Posts tagged ‘Wtt’

8 november 2018

Wet toezicht trustkantoren 2018 aangenomen

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

De Eerste Kamer laat weten dat de Wet toezicht trustkantoren 2018 is aangenomen. Inwerkingtreding: nog niet bekend (op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld), maar naar verwachting per 1 januari 2019.

Meer informatie:

Tags:
30 oktober 2018

Memorie van antwoord Wet toezicht trustkantoren 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 15 oktober jl. werd bij de Eerste Kamer de memorie van antwoord ingediend in het dossier Wet toezicht trustkantoren 2018.

Poortwachtersproza
Een nieuwe term in het poortwachtersproza blijkt “comparatief voordeel” te zijn, zo blijkt uit de eerste alinea van paragraaf 2.

Zo te zien is deze memorie met artificial intelligence geschreven, want ik kom weer vele bekende teksten tegen. Zoals deze optimistische en onjuiste mededeling over Wwft-plichtigen in het algemeen (“dienstverleners’ = Wwft-plichtigen):

De dienstverleners zijn namelijk bij uitstek in staat om in het kader van hun dienstverlening signalen op te pikken dat hun cliënten betrokken zijn bij financieel handelen dat is gerelateerd aan witwassen of financieren van terrorisme.

Feeder
Spannend is dat het fenomeen ‘feeder’ heel kort aan de orde komt. Ik heb geen idee wat dat is. Ik vermoed dat feeders cliënten van het trustkantoor zijn die van het trustkantoor diensten of voordelen ontvangen, hoewel daarmee niet goed te rijmen is dat het volgens het citaat in de memorie om belastingadviseurs, accountants, notarissen en advocaten zou gaan. Die betekenis sluit niet aan bij allerlei andere passages in overheidsdocumenten over de ‘feeder’, die al even summier toegelicht zijn. Waarom hier niet wordt gesproken over het begrip ‘adviseur’ van de cliënt van het trustkantoor, is al even raadselachtig. Want de genoemde beroepsbeoefenaren zullen adviseurs van de doelvennootschappen of hun aandeelhouders c.s. zijn.

Trouwens: de minister lijkt te denken dat de belastingadviseurs, accountants, notarissen en advocaten waarmee een trustkantoor te maken heeft alleen uit Nederland zouden komen.

Een mooi staaltje luchtfietsen.

Citaat:

De suggestie met betrekking tot de «feeders» van structuren ziet op belastingadviseurs en accountants alsmede op notarissen en advocaten. Voor deze beroepsgroepen bestaan verschillende codes waarin ethische aspecten zijn opgenomen. Bij de plenaire behandeling van het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie fiscale constructies op 5 september jl. heeft de Minister voor Rechtsbescherming aangegeven om samen met de Staatssecretaris van Financiën een gesprek te beleggen met de beroepsgroepen en het Bureau Financieel Toezicht. In dat gesprek zal ter sprake komen wat de beroepsgroepen kunnen doen op het terrein van het bevorderen van de maatschappelijke betamelijkheid.

Analyse
Helaas beschik ik nog niet over artificial intelligence om deze ministeriële uiting te analyseren en te zien of en waar er beweging is en waar het toe leidt.

Ik beveel de memorie uiteraard in de aandacht van de sector van trustkantoren aan.

Tags: ,
3 oktober 2018

De niet geregistreerde rechtspersonen van het ministerie van financiën | Wtt 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Het is me al eerder opgevallen dat het ondernemingsrecht van het ministerie van financiën anders is dan het ondernemingsrecht dat de beoefenaren daarvan kennen.
Onlangs las ik de memorie van de toelichting bij het wetsvoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) door en kwam de volgende opmerkelijke tekst tegen:

Allereerst is in het wetsvoorstel een verplichting opgenomen om te controleren of ten aanzien van een doelvennootschap of ander relevant onderdeel van de groep waar de doelvennootschap toe behoort, is voldaan aan een plicht tot inschrijving in het Handelsregister of een daarmee vergelijkbaar buitenlands register. Deze plicht moet verhulling door gebruik van rechtspersonen of vennootschappen die onbekend zijn bij autoriteiten tegengaan. De controle levert het trustkantoor informatie op over het bestaan van een mogelijke plicht voor de betrokken rechtspersonen of vennootschappen tot inschrijving in een register en of aan deze plicht voldaan is. Het niet voldoen aan een inschrijvingsplicht kan naast het overtreden van de desbetreffende wettelijke plicht ook een indicatie zijn dat de dienstverlening integriteitrisico’s met zich brengt. Van het trustkantoor wordt verwacht dat deze geen diensten verleent voordat aan een inschrijvingsplicht is voldaan. In het dossier moet het trustkantoor een document hebben waaruit de inschrijving van de desbetreffende rechtspersonen of vennootschappen blijkt of dat is geconstateerd dat voor de desbetreffende rechtspersoon of vennootschap geen inschrijvingsplicht in het land van de zetel geldt. In het geval voor de rechtspersoon of juridische entiteit geen inschrijvingsplicht geldt, kan het in het bijzonder van belang zijn dat een trustkantoor achterhaalt wat het doel van de dienstverlening is en wat de reden is dat die rechtsfiguur in dat land wordt gebruikt. Het trustkantoor moet zich realiseren dat de gekozen rechtsfiguur niet bekend is bij de desbetreffende autoriteiten en dus verhullende doeleinden kan hebben.

Een hoogst merkwaardige passage, want hoe kun je als trustkantoor (die veelal statutair directeur is van rechtspersonen) een opdracht uitvoeren voor rechtspersonen, als je het bestaan daarvan niet kan verifiëren.

Voor een trustkantoor is de doelvennootschap (de door het trustkantoor bestuurde rechtspersoon) juridisch een opdrachtgeefster (van managementdiensten). Ook de aandeelhouders(s)-rechtspersoon/-personen van de doelvennootschap zijn civielrechtelijk opdrachtgevers. Als het trustkantoor een zakelijke relatie met doelvennootschap en aandeelhouder aangaat, is dat alleen mogelijk als het bestaan en de vertegenwoordiging geverifieerd kunnen worden. In de meeste Europese landen (misschien is dat in Engeland en [voormalige] kroonkoloniën anders) worden rechtspersonen door notarissen opgericht en in ingeschreven in handelsregisters.

Leeft het ministerie van financiën in een juridische schimmenwereld?

Het ministerie trok het been later bij, in de nota naar aanleiding van het verslag worden vragen over de ‘niet ingeschreven rechtspersonen’ als volgt beantwoord:

162–164
De leden van de SP-fractie lezen dat van trustkantoren wordt verwacht dat zij geen diensten verlenen aan bedrijven die niet zijn ingeschreven in het Handelsregister. Zij vragen de regering of er ook een verbod wordt voorgesteld op het verlenen van trustdiensten aan dergelijke bedrijven. Staan alle doelvennootschappen die door trustkantoren worden beheerd ingeschreven in het Handelsregister? Komen zij allemaal hun verplichtingen na? En wanneer dit niet zo is, wordt dan de relatie verbroken? Zo nee, waarom niet?

Zoals hierboven in antwoord op de vragen 155 tot en met 158 is aangegeven, mag een trustkantoor geen zakelijke relatie aangaan dan wel trustdiensten verlenen als de betrokken doelvennootschap of ander relevant onderdeel van de groep waartoe zij behoort, niet voldoet aan een plicht tot inschrijving in een handelsregister of vergelijkbaar register. Het is afhankelijk van de wetgeving in het land van de zetel van de doelvennootschap of het relevante onderdeel van de groep waartoe zij behoort, of inschrijving in een dergelijk register verplicht is. Voor de meeste doelvennootschappen met een zetel in Nederland zal een verplichting tot inschrijving in het handelsregister gelden. Het is onbekend of al deze vennootschappen op dit moment zijn ingeschreven. Het is nu nog geen verplichting voor trustkantoren om hier informatie over ter beschikking te hebben. Overigens bestaat de verwachting dat de inschrijving van de doelvennootschappen zelf, die in de regel een zetel in Nederland hebben, aan de inschrijvingsplichten voldoen. Het probleem speelt meer bij onderdelen van de groep die hun zetel in een ander land hebben. Als een trustkantoor constateert dat een doelvennootschap of een relevant onderdeel van de groep niet voldoet aan een inschrijvingsverplichting dan moet het trustkantoor de zakelijke relatie beëindigen.

Uit het antwoord blijkt dat het bestaan van het handelsregister bij het ministerie is doorgedrongen, al is de vraag waarom het ministerie schrijft: “Voor de meeste doelvennootschappen met een zetel in Nederland zal een verplichting tot inschrijving in het handelsregister gelden“. Waarom spreekt men over “de meeste“. Zijn er dan kapitaalvennootschappen met zetel in Nederland die niet ingeschreven zijn? Dat lijkt me onzin. Ik ben benieuwd of iemand mij over dit wel heel bijzondere fenomeen kan informeren.

Voorlopig ga ik er van uit dat juridische bijscholing van het ministerie gewenst is.

Meer informatie:

Dit artikel is ook verschijnen op de site van het Compliance Platform Trustkantoren.

25 september 2018

Wtt in de Eerste Kamer

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 21 september jl. is het voorlopig verslag gepubliceerd, waarin de leden van de Eerste Kamer een groot aantal vragen stellen naar aanleiding van het wetsvoorstel tot herziening van de Wet toezicht trustkantoren. Onderstaand een citaat:

2. De trustsector

Poortwachter
Graag herinneren de leden van de PvdA-fractie – mede namens de leden van de fracties van de SP en ChristenUnie – de regering aan de toezegging [2] van de minister van Financiën, zoals gedaan tijdens de plenaire behandeling van het voorstel voor de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn op 10 juli 2018, om de Eerste Kamer schriftelijk te informeren over het comparatieve voordeel van financiële dienstverleners om verscherpt cliëntenonderzoek te doen. Deze toezegging volgde op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA waar verscherpt cliëntenonderzoek het beste kan worden neergelegd.

In het verlengde van de vraag in hoeverre banken het comparatieve voordeel hebben om dit soort beoordelingen uit te voeren, rijst in relatie tot het voorliggende wetsvoorstel de vraag in hoeverre trustkantoren het comparatieve voordeel hebben om als poortwachter te fungeren en cliëntenonderzoek te doen. Graag vragen deze leden aan de regering om een doorwrochte analyse van de instituties bij welke cliëntenonderzoek in de voorliggende context het beste kan worden belegd. Voorts vragen zij welke conclusies de regering hieruit trekt.

Vervolgens stellen voornoemde leden ook de vraag in hoeverre het in het belang is van de trustkantoren zelf om als poortwachter te fungeren. Met andere woorden, zijn de financiële prikkels van trustkantoren niet zodanig dat integriteitsrisico’s worden vergroot? Graag verzoeken de aan het woord zijnde leden de regering om een doortimmerde uiteenzetting van de perverse prikkels die zich bij trustkantoren kunnen voordoen. Welke lessen trekt de regering hieruit?

3. Aanleiding voor de herziening van de Wtt

Inleiding
De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat analyses over trustkantoren van De Nederlandsche Bank (DNB), van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies (POFC) van de Tweede Kamer en van de regering zeer kritisch zijn en de conclusies zeer negatief luiden: een groot deel van de trustkantoren leeft de wet niet adequaat na, leeft niet naar de letter en geest van de wet en maakt de poortwachterfunctie niet waar. Op basis waarvan verwacht de regering dat de trustsector de nieuwe wettelijke verplichtingen in dit wetsvoorstel wél zal naleven, zo vragen de leden van deze fractie mede namens de leden van de fractie van de SP.

Onderzoeken DNB
De Nederlandse trustdienstensector is erg groot, ook vergeleken met omringende landen, met in- en uitgaande geldstromen van zo’n 5,5 biljoen euro [3], zo lezen voornoemde leden. DNB heeft vorig jaar bij 17 van de meer dan 200 kantoren on-site onderzoek kunnen doen. [4] Vindt de regering dit voldoende? Of is de regering het eens met deze leden dat DNB over meer middelen en capaciteit voor onderzoek moet kunnen beschikken? Zeker gezien het onderzoek van DNB zelf waaruit blijkt dat in vrijwel alle gevallen tekortkomingen worden vastgesteld en in veel gevallen ernstige tekortkomingen. [5]
Deze leden stellen vast dat de regering veel suggesties van DNB met betrekking tot regulering van de trustsector overneemt, maar niet de suggestie om accountantscontrole verplicht te stellen bij trustkantoren. [6] De leden van de fracties van GroenLinks, D66 en SP zijn hier verbaasd over. Kan de regering nader toelichten waarom zij de meerwaarde hiervan beperkt acht?

Ook het idee van een permanent beroepsverbod wanneer willens en wetens is meegewerkt aan witwassen en/of belastingfraude vindt de regering niet proportioneel en niet noodzakelijk. [7] De leden van de fracties van GroenLinks en SP ontvangen graag een toelichting hierop. De suggestie om de norm van betamelijk handelen ook van toepassing te laten zijn op “feeders” van structuren, zoals advocaten, notarissen, accountants en fiscalisten, wijst de minister van Financiën door naar de minister van Justitie en Veiligheid. [8] Gaat de minister van Justitie en Veiligheid werk maken van deze suggestie, zo willen de aan het woord zijnde leden weten. En zo ja, hoe?

4. Hoofdpunten van het wetsvoorstel

Verbeteren cliëntenonderzoek en onafhankelijke beoordeling
De leden van de fractie van GroenLinks memoreren dat de Tweede Kamer het amendement-Leijten [9] heeft aangenomen, waarmee de inspanningsverplichting bij het cliëntenonderzoek is aangescherpt. Als er redelijkerwijs twijfel kan bestaan over de juistheid of volledigheid van het cliëntonderzoek mag een trustkantoor geen zakelijke relatie aangaan met de desbetreffende client of trustdienst verlenen. Als niet zeker is dat de gebruikte structuur niet wordt gebruikt voor doeleinden als het verhullen van vermogen, belastingontduiking of witwassen, ziet het trustkantoor af van dienstverlening aan de desbetreffende cliënt. Deze leden vragen – mede namens de fractie van SP – de regering om toe te lichten hoe de naleving van deze verplichtingen wordt vormgegeven in de praktijk. Beschikt DNB over voldoende capaciteit voor toezicht hierop, of voorziet de regering in uitbreiding van de capaciteit en middelen?
De leden van genoemde fracties wijzen de regering graag op het boek Global Shell Games: Experiments in Transnational Relations, Crime and Terrorism waarin een onderzoek uit 2012-2014 wordt vermeld [10], gebaseerd op een experiment met honderden nepmails naar trustkantoren. Er werd gekeken bij welke kantoren je terecht kunt zonder het aanleveren van identiteitsbewijzen of andere documentatie. De uitkomst van dit experiment is dat in de OESO 11,9% van de trustkantoren zich aan de wet houdt en in offshore landen 34,4%. Is de regering bekend met dit onderzoek? Deze leden verzoeken om een reactie van de regering hierop.

5. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Naar aanleiding van de constatering dat ING zeven jaar lang structureel de anti-witwaswetgeving heeft overtreden vragen de leden van de fractie van de PvdA, mede namens de fracties van VVD, CDA, SP en ChristenUnie: waar was toezichthouder DNB al die tijd? In de context van het voorliggende wetsvoorstel stellen deze leden vervolgens de vraag of DNB adequaat geëquipeerd is om bij wanprestaties bij de trustkantoren te kunnen acteren in toezicht en handhaving. Graag vragen de leden van de fractie van de PvdA aan de regering om het antwoord op deze vraag van een zorgvuldige onderbouwing te voorzien.
De leden van de fractie van GroenLinks lezen dat de Raad van State schrijft dat “het toezicht op trustkantoren in belangrijke mate een afgeleide [is] van problemen met internationale belastingconcurrentie en belastingontwijking. Zolang er geen internationale afspraken zijn over deze problemen, blijft het toezicht op trustkantoren suboptimaal”. [11] Deze leden vragen – mede namens de fracties van VVD, CDA, SP en ChristenUnie – of de regering deze analyse van de Raad van State deelt en welke oplossingen de regering ziet ten aanzien van hetgeen de Raad van State constateert. De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de reactie van de regering met belangstelling en bij voorkeur binnen vier weken tegemoet.

Noten
2 Zie toezegging T02618 op http://www.eerstekamer.nl en Handelingen I, 2017-2018, nr. 37, item 3, blz. 3, 5,7, 11, 13.
3 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 4, blz. 3.
4 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 6, blz. 9.
5 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 3, blz. 4,5.
6 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 6, blz. 17 en verslagen van openbare verhoren Parlementaire ondervragingscommissie fiscale constructies (POFC), Kamerstukken II, 2016-2017, 34 566, nr. 4.
7 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 6, blz. 41.
8 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 6, blz. 17, 18.
9 Kamerstukken II, 2017-2018, 34 910, nr. 16.
10 M.G. Findley, D.L. Nielson en J.C. Sharman, Global Shell Games: Experiments in Transnational Relations, Crime and Terrorism (Cambridge University Press 2014), blz. 73.

Tags:
22 augustus 2018

De bureaucratische dwaalweg van het toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In juli jl. heeft de Tweede Kamer het voorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 aangenomen. Later verscheen de tekst van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel. In dit artikel geef ik een impressie van wat ik las.

Showelement
Het showelement in de parlementaire behandeling is groot, wat de vraag doet rijzen of de Tweede Kamer wel een serieuze instelling is. Zo wordt door kamerid Leijten een obligate grap over kamerplanten gemaakt:

Dan hebben we het over brievenbusmaatschappijen, die kunnen bestaan omdat de trustsector daar een locatie voor aanbiedt. Dat is een lege locatie. Daar staat vaak een kamerplant, omdat er volgens de Belastingdienst sprake moet zijn van “reële aanwezigheid van een levend organisme”. Nou, dan zet je een kamerplant neer in het kantoor en het is geregeld. Daarvoor waren brievenbussen nodig. Daarom heten ze nu “brievenbusmaatschappijen”. Je kan ze ook “kamerplantkantoren” noemen.

Al lezende vraag ik me af waartoe het slordige denken dat uit de parlementaire behandeling blijkt zal gaan leiden. Want teksten als:

De aanwijzing dat wij hier te maken hebben met een sector die tot op het bot ziek is, komt uit de Panama Papers

en

Wat doet een trustkantoor? Ik zal het maar eventjes vertellen. Er is een bouwtekening gemaakt voor een bedrijfsconstructie met een zo gunstig mogelijke belastinguitkomst. Die bouwtekening wordt gemaakt door een belastingadviseur en het trustkantoor gaat die bouwtekening uitvoeren. Het schrijft zich in bij de Kamer van Koophandel, opent bankrekeningen voor de persoon, en kan daarmee verhullen wie erachter zit.

hebben niets met de werkelijkheid te maken.
Die werkelijkheid bestaat niet alleen uit trustkantoren en hun doelvennootschappen. Lachwekkend: de Kamer van Koophandel die wordt genoemd als partij die ‘bedrijven en doelvennootschappen‘ registreert.

Analyse ontbreekt
De kerntaak van trustkantoren, het optreden als statutair bestuurder van rechtspersonen, krijgt in de behandeling geen aandacht. De opmerking van kamerlid Van der Linde, dat zich bij zijn partij een keurige brancheorganisatie heeft gemeld, “een koninklijke brancheorganisatie nog wel, die zegt: wij vallen plotseling onder de definitie van trustkantoor”, geeft aan dat de basisprincipes van het toezicht op trustkantoren rammelen. Ook de discussie inzake het ‘opknippen’ van trustdiensten geeft aan dat de kern van de Wet toezicht trustkantoren niet goed doordacht is.

De kamerleden hebben het in relatie tot trustkantoren alleen over ‘een adres‘ bieden en over het regelen van formaliteiten. Zoals gebruikelijk worden bijzondere financiële instellingen, door trustkantoren bestuurde rechtspersonen en houdstermaatschappijen op één hoop geveegd. Een echte analyse van de rol van rechtspersonen en de bij die rechtspersonen betrokken personen, zoals bestuurders en aandeelhouders, ontbreekt.

Na een introductie met hoog Panama gehalte wordt er gesproken over ondergeschikte bureaucratische kwesties, zoals de positie van de compliance officer in het trustkantoor, het intrekken van de vergunning en een raad van commissarissen binnen het trustkantoor.
De kamerleden spreken over de ‘papieren werkelijkheid‘ van de trustkantoren; de door hen bepleite regels voor trustkantoren zijn dat ook. Met de werkelijkheid heeft het niets te maken.

Terug naar de kern
Over de kern werd niet gesproken. Wat mij betreft zouden de onderwerpen van discussie moeten zijn:

  • Waar zitten de verschillen tussen ‘gewone’ internationaal opererende rechtspersonen (en hun bestuurders) en de doelvennootschappen bestuurd door trustkantoren?
  • Hoe vult het trustkantoor de rol van statutair bestuurder van de doelvennootschap in. Hoe wordt er voor zorg gedragen dat de natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur exact op de hoogte zijn van de gebeurtenissen bij de doelvennootschap.
  • Op welke manier worden de mensen die bij het trustkantoor het statutair bestuur feitelijk uitvoeren ondersteund met (interne of externe) juridische, fiscale en andere expertise.
  • Op welke manier wordt er voor gezorgd dat er voldoende kennis is over de relevante buitenlanden. (Dat is iets waar internationaal opererende ondernemingen ook mee te maken hebben.)
  • Hoe wordt er voor gezorgd dat de mensen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur voldoende toegerust zijn voor hun taak.

Binnen trustkantoren vinden veel administratieve en uitvoerende activiteiten plaats. Wellicht zou het goed zijn om die activiteiten apart te zetten van het statutaire bestuur.

Wat mij betreft mag de regelgeving inzake trustkantoren compleet op de schop.

Meer informatie:

  • Handelingen 27 juni 2018 inzake het voorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018.
  • Dossier overheid.nl inzake het wetsvoorstel Regels met betrekking tot het verlenen van trustdiensten en het toezicht daarop (Wet toezicht trustkantoren 2018) (34910).

Dit artikel publiceerde ik ook op mijn algemene weblog.

Tags:
9 augustus 2018

Het huidige denken over toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Advocaten M.T. van der Wulp en P.C. Verloop vatten in het artikel “Poortwachters en facilitators in de Nederlandse trustsector” het huidige denken van het ministerie van financiën en DNB met betrekking tot toezicht op trustkantoren mooi samen en plaatsen dit in historisch perspectief.
Wel is jammer dat het toezicht op trustkantoren niet in een breder perspectief wordt geplaatst. Zo mis ik de ontwikkelingen met betrekking tot de witwasbestrijding in het algemeen, te weten de 4e en 5e Europese antiwitwasrichtlijnen en de daaruit voortvloeiende regelgeving. Verder ontbreekt reflectie op het feit dat de rol van het trustkantoor meestal die van statutair bestuurder van de doelvennootschap is (met als nevendienst domicilieverlening). Afzonderlijke domicilieverlening komt – althans zo hoor ik van trustkantoren – weinig voor. Statutair bestuurders hebben op grond van het rechtspersonenrecht belangrijke verantwoordelijkheden en kunnen zich niet als dienstbare opdrachtnemer opstellen. Die bredere blik zou ook nuttig zijn bij het ministerie van financiën.

Tags:
1 augustus 2018

Consultatiereacties ontwerp Besluit toezicht trustkantoren 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Eerde meldde ik de start van de consultatie inzake het ontwerp Besluit toezicht trustkantoren 2018 en het opmerkelijke voorstel om door middel van een algemene maatregel van bestuur alle gevolmachtigden tot trustkantoor te bestempelen.

Inmiddels is de consultatie gesloten. Er zijn vier openbare reacties, een reactie van A. Zoutendijk, een reactie van trustkantoren brancheorganisatie Holland Questor (HQ) en tot slot een reactie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en één korte van mij op het volmacht-voorstel.

Volmacht
NOB en HQ besteden aandacht aan het idee om volmacht als trustdienst te bestempelen, waarbij HQ een voorstander er van is om de algemene volmacht onder de Wet toezicht trustkantoren te brengen.

Dat is wat mij betreft eveneens een zeer slecht idee en hoort sowieso niet in een algemene maatregel van bestuur thuis. Voorts hoort op gedetailleerde wijze te worden onderbouwd waarom een privaatrechtelijk concept met brede werking in het contractenrecht op een dergelijke manier het financiële recht ingetrokken moet worden. Mij lijkt dat hier op zijn minst een goede analyse door privaatrechtelijke deskundigen aan vooraf hoort te gaan.

Nominee shareholder
De reactie van HQ bevat een opmerkelijk onderdeel. HQ meent dat bij Nederlandse kapitaalvennootschappen de ‘nominee shareholder‘ (een Angelsaksisch fenomeen) zou voorkomen en dat gewenst is deze dienst als trustdienst aan te wijzen. Zelf ben ik in mijn Nederlandse praktijk nog geen nominee shareholder tegen gekomen (maar uiteraard zie ik niet alles). De Wtt kent wel de ‘doorstroomvennootschap’, maar dat bedoelt HQ waarschijnlijk niet. De roep van HQ om het leveren van een nominee shareholder als trustdienst te bestempelen begrijp ik niet.

Beleidsbepaler en bestuurder
Al eerder signaleerde ik dat in het financiële recht slordig wordt omgegaan met het begrip ‘beleidsbepaler’ en dat de verhouding tussen beleidsbepaler en statutair bestuurder niet correct wordt uitgewerkt. HQ schrijft in haar reactie ook over dat onderwerp:

E. Functiescheiding – Twee beleidsbepalers/ twee bestuurders?
In artikel 11 van de Wtt18 wordt de eis geformuleerd dat tenminste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid bepalen van een trustkantoor. In artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b, Wtt18, wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuurders en commissarissen enerzijds en beleidsbepalers en mede-beleidsbepalers anderzijds. Artikel 19, vierde lid, van het ontwerpbesluit, spreekt echter van twee verschillende bestuurders. Hierdoor lijkt via een achterdeur alsnog te worden geëist dat de twee beleidsbepalers ook bestuurder zijn. Is dit beoogd? HQ stelt voor om in artikel 19, vierde lid, van het ontwerpbesluit, het woord “bestuurders” te vervangen door “beleidsbepalers”. Of heeft de wetgever hier bewust de woorden “bestuurders” genoemd, bijvoorbeeld om te voorkomen dat het bestuur van een trustkantoor de verantwoordelijkheid over de compliancefunctie en de auditfunctie toebedeelt tot het (takenpakket van) één bestuurder (op grond van art. 2:9 BW)? Het zou de wetgever sieren helderheid te verschaffen over haar bedoeling achter het huidige artikel 19 lid 4 Btt 2018. HQ denkt graag mee indien gewenst.

Dit artikel staat ook op mijn algemene weblog.

10 juli 2018

Wtt 2018 aangenomen door de tweede kamer

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 5 juli jl. heeft de tweede kamer het voorstel voor de nieuwe Wet toezicht trustkantoren aangenomen. Het wetsvoorstel zoals aan de eerste kamer is voorgelegd, is hier te vinden. Het wetgevingsdossier op overheid.nl kan op deze locatie geraadpleegd worden. De bedoeling is dat nieuwe wet op 1 januari 2019 in werking treedt.

Intussen loopt nog de internetconsultatie over het uitvoeringsbesluit.

Naar ik begreep is er een motie over het begrip ‘maatschappelijke betamelijkheid‘ aangenomen.

Tags:
5 juni 2018

Bestrijding van ontduiking van Wtt-plichtige domicilieverlening | Wtt 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Gisteren zijn in het kader van de parlementaire behandeling van Wtt 2018 de volgende documenten bekend gemaakt:

Nota naar aanleiding van het verslag

Opvallend in de nota naar aanleiding van het verslag (52 pagina’s) zijn onder meer:

  • De wens tot het besparen van belasting wordt als integriteitsrisico aangemerkt.
  • Trustkantoren dienen voldoende fiscale kennis in huis te hebben. Het onderscheid belastingaangifte en belastingadvies wordt besproken.
  • Trustkantoren moeten medewerking onthouden aan handelingen die als maatschappelijk onbetamelijk worden beschouwd. Wel jammer dat niemand weet wat dat is, het lijkt er op dat het hier gaat om de civielrechtelijke onrechtmatige daad, waarvan het de vraag is of dat een bruikbare compliance norm is. 
  • Het optreden als gevolmachtigde moet volgens de nota worden gelijk gesteld met het “in opdracht zijn van bestuurder”. Dit lijkt me juridisch onjuist en leidt tot een hellend vlak. 
  • De wetgever wil het ‘opknippen’ van Wtt-plichtige domicilieverlening gaan bestrijden.
  • Veel aandacht wordt gegeven aan een fenomeen dat mij bijzonder lijkt, nl. doelvennootschappen die niet bij het Nederlandse handelsregister zijn ingeschreven.  
  • De Angelsaksische trust blijkt voor leden van de tweede kamer een onbekend fenomeen te zijn, zodat in de nota basale uitleg nodig is. Jammer dat de kamerleden hier niet een handboekje over kunnen kopen.
  • Blijkens de nota zijn er trustkantoren die ook bankdiensten verlenen. Waarschijnlijk (maar dat blijkt niet uit de beantwoording) betreft dit het trustkantoor Citco dat gelieerd is aan de (afzonderlijke) Citco bank. Het trustkantoor verleent hier geen bankdiensten. Voor zover ik weet is dit het enige Nederlandse voorbeeld van een groep waarin zowel trust- als bankdiensten worden aangeboden.

De gegevensverstrekking in de nota naar aanleiding van het verslag over het functioneren van trustkantoren is niet op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek gebaseerd (zoals overigens ook met de gegevensverstrekking inzake witwasbestrijding het geval is). Er wordt uitsluitend naar gekleurde overheidsbronnen, zoals FATF en DNB, verwezen.

Deze nota illustreert het huidige denken over toezicht, zoals ook is terug te vinden bij toezicht op andere ondernemingsactiviteiten, zoals van Wwft-plichtigen (een zeer grote groep van ondernemingen in Nederland), accountants, notarissen en advocaten.

Nota van wijziging

In de nota worden wijzigingen voorgesteld, onder meer in artikel 3, vierde lid voorstel Wtt (domicilieverlening). De voorstelde tekst luidt:

4. Het is een ieder verboden:
a. werkzaamheden te verrichten gericht op activiteiten die in strijd zijn met de verboden in het eerste tot en met derde lid; of
b. zonder vergunning op grond van deze wet werkzaamheden te verrichten gericht op zowel het ter beschikking stellen van een postadres of bezoekadres als bedoeld in onderdeel b van de begripsomschrijving van trustdienst, als het verrichten van aanvullende werkzaamheden als bedoeld in dat onderdeel, ten behoeve van een en dezelfde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende, natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap.

Hiermee wordt beoogd het ontwijken van Wtt-plichtige dienstverlening te sanctioneren. In de toelichting staat onder meer:

Verbod in verband met omzeiling trustdienst b
Artikel 3 van het wetsvoorstel regelt dat het verboden is trustdiensten te verrichten zonder een vergunning van De Nederlandsche Bank (DNB). Daarnaast is het op grond van het vierde lid verboden om werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten zonder vergunning. Dat laatste verbod heeft tot doel te voorkomen dat partijen aanbieders van trustdiensten zonder vergunning aanprijzen. Dit verbod beoogt omzeiling van het wetsvoorstel te voorkomen. In aanvulling daarop is geconstateerd dat met betrekking tot trustdienst b (verlenen van domicilie en verrichten van aanvullende diensten) omzeiling van het verbod mogelijk is. Dit wordt wel het opknippen van de trustdienst genoemd. Het doel is daarbij dat een cliënt zowel een postadres of bezoekadres in Nederland krijgt en dat daarnaast een van de aanvullende diensten genoemd in onderdeel b van de definitie van trustdienst wordt verricht. Dit wordt echter niet door een en dezelfde partij gedaan, maar door verschillende aanbieders waardoor er technisch gezien geen partij is die beide elementen van trustdienst b verricht. Dit opknippen van trustdiensten wordt in de regel georganiseerd door een tussenpersoon. De cliënt richt zich tot de tussenpersoon en deze brengt de cliënt met verschillende partijen in contact om de twee elementen van trustdienst b te verrichten. Ook komt de variant voor dat een dienstverlener het opknippen organiseert, waarbij hij zelf een van de elementen verricht voor de cliënt en zorgt dat het andere element door een derde wordt verricht. In beide gevallen is materieel beoogd om trustdienst b te verrichten en zou derhalve onder het bereik van het wetsvoorstel moeten vallen. Dit gat wordt met de wijziging van artikel 3, vierde lid, gedicht.

Dit bericht is ook op mijn algemene weblog gepubliceerd.

2 mei 2018

Wet toezicht trustkantoren 2018: verslag

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 1 mei jl. is het verslag vastgesteld in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018. Trustkantoren worden flink onder vuur genomen. Er worden allerlei vragen gesteld, onder meer over de relatie tussen BFI’s en doelvennootschappen:

De leden van de SP-fractie hebben vragen over het aantal bijzondere financiële instellingen (bfi’s) dat wordt bestuurd door trustkantoren. Zij hebben gelezen dat er zo’n 229 vergunninghoudende trustkantoren actief zijn in Nederland die samen zo’n 20.000 doelvennootschappen beheren. Ook hebben de leden van de SP-fractie vernomen dat er eind 2015 zo’n 15.000 bfi’s in Nederland waren en dat bij 87 procent van deze bfi’s niemand werkt. Mogen deze leden aannemen dat deze bfi’s waar niemand werkt, worden bestuurd door een trustkantoor? Kan de regering enige duiding geven over deze verschillende cijfers? Kan de regering aangeven hoeveel werkgelegenheid de trustsector in directe zin biedt? Door hoeveel medewerkers van een trustkantoor wordt een doelvennootschap gemiddeld beheerd? Hoeveel doelvennootschappen heeft een gemiddelde trustee onder zich in Nederland?

Ook het ‘maatschappelijk betamelijk handelen’ komt in het verslag aan bod. De VVD stelt een verstandige vraag over de open normen:

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Raad van State vreest dat de open normstelling van het wetsvoorstel tot spanning kan leiden omdat DNB deze normen werkendeweg zal invullen. De leden van de VVD-fractie vrezen de rechtsonzekerheid die dit mee zal brengen en begrijpen dat de regering die wil ondervangen door DNB procedurele beleidsregels op te laten stellen. Hoe moeten deze leden zich die beleidsregels voorstellen? Is het mogelijk daarvan een proeve te delen met de Kamer? Had het niet meer voor de hand gelegen een aantal open normen, zoals die in artikel 10 en 14, verder uit te werken in de wettekst?

Er worden vragen gesteld over de verplichte rechtsvorm van bv, nv of Europese vennootschap. Zo wordt gevraagd “Zijn er ervaringscijfers waaruit blijkt dat integriteitsvraagstukken zich vaker voordoen bij trustkantoren met andere rechtsvormen?

Degenen die actief zijn in de trustsector doen er goed aan het verslag te lezen.

 

Tags:
%d bloggers liken dit: