‘niet-riskante’ bedrijven).

Het geeft aan hoe perfide het systeem van de witwasbestrijding is en dat deze misdaadbestrijdingstaken niet bij banken thuis horen [4].

 

Noten

[1] In Nederland via de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
[2] Zie onder meer RTL, NRC, NL Times, Nu.nl, accountant.nl, Accountancy Vanmorgen, Radar, Parool.
[3] Vragenuur op 2 november 2021, ongecorrigeerd stenogram.
[4] Mogelijk geldt dat ook voor andere Wwft-plichtigen.

 

Dit artikel verscheen eerder  op mijn algemene blog.

25 augustus 2021

Trustkantoren en de toekomst van de misdaadbestrijding | DNB-nieuws juli 2021

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

DNB heeft in juli jl. een nieuwsbrief uitgebracht die op de DNB-site is te vinden via deze drie artikelen: 1 aandachtspunten, 2 melden incidenten, 3 kort nieuws.

Aandachtspunten

Degenen die meer willen weten van de wonderlijke wereld van het cliëntenonderzoek door beroepsmatige statutair bestuurders (‘trustkantoren’), doen er goed aan het DNB-artikel met aandachtspunten te lezen.

Herkomst van het totale vermogen van de ubo
In het artikel met aandachtspunten valt op dat het trustkantoor volgens DNB de vermogenspositie van de uiteindelijk belanghebbende (ubo) van de doelvennootschap “met zoveel mogelijk zekerheid” zou moeten vaststellen. Dat is gebaseerd op artikel 27 lid 2 sub d. van de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018), wat daarmee veel verder gaat dan het cliëntenonderzoeksartikel van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Bovendien is het trustkantoor verplicht na te gaan of het vermogen dat de ubo bij de doelvennootschap heeft ingezet, alsmede het totale vermogen van de ubo, een legitieme oorsprong heeft. Uit de mededelingen van DNB blijkt dat het trustkantoor wordt geacht van de complete vermogenspositie bewijsstukken te hebben, dus dat kost goud geld. Hoewel dit een inspanningsverplichting is voor het trustkantoor, lijkt me dat het nog steeds een onuitvoerbare verplichting is. Verder is de vraag of het proportioneel is om deze eis te stellen met betrekking tot het complete vermogen van de ubo.

Als de wetgever onuitvoerbare eisen stelt, is logisch dat de subjecten van het toezicht (hier de trustkantoren) daar niet aan kunnen voldoen.

Trustkantoren bezitten wonderbaarlijke kwaliteiten als zij artikel 27 lid 2 sub c., d. en e. kunnen naleven. Het is maar goed dat deze verplichtingen niet voor alle statutair bestuurders van rechtspersonen gelden.

Relevante onderdelen van de structuur
Opmerkelijk is verder dat DNB voor relevante onderdelen van de structuur verwijst naar de memorie van toelichting, in plaats van dit soort informatie op een samenhangende wijze op de website vermelden.

Transactieprofiel

Net als Wwft-plichtigen moeten trustkantoren transactieprofielen maken. Uit de mededelingen van DNB blijkt dat zij denken dat een transactieprofiel een soort van schaduwadministratie is, nl. een overzicht van betalingsbevoegdheden, bankrekeningnummers en veel voorkomende betalingsrelaties (zoals betaling van de belastingadviseur). Dat is wel een heel merkwaardige opvatting, die uiteraard niet bestreden kan worden omdat DNB altijd gelijk heeft.
Bij het transactieprofielengebeuren wordt steeds beweerd dat het zo nuttig zou zijn voor de misdaadbestrijding. Enig onafhankelijk onderzoek daarnaar heb ik nog niet voorbij zien komen. Het is hoog tijd dat dit wel gebeurt, zodat zichtbaar is of de hoge kosten die onder meer banken en trustkantoren aan transactiemonitoring besteden wel iets opleveren.

Incidentmelding

In het artikel over incidentmelding geeft DNB enige voorbeelden. Het tweede voorbeeld is bijzonder, omdat het trustkantoor hier een incidentmelding doet die uitsluitend is gebaseerd op negatieve berichtgeving in de media.
Hoewel het nuttig is als media zoals Follow the Money en NRC over financiële criminaliteit schrijven, worden zij meestal niet gehinderd door kennis van zaken. Dus mij lijkt dat het trustkantoor onrechtmatig handelt door een incident te melden op basis van uitsluitend mediaberichten. Op zijn hoogst kunnen de mediaberichten aanleiding zijn voor nader onderzoek.

Tot slot

De ontwikkelingen in de regelgeving inzake trustkantoren geven aan waar het met de misdaadbestrijding naar toe gaat.

De trend geeft weinig reden tot optimisme, nu proportionaliteit niet relevant wordt geacht en de kosten evenmin een rol spelen. Misschien dat de klanten van trustkantoren de hoge compliancekosten kunnen betalen. Als gelijksoortige eisen gesteld gaan worden onder de Wwft en in de gemeentelijke misdaadbestrijding, kunnen we bij klanten (consument, mkb) uitkomen die deze kosten niet kunnen betalen.

Tags:
23 augustus 2021

Afschaffing van trustkantoren -2-

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Het eerdere artikel is aangevuld naar aanleiding van het bericht in het FD, Hoekstra onderzoekt verbod op trustkantoren vanwege misstanden, een fraai staaltje van politieke journalistiek.

Tags:
16 augustus 2021

Lichtpuntje rondom uitsluitingspraktijken van banken | uitspraak Rechtbank Amsterdam 29 juni 2021

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Het wordt steeds duidelijker dat banken de antiwitwaswetgeving aangrijpen om maatschappelijk onbetamelijk te handelen, daarbij aangevuurd door DNB met haar standpunt over ‘risk appetite’, ik schreef daar al eerder over.

Een lichtpuntje is dat de rechter inmiddels bereid is om een stokje te steken voor deze discriminatoire praktijken, zo valt in een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam te lezen. In deze zaak tegen de Rabobank, gaat het om twee aandeelhouders van een coffeeshop (die al een Rabobank rekening heeft) die geen rekening bij deze bank kunnen openen.

Rechtbank:

4.2 Het belangrijkste verweer van Rabobank is dat zij gezien de contractsvrijheid niet verplicht kan worden tot het openen van een (zakelijke) bankrekening. Hierin wordt Rabobank niet zonder meer gevolgd. De contractsvrijheid is voor banken gezien hun bijzondere zorgplicht niet onbegrensd. Het hebben van een bankrekening is noodzakelijk om in volle omvang aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen. In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van mr. T. Hartlief, procureur-generaal bij de Hoge Raad van 12 maart 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:239) waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Ik sluit niet uit dat de bijzondere zorgplicht onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden een bank kan verplichten (opnieuw) een contractuele relatie met een derde aan te gaan. De in de rechtspraak ontwikkelde bijzondere zorgplicht, die op zijn beurt voortvloeit uit de in art. 6:162 BW neergelegde zorgvuldigheidsnorm, betreft immers een open norm, die met de tijd mee-ontwikkelt en niet op voorhand tot bepaalde situaties is beperkt. Daarom moet telkens opnieuw aan de hand van de omstandigheden van het geval worden bezien tot welke zorg de bank in het concrete geval jegens de derde(n) is gehouden. In dit systeem past niet dat bepaalde zorg, zoals het aangaan van een (standaard) contractuele relatie met een derde, bij voorbaat is uitgesloten van de bijzondere zorgplicht van de bank.

Daarbij komt dat de achtergrond van de bijzondere zorgplicht van de bank in de eerste plaats wordt gezocht in de spilfunctie die banken in het maatschappelijke verkeer vervullen. Zeker in het digitale tijdperk waarin we nu leven, is het simpelweg niet meer (goed) mogelijk om aan het maatschappelijk verkeer – en daarmee de samenleving – deel te nemen zonder in elk geval toegang te hebben tot een betaalrekening. De weigering van een bank om een contractuele relatie met een derde aan te gaan (in het bijzonder met betrekking tot een betaalrekening), kan er derhalve toe leiden dat de derde van het maatschappelijk verkeer en de samenleving wordt uitgesloten. De bank heeft wat dat betreft dus een zekere ‘macht’ over (de) derde(n) en een weigering van de bank om (opnieuw) met de derde(n) in zee te gaan, kan (en zal) voor de derde(n) ingrijpende gevolgen hebben. Ook gelet op dit ‘machtsonevenwicht’ acht ik het niet uitgesloten dat een bank, onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden, kan worden verplicht om (opnieuw) een contractuele relatie met de derde(n) aan te gaan.

4.3. Ook in dit geval wordt geoordeeld dat Rabobank op grond van haar bijzondere zorgplicht verplicht kan worden gesteld ten behoeve van [eiseres 1] en [eiseres 2] zakelijke bankrekeningen te openen. De in de loop der tijd door Rabobank aangevoerde bezwaren tegen [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn niet steekhoudend. Rabobank heeft [eiseres 1] en [eiseres 2] aanvankelijk alleen het algemene verwijt gemaakt dat zij zijn gerelateerd aan Café City Hall, een vennootschap die een coffeeshop drijft (zie de onder 2.3 geciteerde brief van 23 februari 2021). Rabobank heeft in dit verband echter geen concrete bezwaren over Café City Hall of over [eiseres 1] en [eiseres 2] naar voren gebracht, terwijl zij Café City Hall kent omdat deze vennootschap al een zakelijke bankrekening heeft bij Rabobank. Een dergelijke categorale uitsluiting is niet toegestaan. De nadien door Rabobank naar voren gebrachte bezwaren zijn evenmin steekhoudend. Dat andere banken (de banken waar [naam 1] en [naam 2] een privérekening aanhouden) een zakelijke bankrekening hebben geweigerd, geeft Rabobank nog niet het recht dit ook te doen. De vraagtekens die Rabobank heeft geplaatst bij de hoogte van de koopprijs voor de 50% aandelen in Café City Hall, bij het feit dat die koopprijs is geleend van de verkoper en bij de structurering via persoonlijke holdings, zijn voorshands niet terecht. De aandelentransactie heeft, zoals ter zitting toegelicht, plaatsgevonden in de familiesfeer (moeder, die onder meer om medische redenen met pensioen wil, verkoopt haar aandelen aan haar dochter en nicht die al in de zaak werkzaam zijn). De hoogte van de koopprijs, die mogelijk op het eerste gezicht in het licht van de omzetten die Café City Hall maakt, aan de lage kant is, kan bovendien goed worden verklaard door de groeiende onzekerheid waarin coffeeshops verkeren die zijn gevestigd in het centrum van Amsterdam en die zich met name richten op toeristen. Dat de aandelen worden gehouden via een structuur van persoonlijk holdings is in het geheel niet ongebruikelijk.

4.4. Verder heeft Rabobank aangevoerd dat een verplichting om een relatie aan te gaan met [eiseres 1] en [eiseres 2] in strijd zou zijn met de Wwft omdat het cliëntenonderzoek nog niet met succes is afgerond. Dit zou haar tenminste vier weken kosten, zoals blijkt uit haar pas ter zitting ingenomen standpunt (zie onder 3.3). Ook dit kan niet leiden tot het afwijzen van de vordering, noch tot het verbinden van een voorwaarde aan toewijzing dat Rabobank eerst vier weken de tijd krijgt het cliëntenonderzoek te doen. Niet bestreden is dat [eiseres 1] en [eiseres 2] reeds in november 2020 de aanvraag tot het openen van een bankrekening hebben ingediend. Vervolgens zijn zij aan het lijntje gehouden, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte correspondentie, en heeft Rabobank geen enkele moeite gedaan om het cliëntenonderzoek te starten. Toen Rabobank met concrete bezwaren kwam, zijn die uitgebreid weerlegd in de brief van 16 april 2021 van de raadsman van [eiseres 1] en [eiseres 2] . Rabobank heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad tot het doen van een cliëntenonderzoek. Dat zij dit kennelijk nog niet heeft gedaan komt voor haar risico. Er zijn bovendien voorshands geen aanwijzingen dat het cliëntenonderzoek ingewikkeld is of problemen zal opleveren. [naam 1] en [naam 2] zijn jonge vrouwen die werkzaam zijn in de door Café City Hall (bij Rabobank bekende) gedreven coffeeshop en hebben verder geen zakelijke activiteiten. Wel zal Rabobank bij toewijzing van de vordering om administratieve redenen een termijn van twee weken worden gegund, zoals zij subsidiair heeft verzocht.

 

Het geeft aan dat de grens van het maatschappelijk betamelijke bij de ‘de-risking’ praktijken door banken is bereikt.

29 juli 2021

Trustkantoor is een gewone statutair bestuurder | uitspraak 10 mei 2021

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Het blijft apart dat trustkantoren blijven denken dat zij ‘bijzondere’ statutair bestuurders zijn, terwijl uit allerlei bestuurdersaansprakelijkheidszaken blijkt dat zij gewoon een rechtspersonenrechtelijke rol vervullen.

Zo blijkt ook weer uit een uitspraak van 10 mei 2021 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao over een trustkantoor dat alleen de instructies van de uiteindelijk belanghebbende (ubo) opvolgde en geen acht sloeg op de door de entiteit aangegane verplichtingen. Het Gerecht oordeelt dat trustkantoor United

haar taak als bestuurder van Cable Plus niet behoorlijk heeft vervuld en een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat United als trustbestuurder een beperkte rol had en dat zij de betalingen in opdracht van de aandeelhouder uitvoerde mag zo zijn. Een trustkantoor dat het bestuur van een vennootschap op zich neemt is echter een volwaardig bestuurder. Als een behoorlijk handelend bestuurder, had United zich dan ook voldoende rekenschap moeten geven van de gevolgen van de door haar uitgevoerde c.q. goedgekeurde uitkeringen.

Het Gerecht concludeerde dat het trustkantoor voor het tekort in de faillissementsboedel aansprakelijk is.

28 juli 2021

Afschaffing van trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 8 juli stuurde de minister van financiën een brief (ook hier) aan de Tweede Kamer waarin de afschaffing van trustkantoren wordt aangekondigd. Aanleiding is het rapport van SEO Economisch Onderzoek (ook hier) over illegale trustdienstverlening.

Over de toekomst van de sector schrijft de minister:

Het onderzoek naar illegale trustkantoren laat zien dat bij een eerste inventarisatie er een substantieel aantal partijen is dat zich aan de wetgeving voor trustkantoren onttrekt. Die wetgeving beoogt de hoge integriteitsrisico’s bij het verlenen van trustdiensten te mitigeren. Het is voor mij van wezenlijk belang dat trustkantoren integer handelen en hun rol als poortwachter adequaat vervullen. De problemen uit het verleden, de ervaringen van DNB in het toezicht op vergunninghoudende trustkantoren en in haar handhavend optreden tegen illegale trustdienstverlening en het beeld dat een mogelijk flink deel van de illegale trustdienstverleners zich onttrekt aan regelgeving en toezicht, roepen bij mij de vraag op of bij trustdienstverlening de integriteit wel voldoende te waarborgen is. Ik wil deze vraag in breder verband laten onderzoeken en zal daarbij ook de economische voor- en nadelen van het verbieden van deze dienstverlening betrekken. Daarbij zal ik ook de uitkomsten betrekken van het onderzoek van de Commissie doorstroomvennootschappen die uw Kamer naar verwachting na het zomerreces ontvangt. Een besluit hierover is, op basis van de uitkomsten van het onderzoek, aan een volgend kabinet.

 

Zoals ik al eerder schreef, is het standpunt van financiën hoogst merkwaardig, nu trustkantoren iets heel gewoons doen, nl. statutair bestuurder zijn en domicilie aan de bestuurde vennootschappen verlenen. De vergunningplicht van Wtt 2018 acht ik dan ook onrechtmatig.

Logischer is om de vergunningplicht voor statutair bestuurders af te schaffen en daarmee een einde te maken aan de illegale trustkantorenwetgeving

 


Aanvulling 23 augustus 2021

Het is interessant om te zien hoe het FD bezig is met een campagne om trustkantoren af te schaffen. Het geeft aan hoe journalisten politieke invloed uitoefenen, zonder daar over transparant te zijn.

Dit wordt geïllustreerd door het artikel van 22 augustus jl. in het FD, waarin het FD schrijft over de hierboven genoemde brief van de minister van financiën: “De brief en het onderzoek zijn tot nu toe nauwelijks in de publiciteit geweest“, wat voor de krant reden is om er anderhalve maand later aandacht aan te besteden en de politieke boodschap nog een keer helder te brengen. De journalisten worden niet gehinderd door kennis van zaken, maar dat is ook niet nodig voor politieke propaganda.

Tags:
%d bloggers liken dit: