1 maart 2013

De compliancemedewerker in de financiële sector, “nice guys finish last”

door Ellen Timmer

Iedereen kent natuurlijk de prachtige artikelen van Joris Luyendijk over de financiële sector. Recent verscheen er een in het NRC onder de titel “Pas nu realiseer ik: zo ontduik je de belasting”, waarin een compliancemedewerker verzucht “We werden gezien als ‘business breakers’ die de sterren ervan weerhouden te scoren.”

Lezen dus!

Tags:
1 maart 2013

Bericht DNB “Kosten doorlopend toezicht op trustkantoren”

door Ellen Timmer

Op 25 februari 2012 publiceerde DNB onderstaand bericht op de website:

Kosten doorlopend toezicht op trustkantoren

De Nederlandsche Bank (DNB) brengt jaarlijks kosten in rekening aan trustkantoren met een vergunning van DNB voor de kosten van de uitvoering van haar toezicht. Met ingang van 1 januari 2013 is de berekeningswijze van deze jaarlijkse kosten gewijzigd.

Op grond van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) zullen trustkantoren een procentueel aandeel van de zogenoemde overige kosten uit de begroting van DNB voor hun rekening moeten nemen. In 2013 is dit percentage bepaald op 0.9 procent. Voor de jaren 2014 – 2017 bedraagt dit percentage 1.2 procent van de totale toezichtkosten.

De kosten die een individueel trustkantoor moet betalen voor het toezicht wordt vervolgens bepaald  aan de hand van een maatstaf. De maatstaf voor trustkantoren is de omzet (bijlage II van de Wbft) waarbij de hoogte van het in rekening te brengen bedrag voor het trustkantoor wordt bepaald door de daadwerkelijk behaalde omzet uit trustdiensten.

Voor de kosten die in rekening worden gebracht, wordt de omzet verdeeld in bandbreedtes waaraan de tarieven zijn gekoppeld. Deze zullen uiterlijk per 1 juni van elk jaar op voorstel van DNB bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Wat een individueel trustkantoor moet betalen, kan deze na 1 juni met behulp van de ministeriële regeling zelf uitrekenen. De factuur wordt in de tweede helft van het jaar verzonden.

1 maart 2013

Trustkantoren in “Thema’s DNB Toezicht 2013”: Wwft en concernfinancieringsmaatschappijen

door Ellen Timmer

In “Thema’s DNB Toezicht 2013” worden trustkantoren op een aantal plaatsen genoemd.

Witwasbestrijding

In hoofdstuk 5, Sterk bestuur, integere cultuur, paragraaf 5.3, pagina 25, wordt melding gemaakt van extra aandacht voor witwasbestrijding:

DNB gaat dit jaar daarom bij banken, verzekeraars en trustkantoren onderzoek doen naar de kwaliteit van hun voortdurende controle van cliënten en transacties in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Financiële instellingen zijn op grond van de Wwft verplicht om ongebruikelijke transacties te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland. Door de transacties en activiteiten van cliënten te monitoren zijn instellingen beter in staat om dit soort transacties te herkennen. Daarnaast onderzoekt DNB bij de schadeverzekeraars de naleving van de Sanctiewet, waarmee overigens al in het najaar 2012 is gestart.

DNB verwacht van de instellingen dat zij binnen alle lagen van de organisatie overtuigd zijn van nut en noodzaak van naleving van deze wetgeving. Dit dient zich bij alle instellingen te uiten in een duidelijke inzet en prioriteitenstelling gericht op naleving van anti-witwas-wetgeving. Dit betekent onder andere dat het ongewenst is compliancetaken over te dragen naar eerstelijnsfuncties en budgetten en capaciteit van de compliancefuncties te verminderen. Ook moeten de geautomatiseerde systemen voor de monitoringstaken adequaat zijn en rekening houden met de risicoclassificaties van cliënten.

