Posts tagged ‘Holland Quaestor’

31 januari 2018

Januari nieuwsbrief DNB

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag heeft DNB de nieuwsbrief voor trustkantoren bekend gemaakt. Daarin komen aan de orde:

  • Beperkte blik op fiscale risico’s
  • Cliëntendossiers onvoldoende belicht in SIRA, waarbij op de ‘good practices’ van DNB wordt geattendeerd
  • Incidentmelding: welke informatie is nodig
  • Aanpak illegale trustkantoren; trustkantoren worden opgeroepen mogelijk illegale situaties bij DNB te melden
  • Rondetafelbijeenkomsten over maatschappelijke betamelijkheid
  • Uitvraag ISI-formulier
  • Eigen vermogen alternatieve bewaarders
  • Informatiebijeenkomst toetsingen
  • Indienen toetsingsformulieren
  • Rib Wtt Audit Richtlijn voor trustkantoren > DNB attendeert op deze HQ richtlijn
30 maart 2017

Nieuwsbrief trustkantoren door DNB

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag heeft DNB een nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht. De onderwerpen:

10 oktober 2016

Rol trustkantoren in fiscale constructies | verslag expertmeeting

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 12 september 2016 vond op initiatief van de tweede kamer commissie financiën een expertmeeting plaats over fiscale constructies, waarin de rol van trustkantoren uitgebreid aan bod kwam. Tijdens de bijeenkomst spraken onder meer Koelewijn, Nagelmaker en Elderson. Lees het verslag zoals op overheid.nl is verschenen.

30 mei 2016

Consultatie Wtt 2018 | zeven reacties

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag sluit de periode dat kan worden meegedaan aan de consultatie inzake de Wet toezicht trustkantoren 2018. Op het moment van het schrijven van dit bericht zijn er nog maar drie reacties binnen, zie de reactiepagina. Daarvan is er één van een belangenvereniging van trustkantoren (Vereniging Dutch Circle), één van mij en een heel korte van een particulier. Mijn bijdrage is hier als pdf te downloaden.

Dat is wel mager. Zouden er nog organisaties bezig zijn met hun reactie?


Aanvulling 17:55 uur
Inmiddels zijn er twee reacties bij gekomen, één van SOMO en – zoals was te verwachten – een reactie van Holland Quaestor.

Aanvulling 18:30 uur
De teller staat nu op zeven (nieuw zijn de reacties van Compliance Platform, Tax Justice NL), dus kennelijk wordt er op de valreep nog hard aan de consultatiereacties gewerkt. De dag is nog niet voorbij.

17 maart 2016

Rondetafelgesprek tweede kamer commissie financiën over de trustkantorensector | 23 maart 2016

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 23 maart a.s. vindt van 11 tot 13 uur in de Troelstrazaal in het parlementsgebouw een hoorzitting/rondetafelgesprek plaats op initiatief van de tweede kamer commissie financiën. De agenda ziet er als volgt uit:

Blok 1. Toezichthouder en wetenschap (11.00-11.55 uur)
– Willemieke van Gorkum (De Nederlandsche Bank)
– Juliëtte van Doorn (De Nederlandsche Bank)
– Jan van de Streek (Universiteit van Amsterdam)

Blok 2. Trustkantoren en belanghebbenden (12.05-13.00 uur)
– André Nagelmaker (Holland Quaestor)
– Huib de Kanter (TMF Group)
– Dick Niezing (Intertrust)
– Jeroen Lammers (VNO-NCW)

Van dit rondetafelgesprek wordt geen verslag gemaakt.
Aan de deelnemers aan het rondetafelgesprek is verzocht voorafgaand aan het rondetafelgesprek een position paper in te sturen. De ontvangen position papers worden in dit agendapunt gepubliceerd.

Meer informatie:

Aanvulling 21 maart 2016

Inmiddels zijn twee position papers bekend gemaakt:

Aanvulling 23 maart 2016

De volgende position papers zijn bekend:

  • Intertrust – pdf
  • DNB – pdf
  • J. van der Streek – docx

Zo op het eerste gezicht bevatten de papers weinig nieuwe inzichten.
Alleen de paper van J. van der Streek is wat mij betreft lezenswaard. De tekst luidt:

POSITION PAPER RONDETAFELGESPREK (TRUSTSECTOR)
TWEEDE KAMER 23 MAART 2016

Prof. dr. J.L. van de Streek (hoogleraar fiscaal concernrecht aan de Universiteit van Amsterdam)

Inleiding

1. Allereerst is het van belang op te merken dat de problematiek van belastingontwijking door multinationale ondernemingen – en de faciliterende rol die de trustsector bij een onderdeel daarvan speelt – in beginsel losstaat van het in de trustsector aanwezige integriteitsrisico met betrekking tot witwassen en fiscale fraude. Belastingontwijking (tax planning) vindt nou eenmaal plaats binnen de grenzen van nationale en internationale fiscale regelgeving, terwijl witwassen en fiscale fraude strafbare feiten zijn. Het enige verband tussen het belastingontwijkingsdossier en het integriteitsdossier is dat de omvangrijke geldstromen die door Nederlandse brievenbusmaatschappijen lopen, het risico met zich brengen dat een deel daarvan betrekking heeft op illegale activiteiten.

