In 2011 verscheen het proefschrift van mevrouw Liliya Gelemerova, “The anti-money laundering system in the context of globalisation: a Panopticon built on quicksand?“. Uit het proefschrift blijkt dat de customer due diligence van de antiwitwaswetgeving niet goed functioneert. Zie hierover het persbericht van de universiteit van Tilburg. Inmiddels is de pdf-versie van dit proefschrift bekend gemaakt, zodat iedereen van het proefschrift kan kennis nemen.
Nieuwe leidraad Wwft door rijksoverheid
Het ministerie van financiën heeft een geactualiseerde Wwft leidraad gepubliceerd. Via deze pagina is het zonder enige toelichting te vinden. Vreemd is dat dit bericht niet door de rijksoverheid wordt bekend gemaakt.
Ik kwam het voor het eerst tegen in een bericht van AccountancyNieuws van 22 mei 2013. Bij FIU Nederland is dit nieuws nog niet te vinden en staat nog de oude leidraad uit 2011.
Het illustreert het eerder door mij gesignaleerde gebrekkige informatiebeleid van de rijksoverheid.
Nieuwe wijzigingen van de Wet toezicht trustkantoren in aantocht
Gisteren is door de minister van financiën een voorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014” bekend gemaakt. Van dit voorstel maakt ook een wijziging van de Wtt deel uit. Het voorstel inzake de Wtt luidt:
ARTIKEL XIV
De Wet toezicht trustkantoren wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1, onderdeel c, komt te luiden:c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die:
1°. een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een rechtspersoon;
3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een rechtspersoon;
4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust is; of
5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust;tenzij die rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/334/EG van de Raad (PbEU 2004, L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;.
B
In artikel 2a wordt “artikel 2, eerste, tweede of derde lid,” telkens vervangen door: de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels,.C
In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt “artikel 2, derde lid” vervangen door: artikel 2a, eerste lid.D
Artikel 10, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:1. In de aanhef wordt “, zodanig dat” vervangen door: die ertoe strekken dat.
2. De onderdelen a en b komen te luiden:
a. het trustkantoor cliëntenonderzoek verricht dat het trustkantoor onder meer in staat stelt de identiteit te kennen van de cliënt en de uiteindelijk belanghebbende of over informatie te beschikken waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is;
b. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap, de trust of de vennootschap waarvan het trustkantoor gebruikmaakt in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 5°;.3. In onderdeel e wordt “de uiteindelijk belanghebbende” vervangen door “de cliënt of de uiteindelijk belanghebbende” en wordt de punt aan het eind van subonderdeel 4° vervangen door een puntkomma.
4. Onderdeel f komt te luiden:
f. het trustkantoor bij het bemiddelen bij de verkoop van een vennootschap in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 3°, de identiteit kent van de koper en de verkoper en van de uiteindelijk belanghebbende van de koper en de verkoper;.
5. Onderdeel h wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:
h. het trustkantoor kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden;
i. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien niet wordt voldaan aan onderdeel a.
Dit wordt als volgt toegelicht in de memorie van toelichting:
g. wijzigingen Wtt
De inhoudelijke wijzigingen van de Wet toezicht trustkantoren hebben betrekking op de definitie van het begrip ‘Uiteindelijk belanghebbende’ en de formulering van de grondslag voor nadere regels inzake integere bedrijfsvoering. Deze wijzigingen houden verband met de recente uitbreiding van de reikwijdte van de wet en de voorziene aanscherping van de regels inzake integere bedrijfsvoering voor trustkantoren.(…)
ARTIKEL XIV
A
De definitie van uiteindelijk belanghebbende in artikel 1, onderdeel c, wordt opnieuw vastgesteld in verband met de verruiming van de reikwijdte van deze bepaling. Thans is deze definitie nog gericht op de doelvennootschap, overeenkomstig de reikwijdte van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), zoals die tot 1 juli 2012 gold. Sinds die datum vallen ook het gebruik van een vennootschap ten behoeve van een cliënt en het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen onder deze wet. In de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren zijn per diezelfde datum regels gesteld met betrekking tot het onderzoek dat trustkantoren moeten uitvoeren naar de uiteindelijk belanghebbenden van partijen die betrokken zijn bij die dienstverlening. De voorgestelde herziening van de definitie van uiteindelijk belanghebbende strekt ertoe, die regels beter te laten aansluiten bij de Wtt. Voor de formulering is aangesloten bij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.B en C
De wijzigingen in de artikelen 2a en 9 strekken tot herstel van enkele omissies. De vrijstelling en ontheffing op grond van artikel 2a moeten, naast de vergunningplicht, kunnen zien op alle overige verplichtingen bij of krachtens deze wet gesteld. Daartoe wordt voorgesteld ook te verwijzen naar artikel 10, eerste lid, op grond waarvan regels worden gesteld met het oog op een integere bedrijfs- voering. Voorts wordt in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, ten onrechte verwezen naar artikel 2, derde lid, waar verwezen had moeten worden naar artikel 2a, eerste lid. Met de onderhavige wijziging wordt deze fout hersteld.D
Artikel 10, eerste lid, bevat de grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels ten behoeve van een integere bedrijfsvoering. Daarbij wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van regels die binnen de reikwijdte van die grondslag vallen. Deze bepaling is uitgewerkt in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren. Die regeling is per 1 juli 2012 aangevuld met regels gerelateerd aan de diensten die per diezelfde datum onder de reikwijdte van de Wtt zijn gebracht. Om hiervan blijk te geven wordt voorgesteld die regels te benoemen in de opsomming in artikel 10 van de Wtt. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt te verduidelijken dat een trustkantoor in algemene zin kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden. Dit sluit aan bij de huidige praktijk.
Negatief betrouwbaarheidsoordeel DNB inzake beleidsbepaler (uitspraak Rechtbank Rotterdam)
De Rechtbank Rotterdam oordeelt in een uitspraak van 28 maart 2013 dat DNB in redelijkheid aan trustkantoor Y de aanwijzing heeft kunnen gegeven dat de heer X het beleid niet meer mag (mede)bepalen [*] op grond van een negatief betrouwbaarheidsoordeel.
Dit oordeel berust op het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens over toezichtsantecedenten (boetes en melden intrekking vergunning) en X’ arbeidsverleden. Dat de toezichtsantecedenten van X afkomstig zijn van een andere toezichthouder een andere vennootschap betroffen speelt geen rol, omdat X als bestuurder/beleidsbepaler betrokken was bij zowel trustkantoor Y als de andere vennootschap. Uit de uitspraak blijkt dat DNB de aanwijzing op het volgende heeft gebaseerd:
Deze aanwijzing, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, waarbij DNB het volgende in aanmerking heeft genomen:
– twee boetebesluiten van onderscheidenlijk 19 mei 2008 (één boete) en 17 december 2009 (twee boetes) wegens overtreding van de artikelen 16 en 17 van de Landsverordening toezicht trustwezen (Ltt) door [D] (het niet of niet tijdig indienen van de jaarrekeningen en andere stukken over verscheidene jaren);
– het niet onverwijld melden van deze opgelegde (inmiddels onherroepelijke) boetes;
– het niet onverwijld melden van het intrekken van de vergunning van [D] op 14 juli 2010;
– het bij de aanvraag van 18 juli 2011 en in het telefoongesprek op 11 november 2011 door eiser aan DNB verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens over de toezichtsantecedenten en zijn arbeidsverleden.Wat betreft eisers arbeidsverleden heeft DNB vastgesteld dat eiser nimmer de functie van ‘general counsel’ bij CBCS en/of DNB heeft uitgeoefend, zoals in zijn curriculum vitae is vermeld. Ook met betrekking tot de door hem vermelde adviseursfunctie van de toenmalige president van DNB, dr. W. Duisenberg, heeft DNB vastgesteld dat deze niet op waarheid berust.
Als bijkomende toezichtsantecedenten heeft DNB aangemerkt dat [D], onder verantwoordelijkheid van eiser, niet tijdig een lokaal bestuurder heeft benoemd, de opgelegde boetes niet heeft betaald en structureel te laat is met het betalen van de toezichtskosten.
De uitspraak illustreert het belang van correcte en complete informatieverstrekking aan DNB. Dat betreft niet alleen het melden van opgelegde sancties, maar ook juiste gegevensverstrekking inzake uitgeoefende functies.
—
[*] Zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren.
Wijzigingen in voor trustkantoren relevante informatie van DNB
Uit de nieuwsbrief van DNB van heden blijkt dat een aantal internetpagina’s met voor trustkantoren relevante informatie zijn aangepast. Onderstaand een overzicht van de pagina’s met de toelichting van DNB over de inhoud.
Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren
Op 28 maart jl. heeft College van Beroep voor het bedrijfsleven een belangrijke uitspraak gedaan over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze uitspraak een bredere betekenis voor het financiële toezichtrecht. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:
- “domicilieverlening” in de zin van de Wtt
- de grondslag voor de ‘documentatieverplichtingen’ voor trustkantoren
- bestuursrechtelijke resultaatsverplichtingen
- de bewijslast
- de wijze waarop de last is omschreven in de last onder dwangsom
- de cautie
Belangrijke overwegingen over de ‘resultaatsverplichtingen’ in het bestuursrecht:
5.3.6 Ten aanzien van de achtste, elfde en twaalfde grief van [appellant] overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op trustkantoren op grond van de artikelen 12, 13, 14 en 18 van de Rib een aantal duidelijke (resultaats)verplichtingen rust. De in deze artikelen neergelegde verplichtingen zijn concreet ten aanzien van het verzamelen, controleren en administreren van specifiek omschreven informatie. Het College vermag niet in te zien dat het hier niet (ook) om resultaatsverplichtingen zou gaan, nu specifiek is bepaald over welke kennis het trustkantoor dient te beschikken en welke gegevens opgevraagd en in de cliëntadministratie vastgelegd moeten worden. Dat een trustkantoor, zoals [appellant] betoogt, wellicht “geen absolute zekerheid” kan verkrijgen omtrent een deel van de onderwerpen waarvan documentatie is vereist, doet daar niet aan af. Daargelaten wat onder “absolute zekerheid” moet worden verstaan, merkt het College op dat “absolute zekerheid” niet de maatstaf is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een trustkantoor aan de uit de Wtt en Rib voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
De stelling van [appellant] dat ten aanzien van de verplichtingen op grond van het eerste lid van artikel 10 Wtt en de Rib voor haar niet (voldoende) kenbaar is geweest op welke wijze zij daaraan moest voldoen, kan niet worden gevolgd. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de in de Rib neergelegde normen voldoende concreet duidelijk maken, welke handelingen van een trustkantoor worden verlangd.
Het College ziet voorts in de gedingstukken geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen die DNB aan de inrichting van het cliëntacceptatiedossier en het vergaren van de gevraagde informatie heeft gesteld, voor [appellant] niet voldoende duidelijk waren of dat deze eisen, zoals [appellant] heeft gesteld, zouden hebben gewisseld. Uit de stukken blijkt dat DNB in haar brieven naar aanleiding van de gehouden bezoeken steeds uiteen heeft gezet waarom en op welke punten de dossiers van [appellant] te kort schoten.
Op een later tijdstip hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de betekenis van deze uitspraak voor de financiële toezichtpraktijk.
Tegenlicht “Tax Free Tour” (VPRO) over belastingparadijzen
Afgelopen maandag was de eerste uitzending van VPRO Tegenlicht over belastingparadijzen. Op Uitzending Gemist kan de uitzending worden bekeken. Er staat ook een link naar de uitzending op de site van Tegenlicht zelf. Reacties op de eerste uitzending zijn hier te vinden.
Meer informatie op de site van VPRO Tegenlicht.
—
Aanvulling 2 april 2013: Er is veel aandacht voor het onderwerp, zie onder meer:
# Robert Swaak (PwC): ‘Discussie over brievenbusfirma’s ondermijnt vestigingsplaats’ (FD), via accountant.nl
# VVD’er Van Baalen: druk op belastingparadijzen opvoeren
# Zuid-Europese bedrijven drukken belasting met Nederlandse postbusfirma’s
# Shell en ABN Amro hebben meeste postbusfirma’s in belastingvrije landen
Uiteraard worden er ook kamervragen gesteld naar aanleiding van de Tax Free Tour. Dus het laatste woord is voorlopig vast nog niet gesproken.
Aanvulling 1 mei 2013: Een ander geluid komt van Bernard Hammelburg in zijn column voor BNR, onder de titel “Fiscale moreelridders”, hij start zijn column met “Plotseling is het weer eens hip om met het moralistische wijsvingertje naar belastingparadijzen te wijzen – een modeverschijnsel dat van tijd tot tijd de kop opsteekt.”
Aanvulling 27 mei 2013: inmiddels heeft de staatssecretaris van financiën kamervragen beantwoord, zie dit pdf-bestand.
DNB start onderzoek naleving Wwft
In een bericht dat is opgenomen in de nieuwsbrief voor banken, laat DNB weten dat dit voorjaar onderzoek zal worden gedaan naar naleving van de Wwft, ook bij trustkantoren. Hierna volgt de tekst.
DNB start onderzoek naleving Wwft
Nieuwsbericht 28 maart 2013
De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is gewijzigd. Dit voorjaar controleert DNB de naleving daarvan.
Belangrijke wetswijzigingen
Per 1 januari 2013 is de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gewijzigd. De belangrijke wijzingen zijn:
- Banken moeten informatie over klanten altijd actueel houden.
- De identiteit van de zogenoemde ‘uiteindelijk belanghebbende’ moet altijd worden geverifieerd. Deze verificatie kan risicogebaseerd plaatsvinden: naarmate het risicoprofiel van een klant hoger is, moet een bank meer informatie inwinnen over diens identiteit.
- Banken moeten voortdurend alert zijn op ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die een hoger witwasrisico inhouden.
Politiek prominenten
De Wwft bevat ook nieuwe voorschriften voor politiek prominente personen (PEP). Dit betekent dat voortaan ook buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Eerder gold dit verscherpte toezicht al voor PEP’s die buiten Nederland wonen.
DNB heeft de banken een coulanceperiode van drie maanden geboden. In deze periode konden de banken hun systemen aanpassen, zodat ze vanaf 1 april 2013 aan deze nieuwe bepaling kunnen voldoen.Eisen aan banken
Wat moeten banken doen om te voldoen aan de vernieuwde Wwft? De hierboven genoemde belangrijke wetswijzigingen zijn al opgenomen in de DNB Leidraad Wwft uit 2011. Dat betekent dat ze daarmee al gangbare praktijk moeten zijn. Nu wordt deze praktijk in de wet verankerd. Dit betekent dat het nu niet langer om aanbevelingen gaat, maar om wettelijke bepalingen.Thema-onderzoek van DNB
DNB gaat in de eerste helft van 2013 controleren op de naleving van de Wwft. De toezichthouder stuurt dit voorjaar een vragenlijst naar een aantal banken, levensverzekeraars en trustkantoren. Zij krijgen vragen over de manier waarop ze hun cliënten monitoren en screenen. Ook onderzoekt DNB of banken en andere instellingen voldoende alert zijn op ongebruikelijke transacties.
Op basis van dit vooronderzoek selecteert DNB een tiental instellingen voor verder onderzoek. DNB zal het onderzoek dit najaar afronden en de belangrijkste generieke bevindingen ook via deze Nieuwsbrief bekend maken.Meer informatie
Wilt u meer weten? Mail Maud Bökkerink van het DNB Expertisecentrum Cultuur, Organisatie en Integriteit: m.j.bokkerink@dnb.nl
Verschaffen van inlichtingen kan onder terrorismefinanciering vallen (naar aanleiding van wetsvoorstel)
Op 22 november 2012 is een wetsvoorstel inzake strafbaarstelling financieren van terrorisme ingediend. Op 5 februari 2013 is het verslag vastgesteld. Het valt te verwachten dat het voorstel snel door Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen, aangezien wetgeving op het gebied van witwassen, terrorismefinanciering en aanverwante terreinen veelal in een noodtempo door het parlement wordt gejaagd.
Dit soort strafwetgeving is niet alleen van belang voor strafrechtspecialisten. Degenen die zich moeten houden aan de Nederlandse toezichtwetgeving, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op het financieel toezicht (Wft) krijgen ook met strafrechtelijke begrippen als “witwassen” en “terrorisme financieren” te maken.
Het begrip “financiering van terrorisme” in het voorgestelde artikel 421
In het wetsvoorstel werd voorgesteld een nieuwe titel XXXI. in het Wetboek van Strafrecht op te nemen:
TITEL XXXI. FINANCIEREN VAN TERRORISME
Artikel 421
1. Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;
b. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in:
– de artikelen 117 tot en met 117b alsmede artikel 285, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen;
– de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 161quater, 173a en 284a alsmede de artikelen 140, 157, 225, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322 en 326, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal;
– de artikelen 162, 162a, 166, 168, 282a, 352, 385a tot en met 385d;
– de artikelen 92 tot en met 96, 108, 115, 121 tot en met 123, 140, 157, 161, 161bis, 161sexies, 164, 170, 172, 287, 288 en 289, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is.
2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
Interessant is dat het begrip “financieren” van terrorisme een heel ruim gebied van activiteiten omvat, nl. het opzettelijk,
- zichzelf (!) of een ander middelen of inlichtingen verschaffen, of
- voorwerpen verzamelen, verwerven, voorhanden hebben of aan een ander verschaffen,
als die middelen/inlichtingen/voorwerpen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan een terroristisch misdrijf. De grote vraag is natuurlijk wanneer sprake is van opzet, zeker als iemand inlichtingen verschaft. Ook rondom begrippen als “geldelijke steun verlenen” en dit “middellijk” doen, kunnen vele vraagtekens worden gezet.
Deze bepaling komt naast alle andere bepalingen in ons strafrecht die op terrorisme betrekking hebben en dat zijn er inmiddels een respectabel aantal.
Is de nieuwe strafbepaling wel nodig; relatie met FATF standpunt
In het verslag van 5 februari jl. worden een groot aantal vragen gesteld. De VVD merkt op:
In het wetsvoorstel wordt aangegeven dat het tot stand is gekomen na kritiek van de Financial ActionTask Force (FATF) op de Nederlandse wijze van strafbaarstelling van het financieren van terrorisme, namelijk via de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen ex artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de strafbaarstelling van deelneming aan een terroristische organisatie ex artikel 140a jo. 140, vierde lid Sr. Deze leden vragen de regering of het inderdaad klopt dat internationale verdragen dwingen tot een autonome strafbaarstelling van de financiering van terroristische activiteiten. Wat is de status van de FATF en kan deze organisatie bindende verplichtingen opleggen? Wat zouden de gevolgen vanuit internationaal oogpunt zijn als er naar aanleiding van de kritiek van de FATF niet zou zijn gekozen voor het presenteren van een wetsvoorstel met een autonome strafbaarstelling van financiering van terroristische activiteiten? Wat zijn de Nederlandse overwegingen geweest een autonome strafbaarstelling voor te stellen? Is er binnen de FATF voldoende aandacht voor staten waarin het financieren van terroristische activiteiten in het geheel nog niet strafbaar is? Dringt de Nederlandse regering erop aan dat de FATF ook ten opzichte van die landen druk uitoefent te komen tot een effectieve aanpak van terrorisme?
Ook de PvdA stelt dergelijke vragen:
Deze wetswijziging wordt voorgesteld op advies van de FATF. De regering is van mening dat de huidige uitwerking van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (VN Verdrag) hetzelfde doel bereikt als het wetsvoorstel dat nu voorligt. Is er ruimte geweest in de beoordeling van het advies van de FATF niet te volgen omdat, in de geest van het verdrag, is voldaan aan de verdragsrechtelijke plicht? Kan worden aangegeven hoe die afweging tot stand is gekomen? Ook het College van procureurs-generaal concludeert in haar advies dat de huidige regelgeving reeds voldoet aan de voorwaarden gesteld in de Interpretive Note (verbindende uitleg) van de FATF. Waarom is tóch besloten tot het aanpassen van de huidige regeling? Kan de regering bij de beantwoording van deze vraag de dubbele strafbaarheid betrekken? Immers, een van de redenen die de FATF noemt voor de aanpassing van de huidige regelgeving zijn de problemen die zouden kunnen ontstaan bij het verlenen van wederzijdse internationale rechtshulp als gevolg van het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Deelt de regering de mening van de FATF dat bij een rechtshulpverzoek problemen kunnen ontstaan ten aanzien van de dubbele strafbaarheid? Is uit de rechtspraktijk gebleken dat dit probleem bestaat? Zo ja, kan de regering daar voorbeelden van geven? Als er nog geen voorbeelden uit de rechtspraktijk zijn, waarop baseert de regering en de FATF dan dat vermoeden?
De regering is van mening dat onder de huidige regelgeving terrorismefinanciering in beginsel ook met toepassing van artikel 46 Sr effectief kon worden bestreden. Is het onderhavige wetsvoorstel een beperking of een uitbreiding ten opzichte van de huidige regeling? Zo ja, wil de regering op die beperking of uitbreiding ingaan en daarin tevens aangeven wat die verandering tot gevolg heeft voor de rechtspraktijk?
De regering werkt door middel van dit wetsvoorstel nadere adviezen van de FATF uit om personen of instanties die meewerken aan het financieren van terroristische misdrijven of pogingen daartoe strafbaar te stellen. (…)
Kritische vragen komen ook van SP en D66:
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij constateren dat het wetsvoorstel beoogt het financieren van terrorisme uitdrukkelijk en expliciet strafbaar te stellen en dat hiertoe een nieuw artikel 421 Sr wordt geïntroduceerd. Naar huidig recht is het financieren van daden van terrorisme vervolgbaar als strafbare voorbereiding van een ernstig misdrijf ex artikel 46 Sr. Daarnaast is naar huidig recht het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie strafbaar als deelneming aan die organisatie. Kan de regering toelichten tot welke problemen de huidige mogelijkheden leiden en waarom een nieuw artikel nodig c.q. wenselijk is? De regering stelt ervan overtuigd te zijn dat terrorismefinanciering in beginsel ook met toepassing van artikel 46 Sr effectief kan worden bestreden. Kan de regering inzicht bieden in de resultaten tot nu toe? Hoeveel personen en organisaties zijn de laatste jaren op grond van deze bepalingen aangepakt? Worden er momenteel personen niet vervolgd ten aanzien van wie dat wel wenselijk zou zijn? Welk probleem lost dit wetsvoorstel op? (…)
De leden van de D66- fractie begrijpen dat het voorliggende wetsvoorstel voortkomt uit de verplichtingen die Nederland heeft jegens de FATF en haar aanbeveling en voorkeur voor een autonome strafbaarstelling. Desondanks blijft de regering overtuigd dat terrorismefinanciering in beginsel ook met toepassing van artikel 46 Sr effectief kan worden bestreden. Kan de regering scherp toezien op de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel en is er in dat kader ruimte voor een mogelijke evaluatie? Als dit wetsvoorstel daadwerkelijk overbodig blijk te zijn, is intrekking dan mogelijk in overleg met de FATF?
Compliance
Er worden ook vragen gesteld die betrekking hebben op de positie van financiële instellingen, die met deze strafbaarstelling rekening moeten houden:
De leden van de PvdA-fractie vragen of dit in de praktijk niet tot problemen zal leiden. In hoeverre moet een financiële instelling alert zijn als een cliënt gebruik wil maken van haar diensten en deze cliënt ooit veroordeeld is voor een terroristisch misdrijf of deelname aan een terroristische organisatie? Wordt van de financiële instelling verwacht dit te melden bij de politie of het Openbaar Ministerie (OM)? Als de financiële instelling het niet meldt en toch sterk het vermoeden heeft dat er iets niet klopt, kan de financiële instelling dan vervolgd worden voor medeplichtigheid aan het financieren van terrorisme of een poging daartoe? Kan in deze casus sprake zijn van voorwaardelijk opzet? Kan de regering ingaan op deze casus?
Het vervolg
Het is interessant om te zien wat het vervolg van dit voorstel zal zijn.
—
Meer informatie: het dossier bij overheid.nl, site Eerste Kamer
Aanpak van illegale trustkantoren door DNB
Misschien een beetje laat om te signaleren, maar vorige jaar verscheen in het DNB Magazine een wel zeer oninformatief artikel over de trustkantoren sector. Weliswaar was het thema “de mensen van het Frederiksplein”, maar dat betekent dan nog niet dat je de marketing mensen een vrije hand moet geven in het schrijven van een stukje dat alleen op “feel good” misdaadbestrijding is gericht.
Tenslotte is in 2012 de Wet toezicht trustkantoren ingrijpend gewijzigd en het begrip “trustdiensten” sterk verruimd. Daar hadden de lezers van het DNB Magazine ook over geïnformeerd mogen worden.