DNB gaat in 2013 onderzoek doen bij de grote banken, verzekeraars en trustkantoren. In het eerste kwartaal zullen deze instellingen worden aangeschreven met het verzoek een vragenlijst in te vullen die inzicht moet geven in de wijze waarop zij de voortdurende controle vormgeven. Naar aanleiding daarvan zullen in het tweede kwartaal ter plaatse onderzoeken plaatsvinden. Mogelijk zullen er transacties worden opgevraagd. Tevens zal DNB in het tweede kwartaal een bijeenkomst organiseren om met de sector in gesprek te gaan over het naleven van de normen. De bevindingen, inclusief mogelijke good practices, zullen met de sector worden gedeeld.

Concernfinancieringsmaatschappijen

In paragraaf 5.6, schaduwbankieren door concernfinancieringsmaatschappijen, pagina 27, wordt gezegd dat DNB vermoedt dat een deel van de in Nederland gevestigde concernfinancieringsmaatschappijen (CFM’s) niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor ontheffing van een bankvergunning. DNB start daarom dit jaar een onderzoek naar de activiteiten van de CFM’s. DNB schrijft

Van faciliterende instellingen zoals trustkantoren verwacht DNB dat zij zich bewust zijn van hun rol bij het voorkomen van illegale activiteiten door CFM’s.

27 februari 2013

Trustkantoor is financiële instelling

door mr R.W. van der Grinten

In tegenstelling tot wat enkele auteurs zoals Frielink (Toezicht trustkantoren in Nederland, eerste druk, pagina 2)  en Lugard (Tijdschrift voor Compliance, 2006-04) in het verleden meenden, zijn trustkantoren weldegelijk financiële instellingen. In het onderstaande arrest wordt in r.o. 5 vastgesteld dat: ´´Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen.´´

In het onderstaande arrest wordt bevestigd dat DNB niet op basis van een WOB procedure gesommeerd kan worden inzage te geven in allerhande niet publiek voorhanden zijnde stukken. Ook wordt bevestigd dat DNB wel rekening heeft te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals verwoord in de Awb.

Hierna volgt de integrale tekst van arrest 201208382/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK van de Raad van State

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B en S Management Rhoon B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard (hierna: BSMR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 inzaak nr. 10/3221 in het geding tussen:

BSMR

en

De Nederlandsche Bank N.V (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB een verzoek van BSMR om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2010 heeft DNB het door BSMR daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011 heeft de rechtbank het door BSMR daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door BSMR gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft BSMR bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 februari 2012 heeft het CBb zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van BSMR kennis te nemen en bepaald dat het hoger beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden doorgezonden aan de Afdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2012, waar BSMR, vertegenwoordigd door haar [directeur], en DNB, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam en mr. E. Kogan, werkzaam bij DNB, zijn verschenen.

Overwegingen

1.  Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a.  (…);

b.  (…);

c.  (…);

d.  andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, heeft De Nederlandsche Bank tot taak het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder toezichthouder verstaan: De Nederlandsche Bank N.V.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, worden gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, zijn ontvangen, niet gepubliceerd en zijn deze geheim.

Ingevolge het tweede lid is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, verkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (hierna: het Besluit) is als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob uitgezonderd: de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt en de Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de artikelen 2a, 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22, 25a, 46 en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006.

2.  Bij brief van 5 februari 2010 heeft BSMR DNB op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van vergunningaanvragen van BSMR, Adcomp en Forum. Tevens ziet het verzoek op dossiers over virtuele kamerverhuur en het risicoanalyse-dossier met betrekking tot advocatenkantoor Nauta Dutilh.

Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit is uitgezonderd van de toepassing van de Wob. Hiertoe heeft zij in aanmerking genomen dat onder artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 ook de toezichtwerkzaamheden vallen die zij op grond van de Wtt uitoefent.

Aan het besluit van 22 juli 2010 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van BSMR heeft DNB ten grondslag gelegd dat de Wob niet op haar van toepassing is, wat maakt dat haar beslissing op het verzoek van BSMR van 16 maart 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van deAlgemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

3.  De rechtbank heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verwijzing in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit naar de taken en de bevoegdheden van DNB op grond van artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 mede ziet op het toezicht uit hoofde van de Wtt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat DNB met betrekking tot de door BSMR opgevraagde informatie niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob.Voorts komt DNB op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wtt evenmin de bevoegdheid toe om de door BSMR gevraagde informatie openbaar te maken.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 16 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft DNB het door BSMR gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

4.  BSMR betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob. Hiertoe voert zij aan dat het toezicht dat aan DNB is toegewezen op grond van de Wtt niet valt onder de werkzaamheden genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Voorts heeft de rechtbank miskend dat zij niet als financiële instelling kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, nu zij geen financiële instelling is maar handelsactiviteiten onderneemt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de gevraagde documenten onder artikel 12 van de Wtt vallen.

5.  Mede gelet op haar uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr.<a target=”_blank” href=”http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=QM4ou8ZgxGM%3D”>201007835/1/H3</a>is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 16 maart 2010 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt.

Het verzoek van BSMR heeft betrekking op stukken die DNB op grond van de Wtt onder zich heeft.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat DNB met betrekking tot de door BSMR verzochte openbaarmaking van documenten als bestuursorgaan in de zin van de Wob is uitgezonderd. Nu de Wob op het verzoek van BSMR niet van toepassing is, wordt aan een toets aan artikel 2, eerste lid, van de Wob, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van de Wtt, niet toegekomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank met juistheid het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2010 vernietigd en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

6.  Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena  w.g. Klein

voorzitter  ambtenaar van staat

Tags: ,
20 februari 2013

DNB constateert verbeteringen bij trustkantoren

door Ellen Timmer

In een bericht in de nieuwsbrief van februari 2013 meldt DNB dat er bij trustkantoren verbeteringen zijn geconstateerd:

Red flags, de grote risico’s, onderzocht en aangepakt

Nieuwsbericht
Datum 15 februari 2013

Bevindingen en aanbevelingen van DNB zijn ter harte genomen. Veel trustkantoren toonden significante verbeteringen.

In 2012 heeft DNB in het project ‘red flags’ onderzoek gedaan naar elf trustkantoren. ‘Red flags’ zijn indicatoren op grond waarvan DNB een aanzienlijk integriteitsrisico vermoedt bij een individueel trustkantoor.

In 2012 heeft DNB in het project ‘red flags’ onderzoek gedaan naar elf trustkantoren. ‘Red flags’ zijn indicatoren op grond waarvan DNB een aanzienlijk integriteitsrisico vermoedt bij een individueel trustkantoor. Bij trustkantoren waar DNB in de onderzoeken heeft geconstateerd dat deze risico’s inderdaad aanwezig waren, hebben de trustkantoren op korte termijn maatregelen moeten nemen om de risico’s te mitigeren. In dat traject heeft DNB opgetreden door trustkantoren een plan van aanpak te laten opstellen en uitvoeren en in enkele gevallen heeft DNB maatregelen, waaronder aanwijzingen en normoverdragende gesprekken, getroffen.

Red flags
DNB heeft verschillende redenen om bepaalde gedragingen of omstandigheden als ‘red flag’ aan te merken. Zaken als track record, waaronder de bevindingen en conclusies van eerdere toezichtbezoeken, signalen uit de markt en eigen onderzoek van DNB kúnnen aanwijzingen leveren voor het bestaan van red flags bij een trustkantoor. Ook het accepteren van klanten die eerder door andere trustkantoren  zijn afgewezen om compliance/integriteitsredenen, is een potentiële red flag. Een combinatie van meerdere red flags bij één trustkantoor maakt DNB extra alert op mogelijke integriteitsrisico’s bij het betreffende trustkantoor.

Track-record
Een van de redenen om bij een trustkantoor een ‘red flag’ onderzoek te verrichten, kan gelegen zijn in eerdere bevindingen van DNB naar aanleiding van toezichtbezoeken bij het betreffende trustkantoor. In 2012 zijn in totaal zes trustkantoren om die reden nader onder de loep genomen. Het ging daarbij hoofdzakelijk om trustkantoren die in zorgwekkende mate onder de vereisten van de Wtt en Rib opereerden, zoals bleek uit eerdere bezoeken van de toezichthouder in 2011. Hierbij ging het vooral om elementaire informatie die ontbrak in de cliëntacceptatiedossiers en/of de kennis van de herkomst en bestemming van middelen serieus tekortschoot.

Verbeteringen
In 2012 heeft DNB kunnen constateren dat de meeste van deze trustkantoren de bevindingen en conclusies van DNB  uit 2011 serieus ter hand hadden genomen. Deze trustkantoren toonden significante verbeteringen op de eerdere geconstateerde gebreken. In bepaalde gevallen bewerkstelligde het trustkantoor deze verbeteringen zelf, in andere gevallen deden de trustkantoren daarvoor (mede) een beroep op een externe compliance officer.

In één geval bleek een trustkantoor echter onvoldoende vorderingen te hebben geboekt. DNB acht dit een zeer onwenselijke situatie en heeft in dit individuele geval een formele maatregel getroffen om het trustkantoor alsnog te bewegen de tekortkomingen op te lossen.

Geweigerde klanten
Tevens heeft DNB in 2012 vier ‘red flag’ onderzoeken gedaan bij trustkantoren die een prospect accepteerden die eerder bij een ander trustkantoor was geweigerd omwille van compliance-/integriteitsredenen. In twee gevallen is geconstateerd dat het trustkantoor de cliëntacceptatiedossiers en/of kennis van de herkomst en bestemming van middelen onvoldoende op orde heeft. Dit type klanten brengt mogelijk hogere integriteitsrisico’s mee voor het trustkantoor en vraagt om een extra kritische toets door het trustkantoor bij de cliëntacceptatie.

19 februari 2013

DNB onderzoekt gedrag & cultuur bij trustkantoren

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB.

Datum 15 februari 2013

In februari 2013 start DNB een onderzoek naar gedrag & cultuur bij 4 trustkantoren. Wat houdt dat in, toezicht op gedrag & cultuur en wat betekent dit onderzoek voor trustkantoren? Een interview met Melanie de Waal en Ingeborg Rademakers, toezichthouders bij het Expertisecentrum Cultuur, Organisatie en Integriteit van DNB.

Wat voor onderzoek gaat DNB doen?

‘In februari start onderzoek naar het gedrag & cultuur van twee grotere trustkantoren en twee kleinere trustkantoren. Daarvoor houden we gesprekken met de bestuursleden en de compliance officers, en zullen we ook vergaderingen bijwonen.    We kijken vooral naar de besluitvorming en leiderschap, de gedragspatronen en groepsdynamiek die deze kunnen versterken of verzwakken. Hierbij spelen de dieperliggende waarden en overtuigingen, ofwel de mindset, binnen een trustkantoor ook een rol. Al deze begrippen zijn nieuw voor de trustsector en het onderzoek zal mede behulpzaam zijn om bestuurders van trustkantoren hier meer inzicht in te bieden.’

Waarom besteedt DNB vanuit het toezicht aandacht aan gedrag & cultuur bij trustkantoren?

Het gedrag en de cultuur bij een trustkantoor heeft grote invloed op de financiële prestaties, de aandacht voor integriteitsrisico’s en de reputatie van trustkantoren, en daarmee breder ook op het vertrouwen in de financiële sector. Door binnen het toezicht specifiek te kijken naar gedrag en cultuur aspecten bij de trustkantoren kunnen we (integriteits)risico’s die samenhangen met het gedrag en de cultuur binnen een trustkantoor in een vroeg stadium op het spoor komen en beïnvloeden. Een dominante bestuurder die weinig tegenspraak duldt, loopt bijvoorbeeld het risico dat hij te weinig luistert naar de mening van de compliance officer, die hem waarschuwt voor bepaalde integriteitsrisico’s bij de cliëntacceptatie. Daardoor kunnen klanten geaccepteerd worden die niet voldoen aan de integriteitseisen.

Wat betekent dit onderzoek voor trustkantoren?

Trustkantoren spelen als poortwachter een belangrijke rol in het bewaken van de integriteit van de financiële sector. Zij hebben er belang bij dat het vertrouwen in de financiële sector niet wordt geschaad door gedrag dat een risico vormt voor hun prestaties, integriteit en reputatie en andersom.

DNB wil met dit onderzoek de bestuurders van de trustkantoren een spiegel voorhouden. Het zet aan tot discussie over het eigen gedrag en de eigen cultuur, waarbij zowel de goede voorbeelden als de verbeterpunten aan de orde komen. Daar waar wij risico’s signaleren, verwachten we dat trustkantoren zelf met verbeteracties komen en deze in gang zetten. De algemene resultaten van dit onderzoek zal DNB na afronding van het onderzoek presenteren aan de sector.

Tags: ,
19 februari 2013

DNB doet in 2013 onderzoek naar doorstroomvennootschappen

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB over onderzoek naar doorstroomvennootschappen.

Datum 15 februari 2013

Begin 2013 is DNB een themaonderzoek gestart naar doorstroomvennootschappen bij trustkantoren. De cliënten van doorstroomvennootschappen, ook wel ‘inhouse’-vennootschappen genoemd, vallen namelijk sinds 1 juli 2012 onder de Wtt.

Start themaonderzoek doorstroomvennootschappen

Sinds 1 juli 2012 vallen de doorstroomvennootschappen binnen de reikwijdte van de Wtt en daarmee binnen het toezicht van DNB, omdat aan de cliënten van deze doorstroomvennootschappen en de transacties die daarmee gepaard gaan integriteitsrisico’s zijn verbonden. Deze risico’s zijn voor DNB voldoende aanleiding om begin 2013 het themaonderzoek ‘Doorstroomvennootschappen bij trustkantoren’ te starten.

In dit onderzoek kijkt DNB naar de dienstverlening aan cliënten via doorstroomvennootschappen en in het bijzonder naar consultancydiensten, waar DNB in 2012 uitvoerig onderzoek naar heeft gedaan, leningen en royalties. Binnen één doorstroomvennootschap worden vaak verschillende cliënten bedient en zijn er dus meerdere geldstromen. Dit bemoeilijkt de monitoring van de geldstromen alsook het inzicht in de onderbouwing van de transacties, wat doorstroomvennootschappen tot een risicovolle trustdienst maakt.    Van de trustkantoren wordt verwacht dat ze de clientacceptatiedossiers voor de cliënten in de doorstroomvennootschapen op gelijke wijze inrichten als voor bestaande Wtt-klanten. DNB zal bij onvoldoende naleving van de normen bij doorstroomvennootschappen direct handhavend kunnen optreden.

Doorstroomvennootschap

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd waardoor als trustdienst wordt aangemerkt het ten behoeve van een cliënt gebruikmaken van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor.    De wettelijke verplichtingen zien niet alleen op bestaande trustkantoren. Ook andere  partijen, onder meer belastingadviseurs en juridisch adviesbureaus, die voor hun cliënten gebruik maken van deze zogenoemde inhouse- of doorstroomvennootschappen zijn verplicht een trustvergunning aan te vragen. Een voorbeeld van een doorstroomvennootschap bij een niet-trustkantoor is de belastingadviseur die zijn cliënt een royaltystructuur adviseert en tevens aanbiedt dat de cliënt voor deze structuur gebruik kan maken van een vennootschap van de belastingadviseur.

Eisen aan de bedrijfsvoering

De wettelijke eisen die gelden voor de dienstverlening aan cliënten door middel van een eigen doorstroomvennootschap zijn vergelijkbaar met de Wtt-normen zoals die gelden voor doelvennootschappen van trustkantoren. Zo bepaalt de wet dat het trustkantoor moet voldoen aan de ‘ken-uw-klant’ eisen  en de verdere vereisten voor cliëntacceptatie; zoals kennis van het doel van de  dienstverlening aan de cliënt en de herkomst en bestemming van de middelen. Tot slot zal het trustkantoor ook een individuele risicoanalyse moeten maken van de cliënt.

Aandacht voor Meldingen Ongebruikelijke Transacties

DNB besteedt in 2013 extra aandacht aan het wijzen van trustkantoren op de verplichting om Meldingen Ongebruikelijke Transacties (MOT) te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU). Ook voor ongebruikelijke transacties van cliënten in doorstroomvennootschappen geldt dat trustkantoren deze moeten melden aan FIU-Nederland. DNB verwijst voor extra informatie, uitleg over de meldindicatoren en FAQ over MOT-meldingen naar de website van FIU-Nederland.

19 februari 2013

Wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013 in werking getreden

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB over de wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013.

Datum 5 februari 2013

Op 1 januari 2013 is een wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) in werking getreden die strekt tot aanvulling en verbetering van de wet. DNB vindt het belangrijk dat instellingen bijdragen aan een schone sector en zich niet inlaten met financieel economische criminaliteit. De aanpassingen van de WWFT verduidelijken onder andere het cliëntenonderzoek, waardoor doelgerichter toezicht kan plaatsvinden.

Aanpassingen cliëntenonderzoek

De meeste wijzigingen betreffen een verduidelijking van de bepalingen over het cliëntenonderzoek. De WWFT bepaalt nu duidelijker dat de instelling de uiteindelijk belanghebbende altijd geïdentificeerd moet hebben, maar dat de verificatie risicogebaseerd kan plaatsvinden. Tevens bepaalt de wet dat de instelling de verzamelde informatie over de cliënt actueel moet houden. Ook zijn nu expliciete bepalingen opgenomen voor het identificeren en verifiëren van de vertegenwoordiger, de personenvennootschap en de trust. Een groot deel van de aangescherpte bepalingen waren al in de DNB Leidraad WWFT/SW opgenomen en zijn daarom al gangbare praktijk voor de banken en de levensverzekeraars. Met andere woorden, de wet is explicieter geworden.

Vereisten voor PEP’s

Een nieuw vereiste is dat de instelling niet alleen van de cliënt, maar nu ook van de uiteindelijk belanghebbende moet controleren of deze een politiek prominent persoon (politically-exposed person, PEP) is. Ook nieuw is het vereiste dat PEP’s die in Nederland wonen maar een niet-Nederlandse nationaliteit hebben, onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Voor levensverzekeraar is er echter een uitzondering gemaakt voor deze extra maatregelen voor buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen.    Door de nieuwe maatregelen die voor PEP’s zijn gaan gelden, dienen instellingen over het algemeen hun systemen aan te passen. DNB heeft daarom besloten tot 1 april 2013 een zekere coulance te betrachten bij het handhaven van die gewijzigde bepalingen die een materiele aanpassing van de systemen vereisen.

Monitoring en melden ongebruikelijke transacties

De WWFT stelt nu ook expliciet dat instellingen aandacht moeten besteden aan ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die naar hun aard een hoger risico inhouden. Ook moeten instellingen maatregelen te treffen ter voorkoming van risico’s die samenhangen met het gebruik van nieuwe technologieën. Een verdere wijziging betreft de bepaling dat de meldtermijn voor ongebruikelijke transacties weer onverwijld is geworden. Dit was overigens al zo onder de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties die in 2008 is ingetrokken bij de inwerkingtreding van de WWFT.

WWFT thema-onderzoeken

DNB start in 2013 weer diverse thema-onderzoeken waarbij DNB onder meer zal kijken naar de naleving van de WWFT. Instellingen die in deze thema-onderzoeken betrokken worden, zijn bijkantoren van in Nederland gevestigde buitenlandse banken waarbij aandacht zal worden besteed aan controles van het betalingsverkeer en correspondentrelaties, en banken en levensverzekeraars waarbij de voortdurende controle van klanten en monitoring van activiteiten aan de orde zal komen.

Tags: , ,
7 februari 2013

Presentatie “De consequenties voor de trustbranche van de flex-bv en wet bestuur & toezicht” 24 januari 2013

door Ellen Timmer

Degenen die belangstelling hebben voor mijn powerpoint presentatie van 24 januari jl. “De consequenties voor de trustbranche van de flex-bv en wet bestuur & toezicht” (zie het bericht over de bijeenkomst) kunnen deze via onderstaande links downloaden:

Tags:
7 februari 2013

Europese Commissie kondigt nieuwe antiwitwasverordening aan, “Bestrijding van witwassen van geld: nieuwe uitdagingen vergen strengere regels”

door Ellen Timmer

Onderstaand het persbericht van de Europese Commissie van 5 februari 2013:

Bestrijding van witwassen van geld: nieuwe uitdagingen vergen strengere regels

De Commissie heeft vandaag twee voorstellen goedgekeurd om de bestaande Europese regels in de strijd tegen witwassen van geld en geldovermakingen te verstrengen. Witwaspraktijken en terrorismefinanciering vormen bedreigingen die voortdurend van gedaante veranderen en de regels daarvoor moeten dan ook regelmatig aangepast worden.

Michel Barnier, commissaris voor Interne Markt en Diensten, hierover: “De Unie staat internationaal in de frontlijn bij het bestrijden van witwassen van misdaadgeld. Dergelijke geldstromen kunnen de stabiliteit en de reputatie van de financiële sector beschadigen terwijl terrorisme de grondvesten van onze samenleving aantast. Naast de strafrechtelijke benadering is het ook mogelijk witwaspraktijken een halt toe te roepen met een preventieve aanpak via het financiële stelsel. Wij willen duidelijke regels voorstellen om banken, juristen en accountants en alle beroepscategorieën die hierbij betrokken zijn, tot meer waakzaamheid aan te zetten.”

Cecilia Malmström, commissaris voor Binnenlandse Zaken, zegt: “Misdaadgeld mag in onze economie geen plaats krijgen, of het nu afkomstig is van drugs, illegale wapenhandel of mensenhandel. Wij moeten ervoor zorgen dat de georganiseerde misdaad niet de kans krijgt zijn geld wit te wassen in het bankenstelsel of in de goksector. Om vooral in tijden van crisis de legale economie te beschermen, mogen er in de wet geen mazen zijn waarlangs criminele of terroristische organisaties kunnen wegglippen. Onze banken mogen nooit dienen als witwasmachines voor maffiageld of om de financiering van terrorisme mogelijk te maken.”

Het vandaag goedgekeurde pakket van maatregelen is een aanvulling op andere acties die de Commissie heeft ondernomen of gepland in de strijd tegen misdaad, corruptie en belastingontduiking. Het pakket omvat:

• een richtlijn tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

• een verordening inzake informatie die bij geldovermakingen moet worden gevoegd om een vlotte traceerbaarheid van deze geldovermakingen te verzekeren.

Deze twee voorstellen zijn volledig in overeenstemming met de jongste aanbevelingen [1] van de financiële actiegroep (Financial Action Task Force – FATF) (zie MEMO/12/246), de mondiale autoriteit in de strijd tegen witwassen van geld en terrorismefinanciering, en zorgen ervoor dat op een aantal gebieden nieuwe ruimte komt voor toepassing van de best mogelijke regels om witwaspraktijken en financiering van terrorisme tegen te gaan.

De twee voorstellen gaan in het bijzonder uit van een beter afgestemde en meer gerichte risicobenadering.

De nieuwe richtlijn bevat volgende elementen:

• zij zorgt voor duidelijker en meer samenhangende regels in de lidstaten

• door de invoering van een duidelijk mechanisme om de uiteindelijke begunstigden te identificeren. Daarnaast zullen ondernemingen verplicht worden informatie bij te houden over de identiteit van de personen die in werkelijkheid achter de vennootschap staan.

• door meer duidelijkheid en transparantie te brengen in de regels betreffende cliëntenonderzoek, zodat er passende controles en procedures worden ingevoerd waardoor ondernemingen de cliënten met wie zij zaken doen, beter kennen en beter begrijpen om welk soort activiteiten het gaat. Hierbij moet wel duidelijk worden gemaakt dat vereenvoudigde procedures niet verkeerd mogen worden begrepen alsof zij daarmee volledig vrijgesteld zouden zijn van maatregelen op het gebied van cliëntenonderzoek.

• en door ruimer gebruik van de bepalingen inzake politiek prominente personen (namelijk personen die wegens de politieke functie die zij bekleden, sterker blootgesteld zijn aan het risico voor corruptie), zodat de regeling nu ook betrekking heeft op “binnenlandse” (in EU-lidstaten wonende) (naast “buitenlandse”) politiek prominente personen en op deze personen in internationale organisaties. Het gaat onder meer om staats- of regeringsleiders, parlementsleden en rechters van de hoogste rechtscolleges.

• de richtlijn krijgt een breder toepassingsgebied om nieuwe dreigingen en zwakke punten te kunnen aanpakken

• door bijvoorbeeld de toepassing te verruimen tot de goksector (terwijl de vroegere richtlijn alleen gold voor casino’s) en door een uitdrukkelijke vermelding van fiscale misdrijven.

• voor de strijd tegen witwassen van geld gelden de strengste regels

• omdat de voorschriften verder gaan dan die van de FATF en binnen het toepassingsgebied nu alle personen vallen die goederen leveren of diensten verstrekken voor een contante betaling van 7 500 EUR of meer. Volgens een aantal belanghebbenden was de huidige drempel van 15 000 EUR immers niet toereikend. Deze personen vallen nu onder de richtlijn en het zal dus nodig zijn voor hen cliëntenonderzoek te verrichten, bewijsstukken te bewaren, interne controles uit te voeren en verslagen over verdachte transacties op te stellen. Hierbij zij vermeld dat de richtlijn voor minimale harmonisering zorgt en lidstaten maatregelen kunnen nemen die verder gaan dan deze drempel.

• de richtlijn versterkt de samenwerking tussen de verschillende financiële inlichtingeneenheden, die tot taak hebben de verslagen over verdachte transacties op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die zij ontvangen, te analyseren en te verspreiden onder de bevoegde autoriteiten.

De twee voorstellen voorzien in een versterking van de sanctiebevoegdheden van de autoriteiten die met deze taken belast zijn, door de invoering van een reeks minimale principes bijvoorbeeld om strengere bestuursrechtelijke sancties op te leggen, en door hen te verplichten tot coördinatie in geval van grensoverschrijdend optreden.

Achtergrond:

Naast de publicatie van een herziene reeks internationale normen in februari 2012 (IP/12/357) is de Commissie met de invoering van de noodzakelijke veranderingen snel overgegaan tot een update van het Europese regelgevingskader. Gelijklopend daarmee is de Commissie gestart met de herziening van de derde antiwitwasrichtlijn en daarbij is gebleken dat het bestaande regelgevingskader moest worden geactualiseerd om alle vastgestelde tekortkomingen te verhelpen.

De voorgestelde actualisering van de wetgeving moet nog volgens de normale wetgevingsprocedure worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van ministers.

Voor nadere informatie:

http://ec.europa.eu/internal_market/company/financial-crime/index_en.htm.

[1] http://www.fatf-gafi.org/

De Europese Commissie verwijst naar een pagina waar de voorstellen en een toelichting zijn te vinden:

05.02.2013

The Commission adopts two proposals to update and improve the EU’s existing legal framework designed to protect the financial system against money laundering and terrorist financing.