2. Het onderdeel van het internationale belastingontwijkingsdossier waarbij de Nederlandse trustsector een belangrijke rol speelt, betreft het zogenoemde “misbruik van belastingverdragen”, wat ook wel wordt aangeduid als treaty shopping. Via de tussenschakeling van een Nederlandse brievenbusmaatschappij kan een internationaal opererend concern de in het buitenland geheven bronbelasting op dividend, rente en royalty’s vermijden. Als het gaat om dividend, rente en royalty’s ontvangen vanuit Europa gaat het vooral om directive shopping, waarbij ik doel op oneigenlijk gebruik van de Europese fiscale moeder/dochterrichtlijn en de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn. Op grond van deze richtlijnen dienen Europese bronstaten kort gezegd af te zien van een bronheffing op de genoemde inkomensbestanddelen die worden betaald aan een Nederlandse concernvennootschap. Voor de goede orde merk ik op dat het dus gaat om buitenlandse bronheffing die met behulp van een Nederlandse brievenbusmaatschappij wordt ontgaan. De Nederlandse belastingheffing is niet in het geding.

Drie belangrijke internationale fiscale ontwikkelingen

3. Drie belangrijke internationale fiscale ontwikkelingen zorgen er echter voor dat de kale doorsluisfunctie van Nederland zijn houdbaarheidsdatum nabij lijkt. Voor de trustsector betekent dit mijns inziens dat zij (nog meer) de slag zullen moeten maken naar een ander businessmodel want het businessmodel dat vooral is gebaseerd op het om fiscale redenen doorsluizen van gelden lijkt binnen afzienbare tijd nagenoeg geheel versleten. De drie internationale fiscale ontwikkelingen zijn:
* Per 1 januari 2016 kunnen Europese dividenden niet meer zonder bronheffing naar een Nederlandse brievenbusmaatschappij worden overgemaakt via de Europese fiscale moeder-dochterrichtlijn. Op grond van een nieuwe algemene anti-misbruikbepaling in die richtlijn zullen Europese bronlanden naar verwachting bronheffing gaan inhouden op dividenden naar Nederlandse brievenbusmaatschappijen.
* Op het niveau van de Europese Ecofin-raad is een voorstel aanhangig om een vergelijkbare algemene anti-misbruikbepaling in te voeren in de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn. Als het voorstel eenmaal is aangenomen, zullen Europese bronlanden bronheffing gaan inhouden op aan Nederlandse brievenbusmaatschappijen betaalde rente- en royalty’s.
* Iets soortgelijks gaat binnen afzienbare tijd wereldwijd gelden voor dividenden, rente en royalty’s. Bronlanden over de hele wereld kunnen een bronheffing gaan inhouden op betalingen aan Nederlandse brievenbusmaatschappijen zodra de OESO-aanbevelingen in het kader van het BEPS-project van de OESO zijn geïmplementeerd in belastingverdragen. De OESO werkt op dit moment aan een manier op zoveel mogelijk belastingverdragen in één keer – te weten via een multilateraal verdrag – te voorzien van anti-misbruikbepalingen.

4. Op grond van deze drie ontwikkelingen is mijn verwachting dat buitenlandse belastingautoriteiten doorstroomsituaties zullen gaan onderzoeken, met als gevolg dat deze structuren zullen moeten worden ontmanteld. Dit heeft uiteraard even tijd nodig, maar het lijkt onontkoombaar dat buitenlandse belastingautoriteiten de anti-misbruikbepalingen zullen gaan inroepen en daarbij een eigen invulling zullen ontwikkelen. De praktijk wijst daar nu al op. De ontwikkelingen op Europees en mondiaal niveau rondom het vergroten van transparantie, zoals de automatische uitwisseling van fiscale informatie tussen belastingautoriteiten, zullen hieraan ongetwijfeld een steentje bijdragen.

Nederlandse substance-eisen

5. Ik vermoed dat het standpunt van de Nederlandse wetgever dat er geen sprake is van misbruik als wordt voldaan aan de zogenoemde “substance-eisen”, naar alle waarschijnlijkheid niet door buitenlandse belastingautoriteiten zal worden gevolgd. De enige toets die lijkt te tellen is of de Nederlandse vennootschap die aanspraak maakt op een reductie van buitenlandse bronbelastingen een “reële functie” heeft. Een met “substance” aangeklede brievenbusmaatschappij is dat hoogstwaarschijnlijk niet. Voor de goede orde vermeld ik op deze plaats kort de Nederlandse substance-eisen:
* Ten minste de helft van het totaal aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden van de Nederlandse vennootschap moet feitelijk in Nederland wonen of hier zijn gevestigd;
* De in Nederland wonende of gevestigde bestuursleden dienen te beschikken over de nodige professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren; [1]
* De Nederlandse vennootschap moet over gekwalificeerd personeel beschikken ten behoeve van de uitvoering en registratie van de transacties;
* De bestuursbesluiten dienen in Nederland te worden genomen;
* De belangrijkste bankrekeningen dienen in Nederland te worden aangehouden;
* De boekhouding moet in Nederland te worden gevoerd;
* De Nederlandse vennootschap mag geen dubbele fiscale woonplaats hebben; en
* De Nederlandse vennootschap moet met betrekking tot de financiële activa en passiva een reëel risico lopen en dienen te beschikken over een passend eigen vermogen.

De Algemene Rekenkamer heeft reeds in zijn rapport van 5 december 2014 geconstateerd dat in de praktijk doorgaans eenvoudig aan deze substance-eisen kan worden voldaan met behulp van de inzet van een trustkantoor. [2]

Gevolgen voor de trustsector

6. Het traditionele businessmodel waarbij een trustkantoor (zelf) probeert aan de “reële functie” gestalte te geven door op te treden als bestuurder van de brievenbusvennootschap (hetgeen onder de Nederlandse substance-eisen mogelijk is) lijkt onder de genoemde anti-misbruikbepalingen niet houdbaar. Mijn verwachting is dan ook dat de trustsector zich meer en meer zal (moeten) gaan richten op het assisteren van een overigens (wel) reële aanwezigheid van een buitenlandse multinational, zoals een operationele dochtervennootschap of een regionaal hoofdkantoor. Dan denk ik aan dienstverlening rondom het voldoen aan Nederlandse wet- en regelgeving, zoals voortvloeit uit het financiële toezichtrecht, het jaarrekeningenrecht en het belastingrecht alsmede administratieve dienstverlening. Het nieuwe businessmodel voor de trustsector zou daarmee kunnen neerkomen op “meer (en interessanter) werk voor minder cliënten.” Mijn – positieve – indruk is overigens dat een groot deel van de trustsector hier al aan een slag aan het maken is. Concrete voorbeelden van nieuwe vormen van dienstverlening door de trustsector die in de markt kunnen worden waargenomen zijn fondsadministratie, backoffice-activiteiten en incubatorachtige activiteiten waarbij een trustkantoor een bedrijvencentrum huisvest gericht op start-ups.

Beleidsmatige opties Nederland

7. Kan of moet Nederland zelf nog wat doen om het doorsluizen van gelden via Nederlandse brievenbusmaatschappijen aan banden te leggen? Of zijn de maatregelen die in EU-verband en OESO-verband zijn getroffen afdoende? Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat het grote aantal brievenbusmaatschappijen in Nederland de afgelopen decennia heeft kunnen ontstaan als gevolg van een combinatie van factoren, te weten:
* Het uitgebreide netwerk van belastingverdragen (inclusief de Europese fiscale richtlijnen met een vergelijkbaar effect);
* De ruime deelnemingsvrijstelling; en
* De afwezigheid van bronheffing op uitgaande rente en royalty’s.

Zoals ik hiervoor heb aangegeven, lijkt vooralsnog met de (aanstaande) invoering van anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen (en de Europese fiscale richtlijnen) de angel uit het probleem gehaald. De anti-misbruikbepalingen werpen bovendien naar verwachting een voldoende dam op tegen agressieve strategieën waarbij op grond van belastingverdragen en Europese fiscale richtlijnen rente en royalty’s via een Nederlandse brievenbusmaatschappij naar belastingparadijzen worden gesluisd.

8. Het verdient naar mijn mening daarbij wel aanbeveling om binnen de EU tot een consistente invulling te komen van de anti-misbruikbepalingen. Het gevaar dreigt nu dat de eigen invullingen van de lidstaten te veel uit elkaar gaan lopen en bovendien ook veel meer situaties gaan treffen dan brievenbusmaatschappijen. In dit verband zou Nederland het voorstel van Zweden kunnen steunen om in de Europese fiscale richtlijnen een notificatieverplichting op te nemen voor het geval waarin een lidstaat op grond van de algemene anti-misbruikbepaling een uitgaande rente- of royaltybetaling aan een bronheffing wil onderwerpen. [3] Volgens het Zweedse voorstel dient de bronstaat de ontvangststaat daarover te informeren. Met de informatie die de Nederlandse belastingdienst op deze wijze zou ontvangen, kan vervolgens over een aantal jaren een evaluatie worden uitgevoerd.

9. Ten slotte merk ik op dat aanpassingen van de deelnemingsvrijstelling en/of de invoering van een bronheffing op uitgaande rente en royalty’s door Nederland niet voor de hand ligt ter oplossing van het grote aantal brievenbusmaatschappijen. Dergelijke maatregelen gaan veel verder dan het aanpakken van doorsluissituaties en hebben ook ingrijpende gevolgen voor het reële bedrijfsleven en daarmee het Nederlandse vestigingsklimaat. Het zijn in wezen radicale oplossingen voor BEPS-problemen van een geheel andere aard. Als op deze terreinen maatregelen zouden moeten genomen, ligt een gezamenlijke Europese aanpak mijns inziens voor de hand. De door de Europese Commissie op 28 januari 2016 voorgestelde anti-belastingontwijkingsrichtlijn voorziet in aanpassingen van de deelnemingsvrijstelling. En in een op dezelfde dag gepubliceerde mededeling doet de Europese Commissie het voorstel om in Europa een gezamenlijke zwarte lijst op te stellen van belastingparadijzen. De Europese Commissie suggereert daarbij dat lidstaten als flankerende maatregel een bronheffing zouden kunnen invoeren op betalingen aan vennootschappen gevestigd in “zwarte lijst”-landen.

Noten

[1] Tot deze taak dient ten minste te behoren de besluitvorming over de door de Nederlands vennootschap af te sluiten transacties, alsmede het zorgdragen voor een goede afhandeling van de afgesloten transacties.

[2] Belastingontwijking, een verdiepend onderzoek naar belastingontwijking in relatie tot de fiscale regels en het verdragennetwerk, Algemene Rekenkamer, 2014, blz. 7 en blz. 72-73.

[3] Zweden heeft dit voorstel gedaan in Ecofinverband op 8 april 2015. Het zou moeten gaan om een nieuw artikel 4a in de Europese fiscale rente- en royaltyrichtlijn dat als volgt luidt: “The competent authority of the source state shall inform the competent authority of the Member State of the beneficial owner of the income, before denying the benefits of this Directive.”

18 januari 2016

De toekomst van het toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

André Nagelmaker schrijft in een bericht op LinkedIn dat een Holland Quaestor delegatie met kamerleden heeft gesproken over het nieuwe kwaliteitssysteem. Uit zijn uitlatingen blijkt dat de kamerleden zich afvroegen waarom zo veel holding- en financieringsvennootschappen buiten toezicht vallen. Als ik dat lees vraag ik me wel af of de kamerleden wel op de hoogte zijn van de Wet controle op rechtspersonen en van de in het Nederlandse rechtspersonenrecht gebruikelijke structuren.
In ieder geval lijkt het er op dat de wetgevende interesse voor de trustsector nog steeds groot is.

3 juli 2015

DNB verzoekt om ingrijpende herziening Wet toezicht trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In een brief van 25 juni jl. aan de minister van financiën laat De Nederlandsche Bank weten dat ingrijpende herziening van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt gewenst. In het onderstaande bespreek ik de belangrijkste punten die DNB aan de orde stelt.

  • DNB schrijft in de brief dat er geen breed geïnstitutionaliseerde integriteitsstandaard bij trustkantoren zou zijn; ik zou menen dat dit één van de onderwerpen is waarmee brancheorganisatie Holland Quaestor druk bezig is. Nu Rome ook niet in één dag kon worden gebouwd, is de vraag of de mededeling van DNB als kritiek op de brancheorganisatie moet worden opgevat. Maar over de initiatieven in de sector spreekt DNB in het geheel niet.
  • DNB laat weten dat er voortbouwend op de per 1 januari 2015 gewijzigde Regeling integere bedrijfsvoering Wtt (Rib Wtt) wijziging van de Wtt nodig is. DNB schrijft “De invoering van de Rib Wtt heeft in de praktijk niet geleid tot voortgaande structurele verbeteringen in het gewenste tempo“. Bijzonder: de Rib Wtt is op 1 januari 2015 ingevoerd en nu al denkt DNB dat het niet hard genoeg gaat.
  • In de brief komt impliciet de gedachte van DNB terug dat het cliëntenonderzoek onder de Wtt minder ver zou gaan dan onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), mij lijkt die gedachte onjuist. Maar misschien gaat het DNB in de bewuste passage meer om aansluiting in de sfeer van de organisatorische eisen bij de Wet op het financieel toezicht (Wft). Ten slotte wordt door DNB verwezen naar voorbeelden in artikelen 3:10 en 3:17 Wft. Als ik zie dat DNB spreekt over mitigeren van integriteitsrisico’s, dan lijkt me dat wijziging van de Wtt niet nodig is om dat te bereiken. Dus de vraag is waarom DNB over dit soort wijzigingen spreekt, is het meer gericht op de beeldvorming?
  • DNB laat weten dat het een norm voor twee dagelijks beleidsbepalers wenst, naar model van artikel 3:15 Wft. Voorts meent DNB nu dat (deels) uitbesteden van compliance aan externe partijen een belemmering zou vormen voor internalisering van integriteit binnen een trustkantoor. Het lijkt er op dat DNB van mening is dat kleine(re) trustkantoren niet goed zouden kunnen functioneren. DNB schrijft: “DNB stelt daarom voor om verdere internalisering van integriteit binnen een trustkantoor voortaan te laten geschieden via een geïntegreerde compliancefunctie, hetgeen ook bijdraagt aan de professionalisering van de sector“. Al eerder signaleerde ik dat DNB kennelijk van de veronderstelling uitgaat dat kleine trustkantoren hun werk minder goed doen dan grote. DNB geeft geen toelichting op deze wens. De vraag is of de aard van de activiteiten van trustkantoren (toch vooral het besturen van rechtspersonen) wel geschikt is voor grote organisaties. Het karakter van de bedrijfsactiviteiten van een trustkantoor is tenslotte geheel anders dan van bijvoorbeeld banken of verzekeringsmaatschappijen. Het zou fijn zijn als DNB dit punt van een inhoudelijke onderbouwing zou kunnen voorzien, bijvoorbeeld door middel van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek over management en organisatie van dienstverlenende ondernemingen. Mijn persoonlijke indruk is namelijk dat ‘big’ lang niet altijd ‘beautiful’ is.
  • DNB meent dat in sommige structuren het trustkantoor op te grote afstand staat om haar taken in de sfeer van integriteit goed te vervullen. DNB wil hier over met het ministerie in overleg treden; uit de brief wordt niet duidelijk met welk doel.
  • Opnieuw wordt door DNB om meer bevoegdheden in de sfeer van handhaving gevraagd, zoals verruiming van de mogelijkheden om boetes te publiceren en intrekking van de vergunning. (Dat laatste kan toch al?) Bij de publicatiewens teken ik aan dat naming & shaming zonder rechterlijk toezicht een zeer gevaarlijke activiteit is, zoals door de gang van zaken bij de AFM wordt geïllustreerd. Als de AFM op een later tijdstip laat weten door de rechter tot de orde te zijn geroepen, is het kwaad voor de belanghebbende al geschied. Ik ben van mening dat de beslissing tot het openbaar maken van boetebesluiten bij de rechter thuis hoort, aangezien het een strafkarakter heeft.

De minister van financiën schrijft naar aanleiding van de wetgevingswensen van DNB:

Trustsector
Ik onderschrijf het belang van goede regelgeving voor de trustsector, en zal daartoe in overleg met DNB inventariseren waar de bestaande trustregelgeving aanpassing behoeft.

Het bovenstaande illustreert dat de trustkantorensector nog de nodige veranderingen kan verwachten.

Meer informatie:

Aanvulling 10 juli 2015

Vandaag verscheen in het FD een artikel van Siem Eikelenboom en Gaby de Groot over de wetgevingswensen van DNB. Lees ook de reacties onder het artikel. Van dezelfde auteurs verscheen het artikel ‘DNB en trustkantoren, een moeizame relatie‘. Het derde artikel, van dezelfde auteurs plus Vasco van der Boon, gaat over het afnemen door DNB van de trustvergunning van Intercity Corporate Management (ICM).

9 september 2014

Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod naar Tweede Kamer

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Begin september is het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod naar de Tweede Kamer gestuurd. Eerder is over het voornemen een wetgevingsconsultatie gehouden, meer informatie is via de rubriek bestuursverbod te vinden. Ook brancheorganisatie Holland Quaestor heeft aan die consultatie meegedaan, zo blijkt uit de memorie van toelichting.

Het KNB schrijft naar aanleiding van het wetsvoorstel:

Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod naar Tweede Kamer
04 september 2014
Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie wil verhinderen dat malafide bestuurders hun activiteiten kunnen blijven voortzetten. Een malafide bestuurder mag daarom straks maximaal vijf jaar geen rechtspersoon meer besturen als de rechter een civielrechtelijk bestuursverbod heeft opgelegd. Dit staat in het wetsvoorstel dat Opstelten op 3 september bij de Tweede Kamer heeft ingediend.
De maatregel is onderdeel van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’ en is gericht op een effectievere bestrijding van faillissementsfraude. Met de invoering van het bestuursverbod wil Opstelten voorkomen dat bestuurders fraudeleuze activiteiten maskeren met een web van rechtspersonen of steeds nieuwe ondernemingen oprichten om ze vervolgens failliet te laten gaan.
Een bestuursverbod kan niet zomaar worden opgelegd. De bestuurder moet een bijzonder verwijt treffen, zoals de vaststelling van aansprakelijkheid wegens wanbeleid dat tot een faillissement heeft geleid, maar ook het doelbewust benadelen van schuldeisers door vlak voor een faillissement bedrijfsvermogen weg te sluizen of voor zelfverrijking aan te wenden. Een verbod zou ook kunnen worden opgelegd als de curator ernstig wordt tegengewerkt of als sprake is van opvolgende faillissementen waarbij een bestuurder in drie jaar tijd bij drie of meer faillissementen betrokken is geweest. Als een bestuursverbod wordt opgelegd, kan de betrokkene – tenzij de rechter anders beslist – bij geen enkele rechtspersoon aanblijven als bestuurder. Ook kan hij niet opnieuw als bestuurder of commissaris worden benoemd.

Rol van de notaris
Minister Opstelten geeft de notaris een grote rol bij de handhaving van het verbod. Hij schrijft: ‘De handhaving van het civielrechtelijk bestuursverbod wordt op verschillende manieren geborgd. In de eerste plaats zullen de notaris en de Kamer van Koophandel hierin een rol hebben. Zij mogen niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van een rechtspersoon waarin een bestuurder wordt benoemd die een bestuursverbod opgelegd heeft gekregen.’ Omdat bestuursverboden zullen worden ingeschreven bij het Handelsregister kunnen de notaris en de Kamer van Koophandel eenvoudig online nagaan of een persoon die een onderneming wil oprichten of als bestuurder wil worden ingeschreven een bestuursverbod heeft. Voor de KNB is voorkoming en bestrijding van faillissementsfraude erg belangrijk. De KNB heeft daarom gepleit voor spoedige invoering van een civielrechtelijk bestuursverbod.

Artikelen 106a en 106b

De kernbepalingen van het voorstel zijn de voorstellen voor artikelen 106a en 106b:

Artikel 106a
1. Op vordering van de curator of op verzoek van het openbaar ministerie kan de rechtbank een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek genoemde rechtspersoon, de gewezen bestuurder daaronder begrepen, als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon:
a. door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in de artikelen 138 of 248 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de bestuurder doelbewust namens de rechtspersoon rechtshandelingen heeft verricht, toegelaten of mogelijk gemaakt waardoor schuldeisers aanmerkelijk zijn benadeeld en die overeenkomstig de artikelen 42 of 47 bij onherroepelijk geworden uitspraak door de rechter zijn vernietigd;
c. de bestuurder, ondanks een verzoek van de curator, in ernstige mate is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatie- of medewerkingsverplichtingen, bedoeld in deze wet, jegens de curator;
d. de bestuurder, hetzij als zodanig, hetzij als natuurlijke persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, ten minste tweemaal eerder betrokken was bij een faillissement van een rechtspersoon en hem daarvan een persoonlijk verwijt treft; of
e. aan de rechtspersoon of de bestuurder ervan een boete wegens een vergrijp als bedoeld in de artikelen 67d, 67e of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgelegd en deze beschikking onherroepelijk is.
2. Een bestuursverbod kan mede worden uitgesproken jegens de bestuurder van een of meer rechtspersonen die bestuurder is of zijn als bedoeld in het eerste lid.
3. De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek aan het openbaar ministerie of de curator de voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, benodigde gegevens.
4. Met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing op een natuurlijke persoon die handelt of heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Artikel 106b
1. Een bestuurder aan wie een bestuursverbod is opgelegd, kan gedurende vijf jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, of zoveel korter als in de uitspraak is bepaald, niet tot bestuurder of commissaris van een in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek genoemde rechtspersoon worden benoemd. Een benoeming tot bestuurder of commissaris in weerwil van een onherroepelijk opgelegd bestuursverbod is nietig.
2. Tenzij in de uitspraak anders is bepaald, vormt het bestuursverbod voor betrokkene tevens een beletsel voor de uitoefening van zijn functie als bestuurder of commissaris bij alle op grond van artikel 106c, tweede lid, in de procedure betrokken rechtspersonen.
3. De griffier van de rechtbank, of in geval van hoger beroep, van het gerechtshof, biedt de onherroepelijke uitspraak waarin een bestuursverbod is opgelegd met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan, die terstond tot uitschrijving van de betrokken bestuurder uit het Handelsregister overgaat. Tevens wordt het bestuursverbod, voor de duur waarvoor het is opgelegd, geregistreerd bij het Handelsregister.
4. De rechtbank regelt zo nodig alle overige gevolgen van het door haar uitgesproken bestuursverbod.
5. De rechtbank kan ter verzekering van de naleving van haar uitspraak een dwangsom opleggen. Wordt de dwangsom verbeurd, dan komt deze toe aan de boedel of, als daarvan geen sprake is, aan de staat. De Minister van Veiligheid en Justitie kan de ontvangen gelden besteden aan nader door hem te bepalen doeleinden van faillissementsfraudebestrijding.
6. Een uitspraak houdende oplegging van een bestuursverbod kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Meer informatie

13 juni 2014

Beantwoording kamervragen over de trustkantorensector

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Onlangs zijn kamervragen beantwoord inzake de trustsector. In de vraag en het antwoord komt de dienstverlening aan commanditaire vennootschappen aan bod, wordt vermeld dat de nieuwe Rib in aantocht is en wordt het algemene juridische kader geschetst.

Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2013-2014
Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

2118
Vragen van de leden Nijboer en Groot (beiden PvdA) aan de Minister en de Staatssecretaris van Financiën over het alarmerende bericht dat de integriteit van trustkantoren in het geding is (ingezonden 6 mei 2014).
Antwoord van Minister Dijsselbloem (Financiën), mede namens de Staatssecretaris van Financiën (ontvangen 3 juni 2014).

Vraag 1
Deelt u de conclusies van het onderzoek van de Nederlandsche Bank (DNB), waaruit zou blijken dat trustkantoren onaanvaardbare risico’s nemen met cv-structuren, bestuurders hun uitvoerende en controlerende functies niet scheiden, controle van de herkomst van gestald vermogen ontbreekt en misstanden vaak niet tot verbetering leiden? [1]

Antwoord 1
Ja

Vraag 2
Deelt u de mening dat, gezien de stevige kritiek van DNB, de trustsector risico’s meebrengt voor onze economie en dat er daarom reden is voor waakzaamheid en er snelle actie wordt verlangd van de toezichthouder? Zo ja, welke aanvullende acties zal DNB inzetten en welke verbeteringen zal zij afdwingen? Welke maatregelen neemt het Ministerie van Financiën zelf?

Antwoord 2
Ja, zoals ik in mijn eerdere reactie op het DNB onderzoek heb aangegeven (brief van 14 mei jl) vind ik resultaten van het onderzoek door DNB verontrustend. De aard van het trustbedrijf brengt meer dan gemiddelde risico’s met zich mee. Van het trustkantoor wordt verwacht dat zij zich vergewissen van de identiteit en intenties van hun cliënten voordat het trustkantoor hen toegang verleent tot de financiële markten.
Het toezicht op trustkantoren is een van de speerpunten van DNB. In dat verband voert DNB naast het reguliere toezicht op trustkantoren ook regelmatig onderzoeken naar specifieke onderdelen van de bedrijfsvoering van trustkantoren uit. Als gevolg van het laatste onderzoek naar functiescheiding en CV structuren bij trustkantoren heeft dit geleid tot formele maatregelen. Daarnaast laten de recente vervolg acties van het Openbaar Ministerie bij een aantal trustkantoren zien dat de resultaten van het DNB onderzoek de basis kunnen vormen voor een strafrechtelijke onderzoek.
Binnenkort zal ik de nieuwe Regeling Integere Bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (RibWtt 2014) publiceren. Met deze regeling worden de regels rond de integere bedrijfsvoering voor trustkantoren aangescherpt. Voorziene inwerkingtreding is 1 januari 2015. In de regeling zullen aanvullende specifieke eisen worden gesteld aan de bedrijfsvoering van trustkantoren. Zo zullen de nieuwe regels trustkantoren verplichten om een derdelijns controlefunctie, een auditfunctie, in te voeren en periodiek een analyse te maken van de risico’s die zijn verbonden aan de bedrijfsvoering én aan de dienstverlening van het trustkantoor.

Vraag 3
In hoeverre dragen de vorig jaar door het kabinet genomen maatregelen bij aan het voorkomen van schadelijke belastingontwijking via trustkantoren? [2] Ziet u naar aanleiding van het onderzoek van DNB aanleiding voor aanvullende maatregelen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3
De maatregelen die het kabinet vorig jaar heeft genomen waren gericht tegen het gebruik van schakelvennootschappen in Nederland met zo weinig economische betekenis dat de vraag gerechtvaardigd is of deze vennootschappen (meestal BV’s) terecht een beroep doen op een door Nederland gesloten belastingverdrag. Die problematiek staat los van het gebruik van Nederlandse besloten CVs zoals die in het DNB rapport wordt beschreven. De in het rapport beschreven structuren lijken er meer op gericht de balans tussen enerzijds aftrekbare kosten en anderzijds de belasting over diezelfde vergoeding te verbreken.
Een besloten CV is een samenwerkingsverband waarbij naar Nederlands recht de deelnemers belastingplichtig zijn en niet de CV zelf. Indien die deelnemers niet in Nederland wonen, en in Nederland geen vaste inrichting hebben, kan Nederland dus ook bij hen geen belasting heffen over de vergoeding die de CV ontvangt. Indien de deelnemers in hun woonland wel direct belastingplichtig zijn voor die inkomsten hebben zij een eigen verantwoordelijkheid om deze inkomsten in hun woonstaat aan te geven. Uiteraard zal de Nederlandse belastingdienst, binnen de daarvoor geldende regelingen, de autoriteiten van andere landen alle gewenste informatie verstrekken over de behandeling van CV’s in Nederland.

Vraag 4
Wat is uw antwoord op de vraag van DNB of een internationale structuur met een Nederlands cv nog wel past binnen het aanbod van trustkantoren? [3] Welke rol spelen trustkantoren en cv’s in fiscale constructies als de «Double Irish with a Dutch Sandwich»? Hoe beoordeelt u dergelijke fiscale constructies conform de letter en hoe conform de geest van de Nederlandse wetgeving?

Antwoord 4
Het aanbieden van diensten door trustkantoren waarbij gebruikt wordt gemaakt van CV’s vind ik risicovol. Op grond van de bepalingen van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) hebben trustkantoren de verplichting zich te vergewissen van de identiteit en intenties van hun cliënten alvorens hen toegang te verlenen tot de Nederlandse financiële markten. Dit wordt de poortwachtersfunctie genoemd. Bij het gebruik van complexe CV structuren lijkt het vervullen van de poortwachterfunctie niet goed mogelijk en is er een risico dat het trustkantoor wordt misbruikt voor het witwassen van crimineel geld. Een trustkantoor dat dit risico niet afdoende afdekt bijvoorbeeld door onvoldoende zicht op de uiteindelijk belanghebbende, handelt in strijd met de Wtt.
In structuren die bekend staan onder diverse «sandwich» beschrijvingen gaat het niet om het in aftrek brengen van een vergoeding in het buitenland die in Nederland bij de CV buiten de belasting blijft. Dergelijke «sandwich» structuren spelen een rol bij het beperken van bronheffingen in het land waar een vennootschap actief is en waar die vennootschap ook belastingplichtig is voor de daar behaalde winst.
Voor zover dergelijke structuren in strijd zijn met de letter van de Nederlandse wet worden zij uiteraard door de Nederlandse Belastingdienst bestreden. Datzelfde geldt wanneer bestrijding aan de hand van de Nederlandse leer van fraus legis kansrijk lijkt.
Van structuren waarbij wordt ingespeeld op kwalificatieverschillen tussen nationale rechtssystemen kan moeilijk gezegd worden dat ze in strijd zijn met letter of geest van die nationale systemen. Internationaal wordt tegen dit soort structuren actie ondernomen, met name in het OESO/G20 project tegen Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) waaruit de eerste conclusies en aanbevelingen dit jaar verwacht worden. Nederland speelt daarin een actieve rol.

Vraag 5
Is een maatregel als een verplichte certificering voor bestuurders van trustkantoren wenselijk? Zo nee, waarom niet? Welke mogelijkheden ziet u verder om de integriteit en kwaliteit van bestuurders van trustkantoren beter te bewaken?

Antwoord 5
DNB controleert of de bestuurders en beleidsbepalers van het trustkantoor deskundig en betrouwbaar zijn. Op grond van de RibWtt 2014 is het bestuur van een trustkantoor verantwoordelijk voor de integere bedrijfsvoering en draagt het zorg voor inbedding van deze procedures, regels en normen in het volledige bedrijfsproces en voor controle op de naleving hiervan. Daarnaast heeft de trustsector het initiatief genomen om elkaar te controleren teneinde het aanzien van de sector te verbeteren. Dit zal geschieden door middel van een certificeringsysteem van de brancheorganisatie Holland Questor. Een dergelijk privaat certificeringsysteem kan behulpzaam zijn om het imago van de trustsector te verbeteren.

Noten

[1] Het Financieele Dagblad, 2 mei 2014, p.1–3 en http://www.dnb.nl/publicatie/publicaties-dnb/nieuwsbrieven/nieuwsbrief-trustkantoren/nieuwsbrief-trustkantoren-april-2014/dnb306898.jsp
[2] Kamerstuk 25 087, nr. 60, d.d. 30 augustus 2013
[3] Kamerstuk 33 695, nr. 4, d.d. 6 februari 2014

Vindplaats: overheid.nl

27 mei 2014

Brief minister van financiën over toezicht op trustkantoren, onder meer met aankondiging dat de nieuwe Rib op 1 januari 2015 in werking zal treden

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In het parlementaire dossier over evaluatie van trustkantoren is een brief van 14 mei 2014 van de minister van financiën opgenomen. Deze brief schrijft de minister naar aanleiding van berichten over tekortkomingen bij enkele door DNB onderzochte trustkantoren. De minister gaat in de brief onder meer in op functiescheiding en op de positie van kleine trustkantoren, en verder op de cliëntenacceptatie bij werkzaamheden voor commanditaire vennootschappen. Voorts kondigt de minister aan dat de Regeling integere bedrijfsvoering trustkantoren Wtt (“Rib”) zal worden aangescherpt en op 1 januari 2015 in werking zal treden.

Uit de brief:

Onlangs heeft DNB handhavend opgetreden naar aanleiding van geconstateerde tekortkomingen bij de naleving van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). De constateringen komen voort uit twee themaonderzoeken, het eerste naar functiescheiding bij kleine trustkantoren en het tweede naar het faciliteren van Nederlandse commanditaire vennootschapsstructuren (CV’s).

Het onderzoek naar functiescheiding richtte zich op kleine kantoren, waarbij met «klein» gedoeld wordt op een klein aantal medewerkers en (in bijna alle gevallen) maar één bestuurder. De reden voor deze selectie is de premisse dat de scheiding van functies tussen een controlerende en uitvoerende medewerker/bestuurder meer kwetsbaar is wanneer er maar weinig mensen zijn om de functies over te verdelen. Het risico dat er onvoldoende tegenwicht is om goede afwegingen te maken bij bijvoorbeeld cliëntacceptatie of bepaalde transacties moet daarom bij kleine kantoren extra scherp op het netvlies staan en passend gemitigeerd zijn.

Het onderzoek naar het faciliteren van CV’s richtte zich op zowel kleine als grotere kantoren. De feitelijke selectie van trustkantoren is voor beide onderzoeken gemaakt op basis van toezichtsinformatie van DNB én op de informatie die trustkantoren zelf in hun jaarlijkse rapportages aan DNB aanleveren.

Begin mei heeft DNB de resultaten van haar optreden in een nieuwsbrief gepubliceerd. Over de hele linie was er sprake van slecht gefundeerde afwegingen bij cliëntacceptatie die zich hoofdzakelijk openbaarde door een gebrek aan kennis over het doel van de structuur en de herkomst van het vermogen van de UBO. De controle op deze dossiers bleek vaak gebrekkig of in het geheel niet te zijn uitgevoerd.

Verder signaleert DNB onaanvaardbare risico’s met diensten waarbij trustkantoren het gebruik van CV’s door klanten faciliteren. De inkomsten voor dit type dienstverlening zijn in de regel laag maar brengen hoge risico’s met zich mee. Daarom vraagt DNB zich af waarom trustkantoren het gebruik van dergelijke structuren door hun klanten nog faciliteren. De structuur van deze CV constructies zijn vaak complex waardoor geldstromen die door een CV lopen buiten het blikveld blijven van het betrokken trustkantoor. Dit duidt op een hoog risico dat de CV structuur wordt misbruikt voor witwassen en fiscale fraude. Het invullen van de poortwachterfunctie lijkt op deze wijze niet goed mogelijk.

De twee thema onderzoeken hebben bij vier trustkantoren geleid tot het (vrijwillig) intrekken van de vergunning, in twee gevallen heeft DNB het voornemen om een boete op te leggen.

De resultaten van het onderzoek vind ik verontrustend. De aard van het trustbedrijf brengt meer dan gemiddelde risico’s met zich mee. Van het trustkantoor wordt verwacht dat zij zich vergewissen van de identiteit en intenties van hun cliënten voordat het trustkantoor hen toegang verleent tot de financiële markten. De integriteit van de trustsector dient buiten enige twijfel te staan.

Ik scherp de Regeling integere bedrijfsvoering trustkantoren Wtt aan. Voorziene inwerkingtreding is per 1 januari 2015. Zo zullen er in de toekomst aanvullende specifieke eisen worden gesteld aan de bedrijfsvoering van het trustkantoor, de diensten die het trustkantoor verleent en de risico’s die hieraan zijn verbonden. Hiertoe wordt een onderzoeksplicht opgenomen naar de risico’s ten aanzien van de integere bedrijfsvoering. Daarnaast is er een onderzoeksplicht naar de dienstverlening van de trustkantoren. Tevens wordt er naast de compliancefunctie een auditfunctie geïntroduceerd. Er wordt dus een extra controlefunctie ingericht als onderdeel van de bedrijfsvoering.

Er sprake kan zijn van een verhoogd integriteitrisico bij trustkantoren waar het dagelijks beleid wordt bepaald door niet meer dan één persoon. Dit heb ik onderkend in de wetgevingsbrief financiële markten 2013 (kamerstuk 32 545, nr. 14). Met de aanscherping van de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt wordt ondermeer door de introductie van de auditfunctie beoogd dit risico adequaat te ondervangen. Ik zal de aangescherpte regeling, in overleg met DNB als toezichthouder, een jaar na inwerkingtreding evalueren.

Tot slot heeft de branchevereniging Holland Quaestor aangegeven de onderzoeksresultaten van DNB zeer serieus te nemen. De trustsector zal elkaar gaan controleren teneinde het imago van deze sector te verbeteren. Dit zal geschieden door middel van een certificeringsysteem.

Meer informatie

  • Brief van de minister van financiën van 14 mei 2014, overheid.nl
  • Dossier evaluatie trustkantoren, 32 384
%d bloggers liken dit: