Posts tagged ‘uiteindelijk belanghebbende’

22 juli 2020

De bekwaamheid van de ubo van het trustkantoor, de crypto-aanbieder en de wisselinstelling | Wwft

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 15 juli jl. werden de antwoorden van de de Minister van Financiën gepubliceerd inzake het nieuwste Wwft-wijzigingsvoorstel, dat voor trustkantoren relevant is omdat voorgesteld wordt de ubo’s van trustkantoren te toetsen.

Paragraaf 1 van de nota naar aanleiding van het verslag geeft een mooi beeld van de juridische puinhoop die het financiële ministerie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft gemaakt, waarbij men zich achter Europa probeert te verschuilen.

In paragraaf 3 van de nota wordt op de administratieve lasten, nalevingskosten en toezichtlasten ingegaan, die zoals bij alle witwasbestrijdingsregelgeving aanzienlijk en niet-proportioneel zullen zijn.

De bekwaamheid van de ubo
Het hoogtepunt is in paragraaf 2 van de nota te vinden.

In die paragraaf wordt het fascinerende thema van de de toetsing van de uiteindelijk belanghebbenden (ubo’s) van trustkantoren, crypto-aanbieders en wisselinstellingen besproken. Interessant is dat niet alleen wordt getoetst op betrouwbaarheid, maar ook op ‘bekwaamheid‘, wat vreemd is voor iemand die geen beleidsbepaler of statutair bestuurder is. In de tekst over die bekwaamheid worden er omstandigheden bij gehaald die irrelevant zijn voor het zijn van ubo:

De beoordeling of een uiteindelijk belanghebbende voldoende bekwaam is, vindt grotendeels plaats aan de hand van de eerdere ervaringen die de uiteindelijk belanghebbende heeft met het zijn van uiteindelijk belanghebbende van andere entiteiten, het investeringsverleden van de uiteindelijk belanghebbende, zijn of haar curriculum vitae, en zijn of haar ervaring met trustkantoren, wisselinstellingen of aanbieders. Ook eventuele berichtgeving in de media over de uiteindelijk belanghebbende wordt meegenomen in de beoordeling.

Bij de beoordeling van de bekwaamheid wordt voorts rekening gehouden met de invloed die de uiteindelijk belanghebbende kan uitoefenen op het trustkantoor, wisselinstelling of aanbieder. Dit betekent dat de eisen voor een uiteindelijk belanghebbende met een kleine mate van invloed op de instelling lager kunnen zijn dan voor een uiteindelijk belanghebbende met meer invloed. Ook wordt door de toezichthouder naar de aard van de (beoogde) activiteiten van het trustkantoor, wisselinstelling of aanbieder gekeken.

Bij de bekwaamheidstoets wordt dus gekeken naar een samenstel van verschillende aspecten die beoordeeld worden. Indien hieruit een positief beeld ontstaat en de toezichthouder heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de uiteindelijk belanghebbende buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en gedragingen, dan wordt betrokkene geacht een goede reputatie te bezitten.

 

Dit is klinkklare nonsens.

Ervaring met het type onderneming is alleen relevant voor (mede)beleidsbepalers, zoals bestuurders. In deze tekst wordt  een gewone geschiktheidstoetsing naar binnen gehaald, ondanks de tekst voorafgaand over (mede)beleidsbepalers.

Het is simpel: als de ubo beleidsbepaler is, dan wordt op hem/haar de beleidsbepalerstoetsing toegepast. Als de ubo geen beleidsbepaler is, is alleen relevant of hij betrouwbaar is (geen negatieve antecedenten heeft) en of hij geen persoonlijke eigenschappen heeft die een negatieve rol hebben bij het uitoefenen van de bevoegdheden als ubo (oftewel het optreden in een aandeelhoudersvergadering).

Voorbeeld: stel dat alle aandelen van het trustkantoor worden gehouden door een stichting administratiekantoor, bestuurd door vader X, die ook statutair bestuurder is van het trustkantoor en in die hoedanigheid getoetst door DNB. De stichting administratiekantoor heeft certificaten van aandelen uitgegeven aan de tien-jarige zoon van X. Als certificaathouder heeft hij geen enkele bevoegdheid maar hij is wel de ubo van het trustkantoor. De jongeman heeft nog geen antecedenten. Als ubo-certificaathouder lijkt hij mij zeer bekwaam om ubo te zijn.

Tot slot

Het is indrukwekkend, maar dat zijn we niet anders gewend als het om witwasbestrijding gaat.

21 mei 2015

European Parlement adopted 4th Anti Money Laundering Directive

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Yesterday the European Parlement adopted 4th Anti Money Laundering Directive (‘AMLD4′). The press release is to be found here and in my article on my weblog.
More information on my weblog: posts with the tag ‘4e Europese antiwitwasrichtlijn’; page on AMLD4. Those interested in the ubo-register can look at the ubo-register weblog.

16 december 2014

Journalisten en activitisten willen een openbaar ubo-register | veiligheid en privacy van ubo’s is voor hen niet van belang

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In de discussies die rondom het register van uiteindelijk belanghebbenden (“ubo’s”), dat Europa op basis van de Vierde Antiwitwasrichtlijn wil creëren, is interessant te zien dat vanuit de hoek van private organisaties als Transparency International en de onderzoeksjournalistiek wordt aangedrongen op volledige openbaarheid van de ubo-gegevens. De risico’s dat ‘de goeden onder de kwaden moeten lijden’ worden door hen niet onder ogen gezien.

Op een site van Engelstalige onderzoeksjournalisten is in een artikel van vandaag te lezen dat zij groot bezwaar hebben tegen een besloten karakter van het ubo-register:

The exemption could make it far harder for public interest journalists and campaigners to collect information on a company or trust’s true “beneficial owners”.

De interessante vraag in dit verband is of de belangen van deze zelf benoemde ‘onderzoekers’ voldoende reden zijn om de ubo-registers volledig openbaar te maken. Als de registers volledig openbaar zouden worden, biedt dit een gouden kans voor criminelen om aan informatie over interessante doelwitten te komen. Nederland heeft met de informatievoorziening aan criminelen al de nodige ervaring mee opgedaan. Niet voor niets zijn mensen niet blij als ze op de Quote-lijst komen te staan en niet voor niets heeft de Kamer van Koophandel besloten om adressen van bestuurders van rechtspersonen af te schermen.

Het is dus te hopen dat men in Europa zo verstandig zal zijn om te kiezen voor niet-openbaarheid van de ubo-registers.

Meer informatie

Voorstanders van een volledig openbaar register:

Mijn artikel op dit blog ‘The 4th European Anti-Money Laundering Directive is in its final stage | last trilogue today‘ met verwijzing naar nadere informatie.

12 augustus 2013

Wijziging Wet toezicht trustkantoren in het voorstel Wijzigingswet financiële markten 2014

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In een op 31 juli jl. ingediende nota van wijziging in het kader van de behandeling van het voorstel Wijzigingswet financiële markten 2014 wordt ook tekst inzake de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) aangepast. Onderstaand volgen allereerst de voorgestelde wijzigingen en vervolgens de toelichting.

Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:

  • Definitie van dienstverlening door een trustkantoor.
  • Definitie van het begrip “uiteindelijk belanghebbende“;
  • De grondslag voor het stellen van regels aan trustkantoren met het oog op een integere bedrijfsvoering.
  • Uitbreiding van de aanwijzingsbevoegdheid.
  • Afstemming tussen Wtt en Wwft.
  • Wijziging van de Wet op de economische delicten.

Wijzigingsvoorstel

S
Artikel XIV, onderdeel A, komt te luiden:

A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:
c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die:
1°. een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een rechtspersoon;
3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een rechtspersoon;
4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust is; of
5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust;
tenzij die rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/334/EG van de Raad (PbEU 2004, L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;

2. Onderdeel d wordt als volgt gewijzigd:
a. Subonderdeel 1 komt te luiden:
1°. het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap in opdracht van een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die niet tot dezelfde groep behoort als degene die bestuurder of vennoot is; .
b. In subonderdeel 2 vervalt “als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt” en wordt “tot dezelfde groep behorende” vervangen door: tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende.
c. In subonderdeel 4 wordt “een, niet tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende” vervangen door: een niet tot dezelfde groep behorende. d. In subonderdeel 5 wordt “een vennootschap, die tot dezelfde groep behoort als waarvan het trustkantoor deel uit maakt” vervangen door: een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als degene die gebruik maakt van de vennootschap.

T
Artikel XIV, onderdeel D, subonderdeel 1, komt te luiden:
1. In de aanhef wordt na “begrepen” ingevoegd “regels omtrent het al dan niet op verzoek verstrekken van gegevens door trustkantoren, alsmede” en wordt “, zodanig dat” vervangen door: alsmede die ertoe strekken dat.

U
Artikel XVI, onderdeel A, komt te luiden:
A
Artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. In subonderdeel 1 wordt “die ingevolge artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, van die wet geregistreerd is” vervangen door: , niet zijnde een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap waarvoor op grond van artikel 2:11, tweede lid, of artikel 2:16, vierde lid, van die wet geen vergunning tot uitoefening van het bedrijf van bank vereist is;.
2. Subonderdeel 2 komt te luiden:
2°. degene die, geen bank zijnde, in hoofdzaak zijn bedrijf maakt van het verrichten van een of meer van de werkzaamheden die zijn opgenomen onder punt 2, 3, 5, 6, 9, 10 en 12 van Bijlage I van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU 2006, L 177);.

V
In artikel XVI wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ba
Artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. In subonderdeel 2 wordt “met zetel in Nederland” vervangen door: waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren is verleend.
2. In subonderdeel 4 wordt “een instelling als bedoeld onder 2°” vervangen door: een instelling als bedoeld onder 1° of 3°.

W
Aan artikel XVI worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

E
In de artikelen 26 en 27 wordt “de artikelen 2, 3, eerste tot en met derde en zevende lid,” tot en met “34 en 35 van deze wet” telkens vervangen door “de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3, eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste, tweede en vierde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde lid, 9, eerste lid, 10, tweede lid, 11, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, tweede lid, 23, eerste tot en met derde lid, 32, 33, 34, en 35 en 38, eerste, tweede en vierde lid, van deze wet” en wordt de punt aan het eind van het eerste lid telkens vervangen door: , alsmede ter zake van het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 32 gegeven aanwijzing.

F
Artikel 32 komt te luiden:

Artikel 32
Indien een instelling niet voldoet aan haar verplichtingen op grond van de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3, eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste, tweede en vierde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde lid, 9, eerste lid, 10, tweede lid, 11, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, tweede lid, 23, eerste tot en met derde lid, 32, 33, 34, 35 en 38, eerste, tweede en vierde lid, van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU 2010, L 345) en het bepaalde in Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2010, L 302), kan de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon door middel van het geven van een aanwijzing de instelling verplichten binnen een door de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon gestelde termijn een bepaalde gedragslijn te volgen.

X
Na artikel XIX wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIXa
Artikel 1, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:
1. In de zinsnede met betrekking tot de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme wordt “de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23 eerste en tweede lid, 33 en 34” vervangen door: de artikelen 2, 2a, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste, tweede en vierde lid, 8, 9, eerste lid, 16, 17, tweede lid, 23, eerste tot en met derde lid, 32, 33, 34, en 38, eerste, tweede en vierde lid.
2. In de zinsnede met betrekking tot de Wet toezicht trustkantoren wordt “de artikelen 2, eerste en derde tot en met vijfde lid,” vervangen door: de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, 2a,.

Toelichting op de voorgestelde wijzigingen

S
In artikel 1, onderdeel d, wordt het begrip dienst gedefinieerd, ter afbakening van de werkzaamheden die vallen onder de vergunningplicht van de Wet toezicht trustkantoren. Het begrip dienst is onderdeel van de definitie van het begrip trustkantoor in onderdeel a. Zodoende kan het gebruik van de term trustkantoor in de definitie van dienst leiden tot verwarring, nu het lijkt alsof daarmee de definitie van trustkantoor indirect naar zichzelf verwijst. Om dit te vermijden wordt de term trustkantoor geschrapt uit de definitie van dienst in onderdeel d. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

T
Artikel 10 bevat de grondslag voor het stellen van regels aan trustkantoren met het oog op een integere bedrijfsvoering. In die regels worden trustkantoren ondermeer verplicht desgevraagd inlichtingen te verstrekken over (voormalige) personeelsleden aan een ander trustkantoor of financiële instelling. Voor alle duidelijkheid wordt met de onderhavige wijziging de bevoegdheid tot het stellen van regels ter zake geëxpliciteerd in deze grondslag.

U
In onderdeel U wordt een wijziging van artikel 1, onderdeel a, onder 2°, ingevoegd. De wijziging strekt ertoe de reikwijdte van de Wwft nader af te stemmen op de derde witwasrichtlijn [4]. Thans wordt in dit onderdeel verwezen naar de definitie van financiële instelling in de Wet op het financieel toezicht. Die definitie ziet echter mede op “het verwerven of houden van deelnemingen”, hetgeen buiten de reikwijdte van de derde witwasrichtlijn valt. Om die reden wordt de verwijzing naar die definitie vervangen door de inhoud van die definitie, onder weglaten van het bedoelde element. Ook is de verwijzing naar bepaalde punten van bijlage I bij de herziene richtlijn banken [5] niet overgenomen uit die definitie, nu de daar bedoelde werkzaamheden reeds zijn benoemd in andere subonderdelen van artikel 1, onderdeel a, van de Wwft: punt 4 overlapt met subonderdeel 20, de punten 7, 8 en 11 overlappen met subonderdeel 6, en punt 15 overlapt met subonderdeel 22.

V
In artikel 5, eerste lid, van de Wwft is geregeld dat het verplichte cliëntenonderzoek onder voorwaarden door een derde kan worden uitgevoerd. In onderdeel a zijn de categorieën derden aangewezen die daarvoor in aanmerking komen. Daarbij is telkens als vereiste opgenomen dat de derde zijn zetel in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie heeft, met uitzondering van trustkantoren waarvoor een zetel in Nederland is vereist. Echter, de vergunningplicht in de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) is per 1 juli 2012 uitgebreid tot het met zetel buiten Nederland verrichten van trustdiensten naar Nederland. In aansluiting daarbij wordt in subonderdeel 2 het vereiste van een zetel in Nederland vervangen door het vereiste van een vergunning op grond van de Wtt. In subonderdeel 4 is geregeld dat de derde zijn zetel ook kan hebben in een andere staat indien deze daartoe door de Minister van Financiën is aangewezen. Daarbij is ten onrechte verwezen naar subonderdeel 2 (trustkantoren), terwijl juist verwezen moest worden naar subonderdelen 1 (financiële instellingen) en 3 (juridische dienstverleners). Dit wordt hersteld met de wijziging in het nieuwe onderdeel Ba.

W
Toezichthouders kunnen thans een aanwijzing geven aan instellingen in geval van overtreding van de voorschriften inzake de melding van ongebruikelijke transacties en de opleiding van personeel. In de toezichtpraktijk is gebleken dat het instrument van de aanwijzing ook ten aanzien van andere voorschriften van nut kan zijn. De wijziging van artikel 32 strekt ertoe de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing uit te breiden tot alle voorschriften waarvan overtreding bedreigd wordt met een boete. Door een verwijzing naar artikel 32 op te nemen in de artikelen 26 en 27 kan ook voor het niet naleven van een aanwijzing een boete of een last onder dwangsom worden opgelegd.

X
De wijziging van de Wet op de economische delicten strekt tot strafbaarstelling van overtreding van de voorschriften die bij wetswijziging van 1 januari 2013 (Stb. 2012, 686) zijn opgenomen in de Wwft. Die voorschriften liggen op het terrein van het verplichte cliëntenonderzoek en de meldingsplicht inzake ongebruikelijke transacties. De wijziging van de Wet op de economische delicten strekt voorts tot strafbaarstelling van overtreding van de vergunningplicht die per 1 juli 2012 (Stb. 2011, 610) is ingevoerd in de Wet toezicht trustkantoren. Die vergunningplicht geldt voor het als trustkantoor werkzaam zijn door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

Noten
[4] Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PbEU 2005, L 309).
[5] Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU 2006, L 177).

Aanvulling 8 oktober 2013

Inmiddels is het wetsvoorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014” aangenomen door de Tweede Kamer. Het lijkt er op dat de voorstellen waarover ik hierboven schreef zijn overgenomen. De wijzigingstekst inzake de Wtt, als opgenomen in artikel XIV luidt als volgt:

ARTIKEL XIV
De Wet toezicht trustkantoren wordt als volgt gewijzigd:

A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die:
1°. een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een rechtspersoon;
3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een rechtspersoon;
4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust is; of
5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust; tenzij die rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/334/EG van de Raad (PbEU 2004, L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;

2. Onderdeel d wordt als volgt gewijzigd:

a. Subonderdeel 1 komt te luiden:

1°. het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap in opdracht van een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die niet tot dezelfde groep behoort als degene die bestuurder of vennoot is;.

b. In subonderdeel 2 vervalt «als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt» en wordt «tot dezelfde groep behorende» vervangen door: tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende.

c. In subonderdeel 4 wordt «een, niet tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende» vervangen door: een niet tot dezelfde groep behorende.

d. In subonderdeel 5 wordt «een vennootschap, die tot dezelfde groep behoort als waarvan het trustkantoor deel uit maakt» vervangen door: een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als degene die gebruik maakt van de vennootschap.

B
In artikel 2a wordt «artikel 2, eerste, tweede of derde lid,» telkens vervangen door: de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels,.

C
In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 2, derde lid» vervangen door: artikel 2a, eerste lid.

D
Artikel 10, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt na «begrepen» ingevoegd «regels omtrent het al dan niet op verzoek verstrekken van gegevens door trustkantoren, alsmede» en wordt «, zodanig dat» vervangen door: alsmede die ertoe strekken dat.

2. De onderdelen a en b komen te luiden:

a. het trustkantoor cliëntenonderzoek verricht dat het trustkantoor onder meer in staat stelt de identiteit te kennen van de cliënt en de uiteindelijk belanghebbende of over informatie te beschikken waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is;
b. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap, de trust of de vennootschap waarvan het trustkantoor gebruikmaakt in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 5°;.

3. In onderdeel e wordt «de uiteindelijk belanghebbende» vervangen door «de cliënt of de uiteindelijk belanghebbende» en wordt de punt aan het eind van subonderdeel 4° vervangen door een puntkomma.

4. Onderdeel f komt te luiden:

f. het trustkantoor bij het bemiddelen bij de verkoop van een vennootschap in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 3°, de identiteit kent van de koper en de verkoper en van de uiteindelijk belanghebbende van de koper en de verkoper;.

5. Onderdeel h wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:

h. het trustkantoor kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden;
i. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien niet wordt voldaan aan onderdeel a.

4 juli 2013

Bericht DNB over doorstroomvennootschappen

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag heeft DNB een nieuwsbrief uitgebracht waarin onder meer het nieuwe fenomeen doorstroomvennootschappen aan de orde komt. DNB schrijft:

Doorstroomvennootschappen van trustkantoren onderzocht door DNB

Nieuwsbericht
Datum 4 juli 2013

DNB constateert grote integriteitsrisico’s bij trustkantoren die Ubo-Ubo structuren in combinatie met adviesdiensten of handelsactiviteiten mogelijk maken via eigen doorstroomvennootschappen. Dienstverlening via deze structuren vergroot de risico’s op het witwassen van geld door cliënten.

Dit voorjaar heeft DNB onderzoek gedaan bij vier trustkantoren naar de dienstverlening via zogenoemde doorstroomvennootschappen. Doorstroomvennootschappen (of inhouse-vennootschappen) zijn vennootschappen die tot dezelfde groep behoren als het trustkantoor en gebruikt worden voor de dienstverlening aan klanten. Deze vorm van dienstverlening valt sinds juli 2012 onder de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) en daarmee onder het toezicht van DNB.

Uit het onderzoek blijkt dat trustkantoren deze doorstroomvennootschappen voor zeer verschillende vormen van dienstverlening gebruiken. Van diensten voor bedrijven die rechten op intellectueel eigendom en image rights exploiteren tot diensten voor consultancybureaus. Handels- en financieringsactiviteiten, zoals het uit- en doorlenen van een door de cliënt verstrekte lening of eenmalige financiële transacties, zijn ook diensten die trustkantoren via doorstroomvennootschappen hun cliënten aanbieden.

Risicostructuren
In een aantal gevallen blijkt deze vorm van dienstverlening een verhoogde kans op integriteitrisico’s met zich mee te brengen, zo constateert DNB. Bijvoorbeeld in geval een doorstroomvennootschap diensten afneemt van een cliënt, en deze vervolgens aan een onderneming van diezelfde cliënt levert; ook wel ultimate beneficial owner (UBO) genoemd. Deze zogenaamde ‘ubo-ubo structuren’ worden vooral gebruikt voor consultancy diensten en handelsactiviteiten.

Een praktijkvoorbeeld hiervan is een structuur waarbij de cliënt, een vennootschap, de doorstroomvennootschap inhuurde voor het doen van internationaal marktonderzoek op het gebied van telecommunicatie. De doorstroomvennootschap huurde vervolgens een buitenlandse vennootschap in om dit marktonderzoek feitelijk uit te voeren. Vervolgens bleek dat de UBO van deze buitenlandse vennootschap ook de UBO en/of directeur van de cliënt was, die in eerste instantie de doorstroomvennootschap inhuurde voor het uitvoeren van het betreffende marktonderzoek. In een dergelijke situatie is het voor een trustkantoor lastig om vast te stellen of het marktonderzoek daadwerkelijk en tegen een redelijke prijs wordt uitgevoerd, en of de structuur niet gebruikt wordt voor bijvoorbeeld het witwassen van geld.

Verplichting
Trustkantoren zijn bij deze dienstverlening verplicht op grond van artikel 16a Regeling interne bedrijfsvoering Wtt (Rib), vast te stellen of, net als bij ‘reguliere’ consultancy doelvennootschappen, de geleverde consultancy diensten daadwerkelijk zijn geleverd én of de afgesproken prijs redelijk is. Dit is noodzakelijk om de integriteitsrisico’s te beperken.

DNB heeft de betreffende trustkantoren gewezen op de geconstateerde verhoogde integriteitrisico’s en ziet er op toe dat zij passende maatregelen nemen om deze risico’s op te sporen en te beperken. Bijvoorbeeld door deze klanten regelmatiger te monitoren en hun cliëntendossiers vaker te reviewen. Een aantal trustkantoren heeft inmiddels afscheid genomen van klanten met dergelijke hoog risicostructuren. Wanneer de betreffende trustkantoren onvoldoende maatregelen nemen zal DNB handhavend optreden.

16 mei 2013

Nieuwe wijzigingen van de Wet toezicht trustkantoren in aantocht

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Gisteren is door de minister van financiën een voorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014” bekend gemaakt. Van dit voorstel maakt ook een wijziging van de Wtt deel uit. Het voorstel inzake de Wtt luidt:

ARTIKEL XIV

De Wet toezicht trustkantoren wordt als volgt gewijzigd:

A
Artikel 1, onderdeel c, komt te luiden:

c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die:

1°. een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een rechtspersoon;
3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een rechtspersoon;
4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust is; of
5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust;

tenzij die rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/334/EG van de Raad (PbEU 2004, L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;.

B
In artikel 2a wordt “artikel 2, eerste, tweede of derde lid,” telkens vervangen door: de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels,.

C
In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt “artikel 2, derde lid” vervangen door: artikel 2a, eerste lid.

D
Artikel 10, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt “, zodanig dat” vervangen door: die ertoe strekken dat.

2. De onderdelen a en b komen te luiden:

a. het trustkantoor cliëntenonderzoek verricht dat het trustkantoor onder meer in staat stelt de identiteit te kennen van de cliënt en de uiteindelijk belanghebbende of over informatie te beschikken waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is;
b. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap, de trust of de vennootschap waarvan het trustkantoor gebruikmaakt in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 5°;.

3. In onderdeel e wordt “de uiteindelijk belanghebbende” vervangen door “de cliënt of de uiteindelijk belanghebbende” en wordt de punt aan het eind van subonderdeel 4° vervangen door een puntkomma.

4. Onderdeel f komt te luiden:

f. het trustkantoor bij het bemiddelen bij de verkoop van een vennootschap in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 3°, de identiteit kent van de koper en de verkoper en van de uiteindelijk belanghebbende van de koper en de verkoper;.

5. Onderdeel h wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:

h. het trustkantoor kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden;
i. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien niet wordt voldaan aan onderdeel a.

Dit wordt als volgt toegelicht in de memorie van toelichting:

g. wijzigingen Wtt
De inhoudelijke wijzigingen van de Wet toezicht trustkantoren hebben betrekking op de definitie van het begrip ‘Uiteindelijk belanghebbende’ en de formulering van de grondslag voor nadere regels inzake integere bedrijfsvoering. Deze wijzigingen houden verband met de recente uitbreiding van de reikwijdte van de wet en de voorziene aanscherping van de regels inzake integere bedrijfsvoering voor trustkantoren.

(…)

ARTIKEL XIV
A
De definitie van uiteindelijk belanghebbende in artikel 1, onderdeel c, wordt opnieuw vastgesteld in verband met de verruiming van de reikwijdte van deze bepaling. Thans is deze definitie nog gericht op de doelvennootschap, overeenkomstig de reikwijdte van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), zoals die tot 1 juli 2012 gold. Sinds die datum vallen ook het gebruik van een vennootschap ten behoeve van een cliënt en het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen onder deze wet. In de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren zijn per diezelfde datum regels gesteld met betrekking tot het onderzoek dat trustkantoren moeten uitvoeren naar de uiteindelijk belanghebbenden van partijen die betrokken zijn bij die dienstverlening. De voorgestelde herziening van de definitie van uiteindelijk belanghebbende strekt ertoe, die regels beter te laten aansluiten bij de Wtt. Voor de formulering is aangesloten bij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

B en C
De wijzigingen in de artikelen 2a en 9 strekken tot herstel van enkele omissies. De vrijstelling en ontheffing op grond van artikel 2a moeten, naast de vergunningplicht, kunnen zien op alle overige verplichtingen bij of krachtens deze wet gesteld. Daartoe wordt voorgesteld ook te verwijzen naar artikel 10, eerste lid, op grond waarvan regels worden gesteld met het oog op een integere bedrijfs- voering. Voorts wordt in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, ten onrechte verwezen naar artikel 2, derde lid, waar verwezen had moeten worden naar artikel 2a, eerste lid. Met de onderhavige wijziging wordt deze fout hersteld.

D
Artikel 10, eerste lid, bevat de grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels ten behoeve van een integere bedrijfsvoering. Daarbij wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van regels die binnen de reikwijdte van die grondslag vallen. Deze bepaling is uitgewerkt in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren. Die regeling is per 1 juli 2012 aangevuld met regels gerelateerd aan de diensten die per diezelfde datum onder de reikwijdte van de Wtt zijn gebracht. Om hiervan blijk te geven wordt voorgesteld die regels te benoemen in de opsomming in artikel 10 van de Wtt. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt te verduidelijken dat een trustkantoor in algemene zin kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden. Dit sluit aan bij de huidige praktijk.

28 maart 2013

DNB start onderzoek naleving Wwft

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In een bericht dat is opgenomen in de nieuwsbrief voor banken, laat DNB weten dat dit voorjaar onderzoek zal worden gedaan naar naleving van de Wwft, ook bij trustkantoren. Hierna volgt de tekst.

DNB start onderzoek naleving Wwft

Nieuwsbericht 28 maart 2013

De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is gewijzigd. Dit voorjaar controleert DNB de naleving daarvan.

Belangrijke wetswijzigingen
Per 1 januari 2013 is de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gewijzigd. De belangrijke wijzingen zijn:

  • Banken moeten informatie over klanten altijd actueel houden.
  • De identiteit van de zogenoemde ‘uiteindelijk belanghebbende’ moet altijd worden geverifieerd. Deze verificatie kan risicogebaseerd plaatsvinden: naarmate het risicoprofiel van een klant hoger is, moet een bank meer informatie inwinnen over diens identiteit.
  • Banken moeten voortdurend alert zijn op ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die een hoger witwasrisico inhouden.

Politiek prominenten
De Wwft bevat ook nieuwe voorschriften voor politiek prominente personen (PEP). Dit betekent dat voortaan ook buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Eerder gold dit verscherpte toezicht al voor PEP’s die buiten Nederland wonen.
DNB heeft de banken een coulanceperiode van drie maanden geboden. In deze periode konden de banken hun systemen aanpassen, zodat ze vanaf 1 april 2013 aan deze nieuwe bepaling kunnen voldoen.

Eisen aan banken
Wat moeten banken doen om te voldoen aan de vernieuwde Wwft? De hierboven genoemde belangrijke wetswijzigingen zijn al opgenomen in de DNB Leidraad Wwft uit 2011. Dat betekent dat ze daarmee al gangbare praktijk moeten zijn. Nu wordt deze praktijk in de wet verankerd. Dit betekent dat het nu niet langer om aanbevelingen gaat, maar om wettelijke bepalingen.

Thema-onderzoek van DNB
DNB gaat in de eerste helft van 2013 controleren op de naleving van de Wwft. De toezichthouder stuurt dit voorjaar een vragenlijst naar een aantal banken, levensverzekeraars en trustkantoren. Zij krijgen vragen over de manier waarop ze hun cliënten monitoren en screenen. Ook onderzoekt DNB of banken en andere instellingen voldoende alert zijn op ongebruikelijke transacties.
Op basis van dit vooronderzoek selecteert DNB een tiental instellingen voor verder onderzoek. DNB zal het onderzoek dit najaar afronden en de belangrijkste generieke bevindingen ook via deze Nieuwsbrief bekend maken.

Meer informatie
Wilt u meer weten? Mail Maud Bökkerink van het DNB Expertisecentrum Cultuur, Organisatie en Integriteit: m.j.bokkerink@dnb.nl

11 juli 2012

Bericht DNB over de wijzigingen in Wtt en Rib

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Onderstaand het bericht van DNB over de wijzigingen in Wtt en Rib, zoals te vinden op de DNB-site.

Wijziging Wtt en Rib

Nieuwsbericht
Datum: 11 juli 2012

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd. Dit brengt een aantal belangrijke veranderingen met zich mee voor trustkantoren.

De wijzigingen zijn drieledig:

1. Wijziging van het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’.
2. Wijziging van de reikwijdte van de Wtt.
3. Wijziging van handhavingsbevoegdheden van DNB.

1. Uiteindelijk belanghebbende
De grens voor de kwalificatie als uiteindelijk belanghebbende (UBO) is in de wet verhoogd van 10 naar 25 procent. Dit betekent dat een natuurlijk persoon pas als uiteindelijk belanghebbende wordt aangemerkt als hij ten minste 25% kapitaalbelang heeft, 25% van de stemrechten houdt, begunstigde is van ten minste 25% van het vermogen of een bijzondere zeggenschap heeft over 25% of meer van het vermogen in een doelvennootschap. Deze wetswijziging is vooral van belang voor de cliëntidentificatie-procedures van trustkantoren.

2. Reikwijdte Wtt
Op 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) zodanig gewijzigd dat twee nieuwe activiteiten als trustdienst onder de reikwijdte van de wet zijn gebracht:
1. Het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen.
2. Het ten behoeve van de cliënt gebruik maken van een zogenoemde doorstroomvennootschap.

Bemiddelen
Naast de verkoop van rechtspersonen is met ingang van 1 juli 2012 het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen ook aangemerkt als een dienst in de zin van de Wtt. Hiervoor is dus een trustvergunning vereist.

Van bemiddelen is sprake wanneer een trustkantoor kopers en verkopers van rechtspersonen met elkaar in contact brengt. Dit kan onder andere blijken uit het gegeven dat het trustkantoor een vergoeding krijgt voor het verlenen van deze diensten. Van het vergunning houdende trustkantoor wordt verwacht dat het op de hoogte is van de intenties van partijen betrokken bij de overdracht. Het trustkantoor moet aannemelijk maken dat de betrokken rechtspersonen niet gebruikt zullen worden voor het witwassen van criminele geldstromen of het financieren van terrorisme.

Doorstroomvennootschappen
Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor en door de cliënt, bijvoorbeeld om fiscale redenen, wordt gebruikt om gelden te ontvangen en uit te keren. Het eigendom van de doorstroomvennootschap is hierbij niet van belang. Met de wetswijziging is het gebruik maken van een doorstroomvennootschap ook een trustdienst geworden.

Virtuele trustkantoren
Virtuele trustkantoren verrichten trustactiviteiten in Nederland, maar niet vanuit een Nederlandse vestiging. Meestal voor Nederlandse vermogende particulieren en ondernemingen die belasting willen ontwijken of anoniem rechtspersonen willen gebruiken. Virtuele trustkantoren vallen met de wetswijziging onder de verbodsbepaling, doordat de vestigingseis komt te vervallen.

De komende periode besteedt DNB extra aandacht aan partijen die zonder de vereiste vergunning bovengenoemde activiteiten verrichten. DNB neemt in het bijzonder (het bemiddelen bij) de verkoop van rechtspersonen onder de loep. DNB zal met een aantal gerichte handhavingsacties optreden tegen illegale marktpartijen. Hierbij werkt DNB nauw samen met de Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie.

3. Handhavingsbevoegdheden
De wetswijziging breidt de bevoegdheden van DNB uit om een aanwijzing te geven. Met ingang van 1 juli 2012 kan DNB een aanwijzing opleggen aan illegale trustkantoren. Daarnaast kan DNB bij een trustkantoor een (stille) curator aanstellen.

Nieuwe Regeling integere bedrijfsvoering Wtt
De uitbreiding van de wet maakt een aanvulling van onderliggende regelgeving, de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt (‘Regeling’), noodzakelijk. In de nieuwe Regeling, die per 1 juli van kracht is, is verduidelijkt hoe trustkantoren het cliëntenonderzoek moeten vormgeven bij het uitvoeren van de twee nieuwe trustdiensten ‘Doorstroomvennootschappen’ en ‘Bemiddelen’.

De wijziging van de Regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op Open Boek Toezicht. Hier kunt u ook het feedbackdocument terug vinden, waarin de analyse van de consultatieronde is opgenomen. Op 1 januari 2013 wordt de Regeling omgezet in een ministeriële regeling. DNB en het Ministerie van Financiën werken gezamenlijk aan deze overgang.

1 december 2011

Wijzigingswet financiële markten 2012 wijzigt Wet toezicht trustkantoren

door Compliance Platform Trustkantoren

Onlangs is de Wijzigingswet financiële markten 2012 aangenomen door de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel ligt thans bij de Eerste Kamer, kijk hier voor de html versie.

De wijzigingen in de Wet toezicht trustkantoren zijn de volgende:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die

1°. een belang houdt van 25 procent of meer van het kapitaalbelang van een doelvennootschap;

2°. 25 procent of meer van de stemrechten van de algemene vergadering van een doelvennootschap kan uitoefenen;

3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een doelvennootschap;

4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een doelvennootschap is; of

5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een doelvennootschap;

tenzij de doelvennootschap een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;

2. Onderdeel d wordt als volgt gewijzigd:

a. Subonderdeel 3 komt te luiden:

3°. het verkopen van of bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen;.

b. Onder vernummering van onder 5° tot onder 6° wordt een subonderdeel ingevoegd, luidende:

5°. het ten behoeve van de cliënt gebruik maken van een vennootschap, die tot dezelfde groep behoort als waarvan het trustkantoor deel uit maakt;.

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

j. trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat: trustkantoor met zetel in een staat buiten Nederland die niet op grond van artikel 2, vijfde lid, is aangewezen als staat waar toezicht op trustkantoren wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.

B

Artikel 2 komt te luiden:

1. Het is verboden zonder vergunning van de toezichthouder vanuit een vestiging in Nederland als trustkantoor werkzaam te zijn.

2. Het is een ieder met zetel buiten Nederland verboden zonder vergunning van de toezichthouder als trustkantoor werkzaam te zijn door middel van het verrichten van diensten naar Nederland.

3. Het is verboden werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in het tweede lid.

4. Het eerste lid, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op:

a. de toezichthouder;

b. een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

c. een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die beroeps- of bedrijfsmatig opdrachten van tijdelijke aard die betrekking hebben op management- en organisatievraagstukken, met daarbij behorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden, uitvoert of doet uitvoeren, voor zover deze de diensten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1°, verleent.

5. Het tweede lid is niet van toepassing op trustkantoren met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het aanwijzen van staten.

7. Het besluit tot aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken.

8. Een besluit tot aanwijzing van een staat als bedoeld in het derde lid of de intrekking daarvan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

C

Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 2, eerste, tweede of derde lid, indien de situatie van een onderscheiden categorie trustkantoren dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een vrijstelling kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

2. De toezichthouder kan, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 2, eerste, tweede of derde lid, indien de specifieke situatie van een trustkantoor dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

3. Een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid kan, onder door de toezichthouder te stellen voorschriften en beperkingen, aan een groep van trustkantoren worden verleend. Tenzij in de vergunning anders is bepaald, geldt de vergunning, alsmede de daaraan verbonden voorschriften of gestelde beperkingen, in gelijke zin voor alle trustkantoren die onderdeel uitmaken van de groep.

D

Artikel 11, tweede lid, komt te luiden:

2. Indien van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b of c bedoelde personen, voor zover zij via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid bepalen of mede bepalen van het trustkantoor, de betrouwbaarheid niet langer buiten twijfel staat, of de deskundigheid niet langer voldoende is, kan de toezichthouder:

a. met betrekking tot de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde personen een aanwijzing geven aan het trustkantoor dat deze personen het beleid van het trustkantoor niet meer kunnen bepalen of mede bepalen;

b. aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, bedoelde personen een aanwijzing geven om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

E

Artikel 20, eerste lid, komt te luiden:

1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, 2a, eerste tot en met derde lid, 3, derde lid, 5, 9, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 10, 11, 14, tweede lid, 16, tweede lid, 24, eerste lid en 25, vierde lid.

F

Artikel 21, eerste lid, komt te luiden:

1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, 2a, eerste tot en met derde lid 3, derde lid, 5, 9, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 10, 11, 14, tweede lid, 16, tweede lid, 24, eerste lid en 25, vierde lid.

G

Na artikel 23 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 7A. AANWIJZING ILLEGAAL TRUSTKANTOOR EN AANSTELLING CURATOR

Artikel 24

1. De toezichthouder kan een ieder die werkzaam is als trustkantoor zonder daartoe bevoegd te zijn op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een aanwijzing geven die is gericht op het beëindigen van de desbetreffende werkzaamheden.

2. De aanwijzing vermeldt:

a. de werkzaamheden die in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn verleend;

b. indien van toepassing, een aanduiding van de plaats en het tijdstip waarop of de periode waarin in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is gehandeld;

c. de wijze waarop de dienstverlening dient te worden afgebouwd en beëindigd;

d. de termijn waarin het handelen in strijd met het bedoelde verbod moet zijn beëindigd.

3. Voordat de toezichthouder een aanwijzing geeft, stelt hij de betrokkene in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

Artikel 25

1. De toezichthouder kan één of meer personen benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een trustkantoor indien dat trustkantoor niet voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is bepaald.

2. Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:

a. nadat door het trustkantoor niet of niet volledig binnen de gestelde termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 11, eerste lid, gevolg is gegeven; of

b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate functionering van het trustkantoor ernstig in gevaar brengt en dat trustkantoor voorafgaand in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.

3. Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan het trustkantoor is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.

4. Na de benoeming van een curator:

a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van het trustkantoor de curator alle medewerking;

b. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van het trustkantoor toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring te verrichten;

c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator vervangen;

d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met een besluit als bedoeld in het eerste lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van het trustkantoor dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover het trustkantoor, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;

e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voor zover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.

5. Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste lid, niet langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking onverwijld bekend aan het trustkantoor.

6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een ieder die beroeps- of bedrijfshalve een dienst verleent zonder een daartoe strekkende vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

7. De kosten van de in het eerste lid bedoelde maatregel komen voor rekening van het in dat lid bedoelde trustkantoor.

%d bloggers liken dit: