Vertrouwelijke behandeling beroepsprocedures in personentoetsingszaken

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Het jaarlijkse rondje wetgevingswensen van AFM en DNB is weer geweest. Één van de onderwerpen die daarbij aan de orde komt, is de rechtsbescherming van natuurlijke personen, die door de toezichthouders worden getoetst (personentoetsing).

DNB schrijft:

Vertrouwelijke behandeling beroepsprocedures in toetsingszaken

Het bijzondere karakter van een toetsing brengt met zich mee dat het extra van belang is dat de rechtsbescherming zorgvuldig is vormgegeven. In de wetgevingsbrief 2016 heeft DNB daarom de wens geuit om de bestaande rechtsbescherming van getoetste bestuurders en commissarissen verder te versterken, door de zittingen van het beroep en hoger beroep met betrekking tot aanvangs- en hertoetsingen achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, tenzij de bestuurder anders verzoekt. De commissie Ottow geeft in haar op 30 november 2016 verschenen rapport aan, dat het reputatierisico vanwege het openbare karakter van beroep van zittingen voor betrokkenen inderdaad een belangrijke overweging is om niet in beroep te gaan. Een behandeling achter gesloten deuren kan in dat opzicht een bijdrage leveren om dit risico te verkleinen. DNB zou graag zien dat de minister deze wens gestalte geeft.

DNB verzoekt de uitzondering op openbaarheid van zittingen in artikel 1:101 Wft uit te breiden naar toetsingszaken in beroep en hoger beroep.

In de reactie op de wens dat beroepsprocedures in personentoetsingszaken vertrouwelijk worden behandeld, schrijft de minister van financiën het volgende:

Vertrouwelijke behandeling beroepsprocedures in toetsingszaken

Ik onderschrijf het belang van het bieden van adequate rechtsbescherming aan getoetste bestuurders en commissarissen. De commissie Ottow heeft een aantal waardevolle, nuttige aanbevelingen gedaan om het toetsingsproces te versterken en de positie van de kandidaat te verbeteren. Deze aanbevelingen zien op het primaire besluitvormingsproces en de bezwaarfase, en niet op de beroepsfase, al stelt de commissie Ottow wel vast dat behandeling achter gesloten deuren het risico op reputatieschade kan verkleinen. Op grond van artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechter reeds de bevoegdheid om daartoe te besluiten, als de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dat eist. Het wettelijk verankeren van een generieke uitzondering op de openbaarheid van rechtszittingen biedt getoetste bestuurders en commissarissen op voorhand zekerheid over de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, maar ontneemt de rechter de mogelijkheid om van geval tot geval te beoordelen welke maatregelen nodig zijn om het belang van het privéleven te waarborgen. De vraag die dan voorligt, is of het publieke belang van een adequaat toetsingsproces en de positie van de bestuurder en commissaris daarin, nopen tot een dergelijke inbreuk op het uitgangspunt van openbaarheid van rechtszittingen. Dat vraagt om een gedegen motivering op basis van zwaarwegende gronden. Tegen deze achtergrond ben ik bereid om nut, noodzaak en wenselijkheid van deze wetgevingswens nader te onderzoeken.

De minister is bereid een en ander te onderzoeken.

NB Overigens lijkt dit ook buiten de Wft relevant te zijn.

Meer informatie:


Dit bericht is ook geplaatst op mijn algemene weblog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: