Posts tagged ‘Holland Quaestor’

19 november 2018

Consultatie Regeling toezicht trustkantoren 2018 afgesloten

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Onlangs is de consultatie Regeling toezicht trustkantoren 2018 afgesloten. Er zijn vier openbare reacties op de consultatie bekend gemaakt, te weten van advocatenkantoor Finnius, de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (“GCV”, KNB/NOvA), trustkantoren brancheorganisatie Holland Qaestor (HQ) en de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI).

  • Finnius maakt zich zorgen over nevenactiviteiten.
  • GCV doet suggesties met betrekking tot de bestuurders van stichtingen administratiekantoor.
  • HQ ziet nieuwe commerciële mogelijkheden door alle bestuurders van stichtingen administratiekantoor onder de Wtt te brengen.
  • De VNCI denkt dat zij trustkantoor zijn en wil graag worden vrijgesteld.

 

Meer informatie:

1 augustus 2018

Consultatiereacties ontwerp Besluit toezicht trustkantoren 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Eerde meldde ik de start van de consultatie inzake het ontwerp Besluit toezicht trustkantoren 2018 en het opmerkelijke voorstel om door middel van een algemene maatregel van bestuur alle gevolmachtigden tot trustkantoor te bestempelen.

Inmiddels is de consultatie gesloten. Er zijn vier openbare reacties, een reactie van A. Zoutendijk, een reactie van trustkantoren brancheorganisatie Holland Questor (HQ) en tot slot een reactie van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en één korte van mij op het volmacht-voorstel.

Volmacht
NOB en HQ besteden aandacht aan het idee om volmacht als trustdienst te bestempelen, waarbij HQ een voorstander er van is om de algemene volmacht onder de Wet toezicht trustkantoren te brengen.

Dat is wat mij betreft eveneens een zeer slecht idee en hoort sowieso niet in een algemene maatregel van bestuur thuis. Voorts hoort op gedetailleerde wijze te worden onderbouwd waarom een privaatrechtelijk concept met brede werking in het contractenrecht op een dergelijke manier het financiële recht ingetrokken moet worden. Mij lijkt dat hier op zijn minst een goede analyse door privaatrechtelijke deskundigen aan vooraf hoort te gaan.

Nominee shareholder
De reactie van HQ bevat een opmerkelijk onderdeel. HQ meent dat bij Nederlandse kapitaalvennootschappen de ‘nominee shareholder‘ (een Angelsaksisch fenomeen) zou voorkomen en dat gewenst is deze dienst als trustdienst aan te wijzen. Zelf ben ik in mijn Nederlandse praktijk nog geen nominee shareholder tegen gekomen (maar uiteraard zie ik niet alles). De Wtt kent wel de ‘doorstroomvennootschap’, maar dat bedoelt HQ waarschijnlijk niet. De roep van HQ om het leveren van een nominee shareholder als trustdienst te bestempelen begrijp ik niet.

Beleidsbepaler en bestuurder
Al eerder signaleerde ik dat in het financiële recht slordig wordt omgegaan met het begrip ‘beleidsbepaler’ en dat de verhouding tussen beleidsbepaler en statutair bestuurder niet correct wordt uitgewerkt. HQ schrijft in haar reactie ook over dat onderwerp:

E. Functiescheiding – Twee beleidsbepalers/ twee bestuurders?
In artikel 11 van de Wtt18 wordt de eis geformuleerd dat tenminste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid bepalen van een trustkantoor. In artikel 8, eerste lid, onderdelen a en b, Wtt18, wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuurders en commissarissen enerzijds en beleidsbepalers en mede-beleidsbepalers anderzijds. Artikel 19, vierde lid, van het ontwerpbesluit, spreekt echter van twee verschillende bestuurders. Hierdoor lijkt via een achterdeur alsnog te worden geëist dat de twee beleidsbepalers ook bestuurder zijn. Is dit beoogd? HQ stelt voor om in artikel 19, vierde lid, van het ontwerpbesluit, het woord “bestuurders” te vervangen door “beleidsbepalers”. Of heeft de wetgever hier bewust de woorden “bestuurders” genoemd, bijvoorbeeld om te voorkomen dat het bestuur van een trustkantoor de verantwoordelijkheid over de compliancefunctie en de auditfunctie toebedeelt tot het (takenpakket van) één bestuurder (op grond van art. 2:9 BW)? Het zou de wetgever sieren helderheid te verschaffen over haar bedoeling achter het huidige artikel 19 lid 4 Btt 2018. HQ denkt graag mee indien gewenst.

Dit artikel staat ook op mijn algemene weblog.

28 maart 2018

Nieuwsbrief DNB voor trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

De Nederlandsche Bank bracht vandaag een nieuwsbrief voor trustkantoren uit.
Inhoud:

  • Interview met twee medewerkers van trustkantoren, onder meer over het keurmerk van Holland Quaestor
  • Artikel over onderzoek naar herkomst van vermogen en dat dit beter moet
  • Artikel Dialoog FEC en trustsector, waarin Holland Quaestor figureert als gesprekspartner van FEC
  • Bericht over het wetsvoorstel Wtt 2018, waarvan DNB verwacht dat het op 1 januari 2019 in werking zal treden.

Onder het kopje “Belangrijke wijzigingen” vat DNB de gevolgen van de nieuwe wet samen:

Veel van de huidige normen komen ook weer terug in het nieuwe normenkader. Maar het nieuwe kader biedt ook nieuwe bepalingen of uitwerkingen van bestaande normen. Dit geldt vooral voor:

◾Integere en beheerste bedrijfsvoering
Er komen verdergaande vereisten voor de integere en beheerste bedrijfsvoering. Zo voorziet het wetsvoorstel in de vereiste van minimaal twee dagelijkse beleidsbepalers vanuit Nederland, wordt het uitbesteden van de interne compliancefunctie niet langer toegestaan en komt er een verbod op de verlening van trustdiensten aan een cliënt waaraan binnen de groep tevens belastingadvies is verstrekt.

◾Cliëntenonderzoek
Het wetsvoorstel kent resultaatverplichtingen, bijvoorbeeld om de formele zeggenschapsstructuur vast te stellen en inspanningsverplichtingen, bijvoorbeeld voor het bepalen van de vermogenspositie van de UBO, die met zoveel mogelijk zekerheid moet worden bepaald indien absolute zekerheid onmogelijk is. Het acceptatiememorandum is nieuw en brengt de uitkomsten van het cliëntenonderzoek en de risicoanalyse samen als basis waarop besluitvorming over acceptatie kan plaatsvinden. Voor verhoogde risicostructuren zijn additionele vereisten gesteld aan een trustkantoor.

Wees ervan bewust dat het overgangsrecht bepaalt dat een trustkantoor zijn huidige cliëntacceptatiedossier (inclusief de invulling van het UBO- en PEP-begrip) moet omzetten bij de eerst volgende periodieke of ‘event-driven’ review (bijvoorbeeld na contact met de cliënt dat raakt aan de aard van de dienstverlening of een ‘bad press’ alert) na inwerkingtreding van de Wtt18.

DNB zal de komende maanden in haar nieuwsbrieven aandacht blijven geven aan het parlementaire proces, de voorgestelde wijzigingen en de gevolgen daarvan voor trustkantoren.

31 januari 2018

Januari nieuwsbrief DNB

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag heeft DNB de nieuwsbrief voor trustkantoren bekend gemaakt. Daarin komen aan de orde:

  • Beperkte blik op fiscale risico’s
  • Cliëntendossiers onvoldoende belicht in SIRA, waarbij op de ‘good practices’ van DNB wordt geattendeerd
  • Incidentmelding: welke informatie is nodig
  • Aanpak illegale trustkantoren; trustkantoren worden opgeroepen mogelijk illegale situaties bij DNB te melden
  • Rondetafelbijeenkomsten over maatschappelijke betamelijkheid
  • Uitvraag ISI-formulier
  • Eigen vermogen alternatieve bewaarders
  • Informatiebijeenkomst toetsingen
  • Indienen toetsingsformulieren
  • Rib Wtt Audit Richtlijn voor trustkantoren > DNB attendeert op deze HQ richtlijn
30 maart 2017

Nieuwsbrief trustkantoren door DNB

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag heeft DNB een nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht. De onderwerpen:

10 oktober 2016

Rol trustkantoren in fiscale constructies | verslag expertmeeting

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 12 september 2016 vond op initiatief van de tweede kamer commissie financiën een expertmeeting plaats over fiscale constructies, waarin de rol van trustkantoren uitgebreid aan bod kwam. Tijdens de bijeenkomst spraken onder meer Koelewijn, Nagelmaker en Elderson. Lees het verslag zoals op overheid.nl is verschenen.

30 mei 2016

Consultatie Wtt 2018 | zeven reacties

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag sluit de periode dat kan worden meegedaan aan de consultatie inzake de Wet toezicht trustkantoren 2018. Op het moment van het schrijven van dit bericht zijn er nog maar drie reacties binnen, zie de reactiepagina. Daarvan is er één van een belangenvereniging van trustkantoren (Vereniging Dutch Circle), één van mij en een heel korte van een particulier. Mijn bijdrage is hier als pdf te downloaden.

Dat is wel mager. Zouden er nog organisaties bezig zijn met hun reactie?


Aanvulling 17:55 uur
Inmiddels zijn er twee reacties bij gekomen, één van SOMO en – zoals was te verwachten – een reactie van Holland Quaestor.

Aanvulling 18:30 uur
De teller staat nu op zeven (nieuw zijn de reacties van Compliance Platform, Tax Justice NL), dus kennelijk wordt er op de valreep nog hard aan de consultatiereacties gewerkt. De dag is nog niet voorbij.

17 maart 2016

Rondetafelgesprek tweede kamer commissie financiën over de trustkantorensector | 23 maart 2016

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 23 maart a.s. vindt van 11 tot 13 uur in de Troelstrazaal in het parlementsgebouw een hoorzitting/rondetafelgesprek plaats op initiatief van de tweede kamer commissie financiën. De agenda ziet er als volgt uit:

Blok 1. Toezichthouder en wetenschap (11.00-11.55 uur)
– Willemieke van Gorkum (De Nederlandsche Bank)
– Juliëtte van Doorn (De Nederlandsche Bank)
– Jan van de Streek (Universiteit van Amsterdam)

Blok 2. Trustkantoren en belanghebbenden (12.05-13.00 uur)
– André Nagelmaker (Holland Quaestor)
– Huib de Kanter (TMF Group)
– Dick Niezing (Intertrust)
– Jeroen Lammers (VNO-NCW)

Van dit rondetafelgesprek wordt geen verslag gemaakt.
Aan de deelnemers aan het rondetafelgesprek is verzocht voorafgaand aan het rondetafelgesprek een position paper in te sturen. De ontvangen position papers worden in dit agendapunt gepubliceerd.

Meer informatie:

Aanvulling 21 maart 2016

Inmiddels zijn twee position papers bekend gemaakt:

Aanvulling 23 maart 2016

De volgende position papers zijn bekend:

  • Intertrust – pdf
  • DNB – pdf
  • J. van der Streek – docx

Zo op het eerste gezicht bevatten de papers weinig nieuwe inzichten.
Alleen de paper van J. van der Streek is wat mij betreft lezenswaard. De tekst luidt:

POSITION PAPER RONDETAFELGESPREK (TRUSTSECTOR)
TWEEDE KAMER 23 MAART 2016

Prof. dr. J.L. van de Streek (hoogleraar fiscaal concernrecht aan de Universiteit van Amsterdam)

Inleiding

1. Allereerst is het van belang op te merken dat de problematiek van belastingontwijking door multinationale ondernemingen – en de faciliterende rol die de trustsector bij een onderdeel daarvan speelt – in beginsel losstaat van het in de trustsector aanwezige integriteitsrisico met betrekking tot witwassen en fiscale fraude. Belastingontwijking (tax planning) vindt nou eenmaal plaats binnen de grenzen van nationale en internationale fiscale regelgeving, terwijl witwassen en fiscale fraude strafbare feiten zijn. Het enige verband tussen het belastingontwijkingsdossier en het integriteitsdossier is dat de omvangrijke geldstromen die door Nederlandse brievenbusmaatschappijen lopen, het risico met zich brengen dat een deel daarvan betrekking heeft op illegale activiteiten.

2. Het onderdeel van het internationale belastingontwijkingsdossier waarbij de Nederlandse trustsector een belangrijke rol speelt, betreft het zogenoemde “misbruik van belastingverdragen”, wat ook wel wordt aangeduid als treaty shopping. Via de tussenschakeling van een Nederlandse brievenbusmaatschappij kan een internationaal opererend concern de in het buitenland geheven bronbelasting op dividend, rente en royalty’s vermijden. Als het gaat om dividend, rente en royalty’s ontvangen vanuit Europa gaat het vooral om directive shopping, waarbij ik doel op oneigenlijk gebruik van de Europese fiscale moeder/dochterrichtlijn en de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn. Op grond van deze richtlijnen dienen Europese bronstaten kort gezegd af te zien van een bronheffing op de genoemde inkomensbestanddelen die worden betaald aan een Nederlandse concernvennootschap. Voor de goede orde merk ik op dat het dus gaat om buitenlandse bronheffing die met behulp van een Nederlandse brievenbusmaatschappij wordt ontgaan. De Nederlandse belastingheffing is niet in het geding.

Drie belangrijke internationale fiscale ontwikkelingen

3. Drie belangrijke internationale fiscale ontwikkelingen zorgen er echter voor dat de kale doorsluisfunctie van Nederland zijn houdbaarheidsdatum nabij lijkt. Voor de trustsector betekent dit mijns inziens dat zij (nog meer) de slag zullen moeten maken naar een ander businessmodel want het businessmodel dat vooral is gebaseerd op het om fiscale redenen doorsluizen van gelden lijkt binnen afzienbare tijd nagenoeg geheel versleten. De drie internationale fiscale ontwikkelingen zijn:
* Per 1 januari 2016 kunnen Europese dividenden niet meer zonder bronheffing naar een Nederlandse brievenbusmaatschappij worden overgemaakt via de Europese fiscale moeder-dochterrichtlijn. Op grond van een nieuwe algemene anti-misbruikbepaling in die richtlijn zullen Europese bronlanden naar verwachting bronheffing gaan inhouden op dividenden naar Nederlandse brievenbusmaatschappijen.
* Op het niveau van de Europese Ecofin-raad is een voorstel aanhangig om een vergelijkbare algemene anti-misbruikbepaling in te voeren in de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn. Als het voorstel eenmaal is aangenomen, zullen Europese bronlanden bronheffing gaan inhouden op aan Nederlandse brievenbusmaatschappijen betaalde rente- en royalty’s.
* Iets soortgelijks gaat binnen afzienbare tijd wereldwijd gelden voor dividenden, rente en royalty’s. Bronlanden over de hele wereld kunnen een bronheffing gaan inhouden op betalingen aan Nederlandse brievenbusmaatschappijen zodra de OESO-aanbevelingen in het kader van het BEPS-project van de OESO zijn geïmplementeerd in belastingverdragen. De OESO werkt op dit moment aan een manier op zoveel mogelijk belastingverdragen in één keer – te weten via een multilateraal verdrag – te voorzien van anti-misbruikbepalingen.

4. Op grond van deze drie ontwikkelingen is mijn verwachting dat buitenlandse belastingautoriteiten doorstroomsituaties zullen gaan onderzoeken, met als gevolg dat deze structuren zullen moeten worden ontmanteld. Dit heeft uiteraard even tijd nodig, maar het lijkt onontkoombaar dat buitenlandse belastingautoriteiten de anti-misbruikbepalingen zullen gaan inroepen en daarbij een eigen invulling zullen ontwikkelen. De praktijk wijst daar nu al op. De ontwikkelingen op Europees en mondiaal niveau rondom het vergroten van transparantie, zoals de automatische uitwisseling van fiscale informatie tussen belastingautoriteiten, zullen hieraan ongetwijfeld een steentje bijdragen.

Nederlandse substance-eisen

5. Ik vermoed dat het standpunt van de Nederlandse wetgever dat er geen sprake is van misbruik als wordt voldaan aan de zogenoemde “substance-eisen”, naar alle waarschijnlijkheid niet door buitenlandse belastingautoriteiten zal worden gevolgd. De enige toets die lijkt te tellen is of de Nederlandse vennootschap die aanspraak maakt op een reductie van buitenlandse bronbelastingen een “reële functie” heeft. Een met “substance” aangeklede brievenbusmaatschappij is dat hoogstwaarschijnlijk niet. Voor de goede orde vermeld ik op deze plaats kort de Nederlandse substance-eisen:
* Ten minste de helft van het totaal aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de Nederlandse vennootschap moet feitelijk in Nederland wonen of hier zijn gevestigd;
* De in Nederland wonende of gevestigde bestuursleden dienen te beschikken over de nodige professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren; [1]
* De Nederlandse vennootschap moet over gekwalificeerd personeel beschikken ten behoeve van de uitvoering en registratie van de transacties;
* De bestuursbesluiten dienen in Nederland te worden genomen;
* De belangrijkste bankrekeningen dienen in Nederland te worden aangehouden;
* De boekhouding moet in Nederland te worden gevoerd;
* De Nederlandse vennootschap mag geen dubbele fiscale woonplaats hebben; en
* De Nederlandse vennootschap moet met betrekking tot de financiële activa en passiva een reëel risico lopen en dienen te beschikken over een passend eigen vermogen.

De Algemene Rekenkamer heeft reeds in zijn rapport van 5 december 2014 geconstateerd dat in de praktijk doorgaans eenvoudig aan deze substance-eisen kan worden voldaan met behulp van de inzet van een trustkantoor. [2]

Gevolgen voor de trustsector

6. Het traditionele businessmodel waarbij een trustkantoor (zelf) probeert aan de “reële functie” gestalte te geven door op te treden als bestuurder van de brievenbusvennootschap (hetgeen onder de Nederlandse substance-eisen mogelijk is) lijkt onder de genoemde anti-misbruikbepalingen niet houdbaar. Mijn verwachting is dan ook dat de trustsector zich meer en meer zal (moeten) gaan richten op het assisteren van een overigens (wel) reële aanwezigheid van een buitenlandse multinational, zoals een operationele dochtervennootschap of een regionaal hoofdkantoor. Dan denk ik aan dienstverlening rondom het voldoen aan Nederlandse wet- en regelgeving, zoals voortvloeit uit het financiële toezichtrecht, het jaarrekeningenrecht en het belastingrecht alsmede administratieve dienstverlening. Het nieuwe businessmodel voor de trustsector zou daarmee kunnen neerkomen op “meer (en interessanter) werk voor minder cliënten.” Mijn – positieve – indruk is overigens dat een groot deel van de trustsector hier al aan een slag aan het maken is. Concrete voorbeelden van nieuwe vormen van dienstverlening door de trustsector die in de markt kunnen worden waargenomen zijn fondsadministratie, backoffice-activiteiten en incubatorachtige activiteiten waarbij een trustkantoor een bedrijvencentrum huisvest gericht op start-ups.

Beleidsmatige opties Nederland

7. Kan of moet Nederland zelf nog wat doen om het doorsluizen van gelden via Nederlandse brievenbusmaatschappijen aan banden te leggen? Of zijn de maatregelen die in EU-verband en OESO-verband zijn getroffen afdoende? Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat het grote aantal brievenbusmaatschappijen in Nederland de afgelopen decennia heeft kunnen ontstaan als gevolg van een combinatie van factoren, te weten:
* Het uitgebreide netwerk van belastingverdragen (inclusief de Europese fiscale richtlijnen met een vergelijkbaar effect);
* De ruime deelnemingsvrijstelling; en
* De afwezigheid van bronheffing op uitgaande rente en royalty’s.

Zoals ik hiervoor heb aangegeven, lijkt vooralsnog met de (aanstaande) invoering van anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen (en de Europese fiscale richtlijnen) de angel uit het probleem gehaald. De anti-misbruikbepalingen werpen bovendien naar verwachting een voldoende dam op tegen agressieve strategieën waarbij op grond van belastingverdragen en Europese fiscale richtlijnen rente en royalty’s via een Nederlandse brievenbusmaatschappij naar belastingparadijzen worden gesluisd.

8. Het verdient naar mijn mening daarbij wel aanbeveling om binnen de EU tot een consistente invulling te komen van de anti-misbruikbepalingen. Het gevaar dreigt nu dat de eigen invullingen van de lidstaten te veel uit elkaar gaan lopen en bovendien ook veel meer situaties gaan treffen dan brievenbusmaatschappijen. In dit verband zou Nederland het voorstel van Zweden kunnen steunen om in de Europese fiscale richtlijnen een notificatieverplichting op te nemen voor het geval waarin een lidstaat op grond van de algemene anti-misbruikbepaling een uitgaande rente- of royaltybetaling aan een bronheffing wil onderwerpen. [3] Volgens het Zweedse voorstel dient de bronstaat de ontvangststaat daarover te informeren. Met de informatie die de Nederlandse belastingdienst op deze wijze zou ontvangen, kan vervolgens over een aantal jaren een evaluatie worden uitgevoerd.

9. Ten slotte merk ik op dat aanpassingen van de deelnemingsvrijstelling en/of de invoering van een bronheffing op uitgaande rente en royalty’s door Nederland niet voor de hand ligt ter oplossing van het grote aantal brievenbusmaatschappijen. Dergelijke maatregelen gaan veel verder dan het aanpakken van doorsluissituaties en hebben ook ingrijpende gevolgen voor het reële bedrijfsleven en daarmee het Nederlandse vestigingsklimaat. Het zijn in wezen radicale oplossingen voor BEPS-problemen van een geheel andere aard. Als op deze terreinen maatregelen zouden moeten genomen, ligt een gezamenlijke Europese aanpak mijns inziens voor de hand. De door de Europese Commissie op 28 januari 2016 voorgestelde anti-belastingontwijkingsrichtlijn voorziet in aanpassingen van de deelnemingsvrijstelling. En in een op dezelfde dag gepubliceerde mededeling doet de Europese Commissie het voorstel om in Europa een gezamenlijke zwarte lijst op te stellen van belastingparadijzen. De Europese Commissie suggereert daarbij dat lidstaten als flankerende maatregel een bronheffing zouden kunnen invoeren op betalingen aan vennootschappen gevestigd in “zwarte lijst”-landen.

Noten

[1] Tot deze taak dient ten minste te behoren de besluitvorming over de door de Nederlands vennootschap af te sluiten transacties, alsmede het zorgdragen voor een goede afhandeling van de afgesloten transacties.

[2] Belastingontwijking, een verdiepend onderzoek naar belastingontwijking in relatie tot de fiscale regels en het verdragennetwerk, Algemene Rekenkamer, 2014, blz. 7 en blz. 72-73.

[3] Zweden heeft dit voorstel gedaan in Ecofinverband op 8 april 2015. Het zou moeten gaan om een nieuw artikel 4a in de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn dat als volgt luidt: “The competent authority of the source state shall inform the competent authority of the Member State of the beneficial owner of the income, before denying the benefits of this Directive.”

18 januari 2016

De toekomst van het toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

André Nagelmaker schrijft in een bericht op LinkedIn dat een Holland Quaestor delegatie met kamerleden heeft gesproken over het nieuwe kwaliteitssysteem. Uit zijn uitlatingen blijkt dat de kamerleden zich afvroegen waarom zo veel holding- en financieringsvennootschappen buiten toezicht vallen. Als ik dat lees vraag ik me wel af of de kamerleden wel op de hoogte zijn van de Wet controle op rechtspersonen en van de in het Nederlandse rechtspersonenrecht gebruikelijke structuren.
In ieder geval lijkt het er op dat de wetgevende interesse voor de trustsector nog steeds groot is.

3 juli 2015

DNB verzoekt om ingrijpende herziening Wet toezicht trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In een brief van 25 juni jl. aan de minister van financiën laat De Nederlandsche Bank weten dat ingrijpende herziening van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt gewenst. In het onderstaande bespreek ik de belangrijkste punten die DNB aan de orde stelt.

  • DNB schrijft in de brief dat er geen breed geïnstitutionaliseerde integriteitsstandaard bij trustkantoren zou zijn; ik zou menen dat dit één van de onderwerpen is waarmee brancheorganisatie Holland Quaestor druk bezig is. Nu Rome ook niet in één dag kon worden gebouwd, is de vraag of de mededeling van DNB als kritiek op de brancheorganisatie moet worden opgevat. Maar over de initiatieven in de sector spreekt DNB in het geheel niet.
  • DNB laat weten dat er voortbouwend op de per 1 januari 2015 gewijzigde Regeling integere bedrijfsvoering Wtt (Rib Wtt) wijziging van de Wtt nodig is. DNB schrijft “De invoering van de Rib Wtt heeft in de praktijk niet geleid tot voortgaande structurele verbeteringen in het gewenste tempo“. Bijzonder: de Rib Wtt is op 1 januari 2015 ingevoerd en nu al denkt DNB dat het niet hard genoeg gaat.
  • In de brief komt impliciet de gedachte van DNB terug dat het cliëntenonderzoek onder de Wtt minder ver zou gaan dan onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), mij lijkt die gedachte onjuist. Maar misschien gaat het DNB in de bewuste passage meer om aansluiting in de sfeer van de organisatorische eisen bij de Wet op het financieel toezicht (Wft). Ten slotte wordt door DNB verwezen naar voorbeelden in artikelen 3:10 en 3:17 Wft. Als ik zie dat DNB spreekt over mitigeren van integriteitsrisico’s, dan lijkt me dat wijziging van de Wtt niet nodig is om dat te bereiken. Dus de vraag is waarom DNB over dit soort wijzigingen spreekt, is het meer gericht op de beeldvorming?
  • DNB laat weten dat het een norm voor twee dagelijks beleidsbepalers wenst, naar model van artikel 3:15 Wft. Voorts meent DNB nu dat (deels) uitbesteden van compliance aan externe partijen een belemmering zou vormen voor internalisering van integriteit binnen een trustkantoor. Het lijkt er op dat DNB van mening is dat kleine(re) trustkantoren niet goed zouden kunnen functioneren. DNB schrijft: “DNB stelt daarom voor om verdere internalisering van integriteit binnen een trustkantoor voortaan te laten geschieden via een geïntegreerde compliancefunctie, hetgeen ook bijdraagt aan de professionalisering van de sector“. Al eerder signaleerde ik dat DNB kennelijk van de veronderstelling uitgaat dat kleine trustkantoren hun werk minder goed doen dan grote. DNB geeft geen toelichting op deze wens. De vraag is of de aard van de activiteiten van trustkantoren (toch vooral het besturen van rechtspersonen) wel geschikt is voor grote organisaties. Het karakter van de bedrijfsactiviteiten van een trustkantoor is tenslotte geheel anders dan van bijvoorbeeld banken of verzekeringsmaatschappijen. Het zou fijn zijn als DNB dit punt van een inhoudelijke onderbouwing zou kunnen voorzien, bijvoorbeeld door middel van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek over management en organisatie van dienstverlenende ondernemingen. Mijn persoonlijke indruk is namelijk dat ‘big’ lang niet altijd ‘beautiful’ is.
  • DNB meent dat in sommige structuren het trustkantoor op te grote afstand staat om haar taken in de sfeer van integriteit goed te vervullen. DNB wil hier over met het ministerie in overleg treden; uit de brief wordt niet duidelijk met welk doel.
  • Opnieuw wordt door DNB om meer bevoegdheden in de sfeer van handhaving gevraagd, zoals verruiming van de mogelijkheden om boetes te publiceren en intrekking van de vergunning. (Dat laatste kan toch al?) Bij de publicatiewens teken ik aan dat naming & shaming zonder rechterlijk toezicht een zeer gevaarlijke activiteit is, zoals door de gang van zaken bij de AFM wordt geïllustreerd. Als de AFM op een later tijdstip laat weten door de rechter tot de orde te zijn geroepen, is het kwaad voor de belanghebbende al geschied. Ik ben van mening dat de beslissing tot het openbaar maken van boetebesluiten bij de rechter thuis hoort, aangezien het een strafkarakter heeft.

De minister van financiën schrijft naar aanleiding van de wetgevingswensen van DNB:

Trustsector
Ik onderschrijf het belang van goede regelgeving voor de trustsector, en zal daartoe in overleg met DNB inventariseren waar de bestaande trustregelgeving aanpassing behoeft.

Het bovenstaande illustreert dat de trustkantorensector nog de nodige veranderingen kan verwachten.

Meer informatie:

Aanvulling 10 juli 2015

Vandaag verscheen in het FD een artikel van Siem Eikelenboom en Gaby de Groot over de wetgevingswensen van DNB. Lees ook de reacties onder het artikel. Van dezelfde auteurs verscheen het artikel ‘DNB en trustkantoren, een moeizame relatie‘. Het derde artikel, van dezelfde auteurs plus Vasco van der Boon, gaat over het afnemen door DNB van de trustvergunning van Intercity Corporate Management (ICM).

%d bloggers liken dit: