Posts tagged ‘ministerie van financiën’

4 mei 2020

Verbod hoog-risicolanden voor trustkantoren is onverstandig | consultatie Wtt 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag heb ik een consultatiereactie ingediend over het voorgestelde verbod voor trustkantoren om cliënten te bedienen met een relatie met ‘hoog-risicolanden’. De tekst kan als pdf worden gedownload en is hieronder geplaatst. In onderstaande tekst zijn enige typefouten gecorrigeerd.

 


 

Consultatiedeelname

Aan: Ministerie van Financiën
Van: Ellen Timmer, ellen.timmer@pellicaan.nl,
blog: https://ellentimmer.com/ (verbonden aan Pellicaan Advocaten)
Datum: 4 mei 2020
Onderwerp: consultatie Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018, aangekondigd op https://www.internetconsultatie.nl/wijzigingwtt2018

 

Mijne dames en heren,

Hierbij maak ik gebruik van de mogelijkheid om op persoonlijke titel deel te nemen aan deze consultatie. De consultatie betreft het voorstel voor Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018, waarin een nieuw artikel 23a wordt voorgesteld, met een verbod op diensten in relatie tot hoog risicolanden.

Bezorgde reacties van mijn relaties in de sector van de trustkantoren met betrekking tot dit verbod waren voor mij reden om aan deze consultatie mee te doen. Ik hoop dat u acht zult slaan op deze consultatiereactie.

Met vriendelijke groet,
Ellen Timmer

 

 

Inhoud:

1. Inleiding
Het fenomeen hoog-risicolanden
Verbod op zakelijke relaties/transacties met hoog-risicolanden niet mogelijk op grond van AMLD4
Europese AML-hoog-risicolandenlijst loopt achter
Ontbrekende landendatabase
Regelgeving voor trustkantoren
Brief 14 januari 2020
Tekst artikel 23a
Commentaar 1

2. Praktische consequenties van het verbod
Definitie cliënt
Gevolgen van plaatsing voor bestaande situaties
Commentaar 2

3. Tot slot

Bijlage 1 – Overzicht van hoog-risicolanden
Bijlage 2 – Het consultatiedocument

 

 

1. Inleiding

Onderwerp van deze reactie is het verbod op relaties van cliënten van trustkantoren met ‘hoog-risicolanden’.

Het fenomeen hoog-risicolanden
In deze consultatiereactie bespreek ik naast het verbod voor trustkantoren ook de problematiek van de hoog-risicolanden in het algemeen. Dat commentaar is voor alle ondernemingen die zich aan de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) moeten houden (Wwft-plichtigen) van belang.

Op dit moment is sprake van een onoverzichtelijk gebeuren rondom het fenomeen ‘hoog-risicolanden’. Er zijn vele zwarte lijsten van verschillende landen, verschillende internationale instituties en met verschillende thema’s (zoals witwasbestrijding en bestrijding van belastingparadijzen) [1].

Deze zwarte lijsten worden door overheden ingezet om ondernemingen, zoals in casu trustkantoren, te beïnvloeden. Bij de beslissingen over plaatsing van landen op lijsten spelen niet alleen zakelijke overwegingen een rol [2]. Er is meer aan de hand.

De plaatsing van landen op een zwarte lijst is een politiek middel om op de betreffende landen druk uit te oefenen. Daarbij valt op dat bepaalde landen die voor plaatsing op een zwarte lijst in aanmerking komen, daar niet op worden geplaatst. Een voorbeeld daarvan is Rusland, dat een goede beoordeling van FATF kreeg [3] terwijl het land op de Duitse zwarte lijst is geplaatst [4].

Op het proces rond plaatsing van landen op zwarte lijsten wordt veel kritiek uitgeoefend. Lees onder andere Tom Keatinge op de RUSI site, It’s Time to Reform and Refocus the Financial Action Task Force, 23 oktober 2019 [5].

Mij is opgevallen dat het type landen dat op de lijsten van hoog-risicolanden wordt geplaatst, sterk verschilt. Er staan ontwikkelingslanden en landen in (burger)oorlog op, zoals Afghanistan, Ethopië [6], Iraq, Jemen, Libië en Syrië. Er staan de bekende eilanden op, vaak voormalige Britse of Amerikaanse koloniën, die leven van de belastingverdragen die zij met de hele wereld hebben afgesloten (zoals de Bahama’s, de Kaaiman Eilanden en de Maagdeneilanden [7]). Maar er staan ook grote(re) landen op, zoals Pakistan en (als de Europese Commissie zijn zin krijgt) Saoedi Arabië. Bij landen met zulke verschillende karakteristieken kunnen de werkelijke risico’s verschillen. Bovendien kunnen antiwitwasmaatregelen de gang van zaken in ontwikkelingslanden en landen in (burger)oorlog ernstig belemmeren en de ‘verkeerde’ krachten stimuleren.

Voorbeeld:
Van een van de trustkantoren waarmee ik contact heb, hoorde ik dat er in Pakistan effectenbeurzen zijn die zich houden aan internationale standaarden en daar ook op worden geaudit [8]. Dit trustkantoor vraagt zich af waarom er een algemeen verbod ten aanzien van Pakistan zou moeten gelden terwijl er door deze beurzen moeite wordt gedaan om aan de witwasbestrijdingseisen te voldoen.

Verbod op zakelijke relaties/transacties met hoog-risicolanden niet mogelijk op grond van AMLD4
Op grond van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn (AMLD4) [9] zijn Europese lidstaten verplicht in hun wetgeving op te nemen dat ondernemingen, die vallen onder de witwasbestrijdingsregelgeving (witwasbestrijdingsplichtigen), verplicht zijn om extra cliëntenonderzoek te verrichten in relatie tot “business relationships or transactions involving high-risk third countries” zoals door de Europese Commissie geïdentificeerd, aldus artikel 18a AMLD4. In deze bepaling wordt mogelijk gemaakt dat landen kiezen voor “limitation of business relationships or transactions with natural persons or legal entities from” de hoog-risicolanden [10], op voorwaarde dat zorgvuldig rekening wordt gehouden met relevante rapportages [11].

Er is geen sprake van dat AMLD4 zakelijke relaties of transacties met hoog-risicolanden verbiedt. Dat is een welbewuste keuze. Daar waar een verbod op transacties gewenst is, worden deze opgenomen in de sanctieregelgeving die in Nederland wordt geïmplementeerd via de Sanctiewet 1977.

Europese AML-hoog-risicolandenlijst loopt achter
Aandachtspunt is verder dat de Europese lijst van hoog-risicolanden in de witwasbestrijding achter loopt. De laatste wijziging dateert uit 2018 [12]. In februari 2019 heeft de Europese Commissie een nieuwe lijst voorgesteld met onder andere Saoedi Arabië [13]. Dat voorstel is verworpen en sindsdien loopt een discussie met onder andere het Europees Parlement inzake de methodologie van vaststelling van de hoog-risicolanden-lijst. Op 15 april 2020 stond dat onderwerp op de agenda van een commissie van het Europees Parlement [14]. Informatie over de methodologie zelf is niet te vinden.

Geconstateerd kan worden dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de hoog-risicolanden-lijsten van FATF en de Europese Commissie, zie bijlage 1,

* Zo komt EU-kandidaat Albanië niet voor op de Europese lijst, terwijl het land wel op de FATF-lijst staat.
* Ook IJsland staat op de FATF-lijst en niet op de Europese lijst.
* Ethiopië is wegens goede maatregelen van de FATF-lijst afgevoerd, maar staat wel op de Europese lijst. Zo is er nog veel meer te noemen.

De vraag is waarop deze verschillen zijn gebaseerd en waarom landen die voldoende maatregelen hebben genomen niet van de Europese lijst worden afgevoerd.

Ontbrekende landendatabase
Overigens ontbreek een behoorlijke landendatabase, waarin wordt geregistreerd welk land wanneer en waarom op de FATF-lijst en Europese hoog-risicolandenlijst is geplaatst. Hierin zou de Europese Commissie zelf moeten voorzien. Daarbij is belangrijk dat gedetailleerd wordt aangegeven waarom een land hoog-risico zou zijn, zodat het makkelijker wordt voor witwasbestrijdingsplichtigen om na te gaan hoe zij om moeten gaan met relaties met dergelijke landen.

Regelgeving voor trustkantoren
Trustkantoren zijn de afgelopen tijd zeer druk bezig geweest met implementatie van allerlei wijzigingen in de regelgeving. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), gewijzigd per 25 juli 2018. De Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) is op 1 januari 2019 in werking getreden.

Deze branche wordt vaak als ‘trustsector’ aangeduid al hebben hun activiteiten niets met de Angelsaksische trust [15] te maken.

De motivatie voor de thans voorgestelde wijziging in de Wtt 2018 lijkt te berusten op voorvallen die vóór inwerkingtreding de gewijzigde regelgeving hebben plaats gevonden. De vraag is waarom een verbod nodig is, terwijl trustkantoren al maatregelen hebben genomen in verband met hoog-risicolanden en niet gebleken is dat die maatregelen onvoldoende zouden zijn.

Brief 14 januari 2020
In een brief die de Ministers van Financiën en van Veiligheid op 14 januari 2020 aan de Tweede Kamer schreven [16] is een aankondiging van het hoog-risicolanden verbod te vinden, zonder dat een onderbouwing wordt vermeld, anders dan het bekende mantra:

“In die gevallen is sprake van een cumulatie van risico’s die wij onbeheersbaar achten in een sector waarbij de diensten op zichzelf al inherent hoge integriteitrisico’s met zich brengen”

Allereerst is onjuist dat diensten van trustkantoren inherent hoge integriteitrisico’s met zich mee zouden brengen en wordt niet onderbouwd waarom trustkantoor-bestuurders riskanter zouden zijn dan andere statutair bestuurders van internationaal opererende ondernemingen. Ten tweede is er geen sprake van onbeheersbare cumulatie van risico’s bij hoog-risicolanden. Immers, trustkantoren zijn professionele bestuurders, die hun huiswerk juist beter doen dan andere statutair bestuurders, zodat er vermindering van risico is [17].

De ministers schrijven in de brief van 14 januari dat trustkantoren de nieuwe regelgeving nog niet voldoende geïncorporeerd zou hebben. Uit de brief van de ministers blijkt niet wat er dan onvoldoende geïmplementeerd zou zijn en welk verband die zogenaamde onvolkomenheden hebben met het voorgestelde verbod.

Bij de brief van de ministers zit als bijlage een verslag van DNB [18], waaruit niet blijkt dat er speciale problemen rondom hoog-risicolanden zijn. DNB rept in het verslag van de onderzoeken die in 2019 tot en met september zijn uitgevoerd alleen over onvoldoende verslaglegging in het cliëntenonderzoeksdossier [19].

Consultatietoelichting
In de toelichting op het consultatievoorstellen keren dezelfde onjuistheden terug, onder andere in paragraaf 2.1:

* Het optreden als statutair bestuurder van Nederlandse doelvennootschappen in internationale structuren, is volgens de trustkantoren waarmee ik contact heb, niet riskanter dan wat er gebeurt bij andere Nederlandse kapitaalvennootschappen, die deel uitmaken van internationale structuren. De laatstgenoemde kapitaalvennootschappen hebben bestuurders die minder kennis hebben van witwasrisico’s dan Nederlandse trustbestuurders.
* Het is onjuist [20] dat dat er in de eerste twaalf maanden van Wtt 2018 onvoldoende verbeteringen zouden zijn opgetreden. De trustkantoren waarmee ik contact heb beschouwen dit als een klap in hun gezicht, die zij niet verdienen.
* Een onderbouwing van het verbod van artikel 23a ontbreekt. Er staat in paragraaf 2.3 niet meer dan:

Bij trustdienstverlening zijn vaak complexe structuren betrokken en worden tussen vennootschappen grote sommen geld verplaatst teneinde fiscaal voordeel te behalen. Indien hier landen bij betrokken zijn met strategische tekortkomingen op het gebied van hun anti-witwasbeleid, stapelen de integriteitsrisico’s zich op. Daarom wordt met dit wetsvoorstel dienstverlening door trustkantoren verboden indien de cliënt, de doelvennootschap of de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt of doelvennootschap woonachtig of gevestigd is of zijn zetel heeft in een derde hoog risicoland.

* De trustkantoren die ik spreek betwisten dat er “vaak complexe structuren betrokken” zijn en dat er ook voor het overige sprake is van onbeheersbare risico’s en zijn van mening dat zij adequate risico-mitigerende maatregelen hebben genomen respectievelijk kunnen nemen. Dat er een noodzaak voor dit verbod is, blijkt niet uit de rapportage van DNB, die in januari 2020 is bekend gemaakt (zie voetnoot 18). Deze onderbouwing voldoet ook niet aan de eisen van artikel 18a AMLD4.
* Ook de passage in paragraaf 2.4, “Trustdienstverlening laat zich niet goed combineren met betrokkenheid van landen die non-coöperatief zijn op belastinggebied. Dit omdat deze combinatie vaak leidt tot complexe en intransparante structuren” is volgens de trustkantoren die ik spreek onjuist. Volgens hen zitten er grote verschillen tussen de landen op de Europese hoog-risicolandenlijst (zie bijlage 1) en verdient de aanwezigheid van dergelijke landen zeker fiscale aandacht, maar het het niet zo dat de risico’s niet kunnen worden beheerst.

Tekst artikel 23a
Voorts verdient de tekst van het voorgestelde artikel 23a aandacht.

[a] In de aanhef van lid 1 wordt naast elkaar gesproken over:

* het aangaan van een zakelijke relatie [21];
* het verlenen van een trustdienst.

Nu het verlenen van een trustdienst een zakelijke relatie in de zin van Wtt 2018 veronderstelt, kan de passage “een zakelijke relatie aan te gaan of” vervallen. Als de tekst gehandhaafd zou blijven, is een uitvoerige toelichting op de noodzaak gewenst, zodat trustkantoren weten waar zij aan toe zijn.

[b] In de aanhef van lid 1 wordt naast elkaar gesproken over:

* uiteindelijk belanghebbenden van cliënten;
* uiteindelijk belanghebbenden van doelvennootschappen.

De cliënt is degene met wie het trustkantoor een zakelijke relatie heeft, wat zowel de doelvennootschap(pen) als de aandeelhouder(s) van de doelvennootschappen als degenen achter die aandeelhouders kan omvatten. Zo is denkbaar dat een trustkantoor niet alleen contact heeft met de aandeelhouder van de doelvennootschap maar ook met een topholding uit de groep. Een en ander betekent dat het niet nodig is om de uiteindelijk belanghebbenden van doelvennootschappen apart te noemen en kan dat onderdeel vervallen.

 

Commentaar 1

1.a Kan worden toegelicht waarom het verbod op zakelijke relaties en transacties met hoog-risicolanden niet is meegenomen bij de totstandkoming van Wtt 2018 (op 1 januari 2019 in werking getreden) en/of de Wwft (gewijzigd per 25 juli 2018)?

1.b Kan het Ministerie van Financiën juridisch onderbouwen dat een generiek verbod op alle zakelijke relaties en transacties met hoog-risicolanden (‘het verbod’) is toegestaan op grond van AMLD4?

TOELICHTING
Uit artikel 18a AMLD4 leid ik af dat landen kunnen bepalen dat bepaalde zakelijke relaties en transacties met natuurlijke personen of juridische entiteiten uit bepaalde hoog-risicolanden mogen worden beperkt, als dat goed is onderbouwd (lid 4). Er is geen sprake van dat alle zakelijke relaties en transacties met hoog-risicolanden mogen worden verboden, zodat het verbod niet is toegestaan.
Ik hoor graag of het Ministerie van Financiën deze visie deelt.

1.c Kan het Ministerie van Financiën onderbouwen dat een generiek verbod als vermeld onder 1.b betrekking mag hebben op alle door Europa vastgestelde hoog-risicolanden (witwasbestrijding en belastingparadijzen), dus dat er geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen verschillende landen.

TOELICHTING
Zoals hierboven vermeld, is het proces van vaststelling van hoog-risicolanden een willekeurig proces, zeker als het FATF betreft en heeft het ook tot doel om druk op landen uit te oefenen, terwijl de risico’s tussen landen sterk kan verschillen.
Als een generiek verbod al mogelijk zou zijn, schrijft artikel 18a AMLD4 een individuele beoordeling per hoog-risicoland en per type zakelijke relatie / transactie voor. Daarvan is in het voorstel geen sprake, zodat een verbod niet is toegestaan.
Ik hoor graag of het Ministerie van Financiën deze visie deelt.

1.d Kan het Ministerie van Financiën per hoog-risicoland onderbouwen, op de wijze zoals in artikel 18a lid 4 AMLD4 is voorgeschreven, dat het onder 1.b bedoelde verbod gewenst is?

1.e Kan het Ministerie van Financiën onderbouwen dat het onder 1.b bedoelde verbod uitsluitend betrekking dient te hebben door op trustkantoren bestuurde rechtspersonen (doelvennootschappen)? Tenslotte zijn trustkantoren niet meer dan statutair bestuurders van Nederlandse entiteiten (meestal Nederlandse kapitaalvennootschappen, dus besloten en naamloze vennootschappen), met een aantal bijkomende activiteiten die van toepassing zijn op alle statutair bestuurders van rechtspersonen (zoals het voeren van administraties en het verrichten van fiscale aangiften). De doelvennootschappen hebben dezelfde activiteiten als vele andere in Nederland gevestigde rechtspersonen. Het maken van een onderscheid dient te worden onderbouwd. Kan het Ministerie van Financiën onderbouwen waarom onderscheid mag worden gemaakt tussen doelvennootschappen en andere rechtspersonen naar Nederlands recht? Is deze vorm van discriminatie ten opzichte van andere Wwft-plichtigen (zoals banken en verzekeringsmaatschappijen) gerechtvaardigd?

1.f Naar aanleiding van de tekst van het voorgestelde artikel 23a Wtt 2018 is het volgende van belang:

[a] Nu het verlenen van een trustdienst een zakelijke relatie in de zin van Wtt 2018 veronderstelt, kan de passage “een zakelijke relatie aan te gaan of” vervallen. Als de tekst gehandhaafd zou blijven, is een uitvoerige toelichting op de noodzaak gewenst, zodat trustkantoren weten waar zij aan toe zijn.
[b] De tekst “uiteindelijk belanghebbenden van doelvennootschappen” kan vervallen, nu doelvennootschappen dezelfde uiteindelijk belanghebbenden hebben als de cliënt.

 

2. Praktische consequenties van het verbod

Het voornemen van het Ministerie van Financiën heeft niet alleen algemene aspecten, zoals onder 1. besproken. Er zitten ook belangrijke praktische consequenties aan, die in het voorstel niet onder ogen worden gezien.

Definitie cliënt
Trustkantoren maken zich zorgen over het uitrekken de definitie van ‘cliënt’ in Wtt 2018, zie ook hiervoor. Het is ongewenst als de wetgever en het Ministerie van Financiën niet helder zijn over de kernbegrippen van de wetgeving, met als gevolg dat toezichthouders – als bij trustkantoren DNB – een ruimere uitleg geven dan de wetgever heeft beoogd, omdat het de toezichthouder goed uitkomt.

Bestaande situaties
Als het verbod zou worden ingevoerd kan het gebeuren dat plaatsing van een land op een hoog-risicolandenlijst gevolgen heeft voor de relatie van een trustkantoor met een bestaande cliënt. Het is dan voor het trustkantoor niet mogelijk om onmiddellijk maatregelen te nemen. Daarmee wordt in het voorgestelde artikel 23a geen enkele rekening gehouden.

Als er al een dergelijk verbod zou komen, hetgeen ik ongewenst acht, zal in de wet een voorziening moeten worden opgenomen voor bestaande gevallen.

Commentaar 2

2.a Helderheid rondom de basisbegrippen van de Wtt 2018 is gewenst.

2.b Als het verbod op cliënten en uiteindelijk belanghebbenden bij cliënten in hoog-risicolanden doorgang vindt, zal in de wet een voorziening moeten worden opgenomen voor bestaande situaties.

 

3. Tot slot

Naar mijn mening is de noodzaak op een generiek verbod op relaties met hoog-risicolanden, als geformuleerd in artikel 23a, onvoldoende onderbouwd, zowel omdat niet is gebleken dat de huidige Wtt 2018 onvoldoende regels zou bevatten, als omdat de onderbouwing niet voldoet aan de eisen van artikel 18a AMLD4.

Het zou goed zijn als invoering van artikel 23a niet doorgaat.

 

Bijlagen

Bijlage 1 – Overzicht van hoog-risicolanden

Een overzicht met de meest recente FATF-lijst en de twee Europese lijsten, alsmede het voorstel van februari 2019 van de Europese Commissie van de zwarte lijst voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.

Bijlage 2 – Het consultatiedocument

 

Noten

1 Zoals ik ook memoreerde in mijn artikel https://ellentimmer.com/2020/04/20/wwft-307/.
2 Zakelijke overwegingen zijn onder meer of de landen criminaliteit goed bestrijden. Lastig bij de zwarte lijsten is dat de onderbouwing aanleveren voor de redenen waarom bepaalde landen op zwarte lijsten worden geplaatst vaak zeer summier is of ontbreekt.
Aantekening: criminaliteit wordt vaak als ‘witwassen’ aangeduid, maar praktisch is ieder financieel voordeel vanwege crimineel handelen witwassen, zodat het onderscheid tussen criminaliteit en witwassen niet relevant meer is).
3 http://www.fatf-gafi.org/countries/a-c/brazil/documents/outcomes-plenary-october-2019.html,The Plenary discussed the joint FATF-EAG-MONEYVAL assessment of Russia and concluded that Russia has an in-depth understanding of the money laundering and terrorist financing risks it faces. It has established robust policies and laws to address these risks, and the country is particularly effective in its investigation and prosecution of terrorist financing”.
Dit leverde een aantal verraste reacties op, onder andere van ACAMS, As FATF Readies Praise for Russia, Critics Anticipate Backlash, Koos Couvée, 19 november 2019, https://www.moneylaundering.com/news/as-fatf-readies-praise-for-russia-critics-anticipate-backlash/.
4 Aldus de Duitse NRA, https://www.bundesfinanzministerium.de/Content/DE/Downloads/Broschueren_Bestellservice/2019-10-19-erste-nationale-risikoanalyse_2018-2019.pdf;jsessionid=E5548E0645DACF539698AF061AA0EBF2?__blob=publicationFile&v=7. Duitsland merkt ook China, Cyprus en Malta als hoog-risicolanden aan.
5 https://rusi.org/commentary/it%E2%80%99s-time-reform-and-refocus-financial-action-task-force
6 Inmiddels van de FATF-lijst verdwenen.
7 Europese belastinglijst.
8 Het kantoor noemde Karachi 100 en de FTSE Pakistan.
9 http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:32015L0849, zoals gewijzigd door de vijfde Europese anti-witwasrichtlijn.
10 Artikel 18a lid 2 AMLD4.
11 Artikel 18a lid 4 AMLD4.
12 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/AUTO/?uri=celex:32018R1467
13 Zie https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/TA-8-2019-0216_EN.pdf.
14 https://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2014_2019/plmrep/COMMITTEES/CJ12/OJ/2020/04-15/1202913EN.pdf
15 https://nl.wikipedia.org/wiki/Trust_(rechtsvorm); https://en.wikipedia.org/wiki/Trust_law
16 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/01/14/kamerbrief-voortgang-plan-van-aanpak-witwassen/kamerbrief-voortgang-plan-van-aanpak-witwassen.pdf
17 Dergelijke beweringen werden al eerder in officiële publicaties gedaan. Echter, veel herhalen van standpunten, betekent nog niet dat die standpunten juist zijn.
18 https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2020/01/14/toezichtbeeld-dnb-trustkantoren-2019/toezichtbeeld-dnb-trustkantoren-2019.pdf
19 Zie pagina 3 onder het kopje Beeld op basis van onderzoeken.
20 Volgens een aantal trustkantoren waarmee ik contact heb.
21 In Wtt 2018 is de definitie van dit begrip in artikel 1 lid 1 analoog aan de definitie van zakelijke relatie in artikel 1 lid 1 van de Wwft en verwijst naar de cliënt ten behoeve van wie het trustkantoor respectievelijk de Wwft-plichtige diensten verleent.

9 april 2020

Wijziging Wtt 2018 in consultatie | doorstroomvennootschappen en schurkenstaten

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Vandaag is de internetconsultatie ‘Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018‘ van start gegaan. Onderstaand de aankondiging met vindplaatsen en daarna de teksten van het doorstroomvennootschapverbod en het hoog risicolandenverbod.

 

Aankondiging

Hierna volgen delen van de aankondiging, met verwijzingen naar de consultatiedocumenten.

Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018
Wijziging van de Wet toezicht trustkantoren 2018 in verband met aanvullende maatregelen om de integriteitrisico’s bij trustdienstverlening te beheersen

Consultatie gegevens
Publicatiedatum 09-04-2020
Einddatum consultatie 07-05-2020

Doelgroepen die door de regeling worden geraakt
Trustkantoren

Verwachte effecten van de regeling voor de doelgroepen
Voor de verwachte effecten van de regeling wordt verwezen naar §3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting. In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen en effecten voor het bedrijfsleven die het wetsvoorstel met zich mee zou kunnen brengen.

Waarop kunt u reageren
De reacties mogen betrekking hebben op alle onderdelen van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.

Downloads
Concept regeling Wetsvoorstel
Ontwerp toelichting Memorie van Toelichting
• Integraal Afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK) Toelichting op IAK vragen

 

Doorstroomvennootschapsverbod en hoog risicolandenverbod in het voorstel

Het voorstel bevat een verbod op doorstroomvennootschappen dat als volgt is geformuleerd:

Artikel 3a. Verbod optreden als doorstroomvennootschap
1. Het is eenieder met zetel in Nederland verboden om beroeps- of bedrijfsmatig een doorstroomvennootschap aan te bieden.
2. Onder doorstroomvennootschap wordt in dit artikel verstaan een rechtspersoon of vennootschap zonder economische activiteit, die gebruikt wordt ten behoeve van één of meerdere derden die niet tot de groep behoort of behoren waartoe de rechtspersoon of vennootschap behoort, en waarvan het gebruik niet tot doel heeft om te voldoen aan enige wettelijke verplichting.

Het verbod op diensten in relatie tot hoog risicolanden is in het voorstel als volgt geformuleerd:

Artikel 23a. Verbod op dienstverlening bij betrokkenheid hoog risicolanden
1. Het is een trustkantoor verboden een zakelijke relatie aan te gaan of een trustdienst te verlenen indien cliënten, doelvennootschappen, uiteindelijk belanghebbenden van cliënten en uiteindelijk belanghebbenden van doelvennootschappen woonachtig of gevestigd zijn of hun zetel hebben in staten die:
a. op grond van artikel 9 van de vierde anti-witwasrichtlijn, in gedelegeerde handelingen van de Europese Commissie, zijn aangewezen als staten met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme; of
b. door de Raad van de Europese Unie, op grond van artikel 22 van Verordening (EU) 2017/1601, zijn aangewezen als jurisdicties die niet- coöperatief zijn op belastinggebied.

 

Schurkenstaten volgens de EU

De lijsten van schurkenstaten van de EU zijn zoals gebruikelijk moeilijk te vinden. Voor zover ik weet zijn de fiscale schurkenstaten momenteel American Samoa, Cayman Islands, Fiji, Guam, Oman, Palau, Panama, Samoa, Trinidad and Tobago, US Virgin Islands, Vanuatu, Seychelles, aldus dit bericht.

Het laatste witwasschurkenstatenlijstje van de EU dat ik ken staat hier en vermeldt drie categorieën, met in categorie II en III de bekende namen van Iran en Noord-Korea. In categorie I staan een groot aantal ontwikkelingslanden, waarvan ik me niet kan voorstellen dat deze voor trustkantoren relevant zijn. Op de lijst staan volgens de bron Afghanistan, Bosnië en Herzegovina, Guyana, Irak, Laos, Syrië, Uganda, Vanuatu, Jemen, Ethiopië, Sri Lanka, Trinidad en Tobago, Tunesië en Pakistan.

 

Tot slot

Het zal me benieuwen of deze wijziging van de Wtt 2018 meer dan een symbolisch karakter heeft. Het Ministerie van Financiën zou pas echt doorpakken als alle statutair bestuurders van alle rechtspersonen in Nederland onder toezicht van DNB zouden worden gebracht.

 


Aanvulling 19 mei 2020
Dat het voorstel inzake doorstroomvennootschappen pure symboliek is blijkt uit het verslag van DNB over het kalenderjaar 2018. Daarin staat dat “het aantal doorstroomvennootschappen is gedaald van 132 medio 2013 naar 27 eind 2017” (kennelijk omvat dat ook doorstroomvennootschappen die niet van trustkantoren zijn). Het aantal trustkantoren die volgens DNB gebruik maken van doorstroomvennootschappen is in de periode 2013-2017 gedaald van 50 naar 19.

31 maart 2020

Trustkantoren zijn moeilijk voor de Minister | Wwft, Wtt 2018

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

De Minister van Financiën tobt met het fenomeen ‘trustkantoor’, zo blijkt een recent verslag van een algemeen overleg (AO) inzake de financiële sector [1], waarin de Minister het hardnekkig over ‘trusts‘ heeft, terwijl hij toch zou moeten weten dat dit een Angelsaksische rechtsvorm is. De eerder tijdens het AO door leden van de Tweede Kamer gestelde vragen gingen over trustkantoren.

Enkele passages uit het verslag waarin de Minister aan het woord is:

Dan relatief kort over de trusts. De Kamer is het in grote lijnen met mij eens, dus er is weinig reden om vragen te stellen, laat staan om mij te complimenteren. Ik voel het toch maar alsof er relatief brede steun is voor de drie specifieke onderwerpen rond de trusts. Voor die steun wil ik de Kamer danken.
(…)
Voorzitter. Daarmee hebben we het gehad over het tijdpad. Ik wilde nog tegen de heer Nijboer zeggen dat dit allemaal zaken zijn waarvoor hij eerder indirect of direct aandacht heeft gevraagd. Ik dank hem dus voor zijn steun. Ik heb hem eerder ook weleens kritisch gehoord over de sector en over wat er verder kan. Misschien mag ik nog één dilemma schetsen, ook in zijn richting? Het ingewikkelde met deze sector is natuurlijk wel dat als je de sector verbiedt – in de woorden van de heer Nijboer – je niet meteen van al die activiteiten af bent. De puzzel is dus best complex, maar ik ben ook op latere momenten graag beschikbaar om te debatteren over wat er kan. Een van de redenen om de duimschroeven echt verder aan te draaien, is voor mij niet alleen gelegen in de rapportage over de integriteit, maar ook in het witwassen en in de enorme problematiek die dat geeft voor de samenleving. We moeten daar heel eerlijk over zijn: we hebben dat nu allemaal veel scherper in het vizier dan een jaar geleden. Volgens mij heb ik daarmee de trusts gedaan, voorzitter.

 

De onbekendheid met de regelgeving straalt ook af in het antwoord van de Minister op kamervragen [2], dat op 3 maart jl. werd gegeven. Naar aanleiding van een vraag over een rechtspersoon van Isabel dos Santos (Luanda Leaks), die door de vragensteller als ‘brievenbusfirma’ wordt aangeduid, antwoordt de Minister dat die rechtspersoon “geen trustkantoor” is. Kennelijk is hij niet bekend met het verschil tussen een trustkantoor en een doelvennootschap.

Doorstroomvennootschappen
Terug naar het verslag van het AO: er wordt breedvoerig door de Minister gesproken terwijl het eigenlijk alleen over de ‘doorstroomvennootschap‘ onder de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) gaat. Voor zover mij bekend wordt deze dienst niet meer of nauwelijks nog aangeboden door trustkantoren.

Noch bij de Tweede Kamer, noch bij de Minister lijkt het kwartje gevallen te zijn als het gaat om het fenomeen ‘doorstroomvennootschappen’. Zo spreekt lid van de Tweede Kamer Ronnes over “Trustkantoren die enkel als doorstroomvennootschap functioneren, voegen weinig tot niets toe aan onze samenleving“, het is wel duidelijk dat hij niet begrijpt wat een Wtt 2018-doorstroomvennootschap is.

Als het over doorstroomvennootschappen gaat, betreft dit veelal de fiscale doorstroomvennootschap, die binnen concerns wordt toegepast en waarvan misbruik via fiscale regels wordt bestreden. Deze moet goed worden onderscheiden van de Wtt 2018-doorstroomvennootschap.

Tot slot
Trustkantoren worden door het Ministerie van Financiën tegen beter weten in neergezet als ‘beheerders van vermogen’ , terwijl het juister zou zijn de trustkantoren, wiens kerntaak het besturen van rechtspersonen is, aan hun rechtspersonenrechtelijke verplichtingen te houden. Hier schreef ik al eerder over (onder meer 1 en 2).

Geconcludeerd kan worden dat zowel in het parlement als bij de betrokken ministeries juridische kennis inzake trustkantoren ontbreekt. Daar waar zij spreken over ‘kwaliteit‘ bij banken, trustkantoren en accountants, zou het goed zijn als de eigen kwaliteit ook flink omhoog ging, dat kan de kwaliteit van de regelgeving ter bestrijding van misbruik van rechtspersonen ten goede komen en is goed voor de samenleving.

 

[1] Verslag van een algemeen overleg, dossier 32 013 Toekomst financiële sector, vastgesteld 6 maart 2020.
[2] Antwoord op kamervragen inzake het Marginal da Corimba-project in Angola.

16 oktober 2018

Capaciteit DNB voor toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 9 oktober jl. gaf het ministerie van financiën antwoord op kamervragen over de capaciteit bij DNB voor toezicht op trustkantoren. Bij deze brief hoort een brief van DNB.

De minister schreef:

DNB heeft haar capaciteit voor het toezicht op trustkantoren in 2016 tijdelijk verhoogd tot 14 fte. Zij geeft aan deze verhoging structureel te willen maken. Met in totaal 14 fte denkt DNB in staat te zijn de toezichtintensiteit niet alleen in stand te kunnen houden, maar deze ook te kunnen intensiveren. De basis hiervoor ligt in de verwachte inwerkingtreding van de Wet toezicht trustkantoren 2018, die DNB meer en verdergaande bevoegdheden geeft. Daarbij is van belang dat DNB verwacht dat de sector kleiner zal worden en dat het toezicht overeenkomstig internationale aanbevelingen risicogebaseerd plaatsvindt.

Gezien bovenstaande informatie van DNB acht ik de capaciteitsinzet voor het toezicht op trustkantoren adequaat. Met het oog op de inwerkingtreding van de nieuwe wet blijf ik periodiek in gesprek met DNB over de inzet van haar capaciteit en over de ontwikkelingen in de trustsector.

5 september 2018

Capaciteit DNB voor toezicht op trustkantoren | brief ministerie van financiën

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

Op 3 september jl. heeft de rijksoverheid een brief bekend gemaakt van de minister van financiën over de capaciteit DNB voor toezicht op trustkantoren. In deze brief schrijft de minister dat beantwoording van vagen inzake de capaciteit van DNB wordt uitgesteld:

Tijdens het debat over het voorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 op 4 juli jl. heb ik toegezegd bij De Nederlandsche Bank (DNB) te informeren of zij over afdoende toezichtcapaciteit beschikt. Ik heb daarbij aangegeven hier na de zomer bij uw Kamer op terug te komen.
Op 5 juli heb ik aan de president van DNB gevraagd of DNB een oordeel kan geven over haar toezichtcapaciteit voor trustkantoren. DNB heeft aangegeven dat daarvoor een zorgvuldige analyse van haar huidige inzet van fte op trustkantoren nodig is, mede omdat bij haar integriteitstoezicht ook andere afdelingen zoals markttoegang, bestuurderstoetsingen, handhaving en juridische zaken betrokken zijn. Daarnaast moet DNB mogelijke herprioritering in haar organisatie bezien in relatie tot het meerjarig kostenkader. Mede gezien de zomerperiode is de analyse van DNB nog niet afgerond.
Met het oog op het debat over de bevindingen van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, dat gepland is op 5 september aanstaande, informeer ik u bij dezen dat ik het oordeel van DNB over de toezichtcapaciteit voor trustkantoren niet voor dat debat aan uw Kamer kan zenden. Ik verwacht uw Kamer eind september over het oordeel van DNB te kunnen informeren.

Meer informatie:

30 oktober 2017

Panama Commissie | brief van de commissie over parlementaire ondervraging in het algemeen; brief minister

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In het dossier ‘Parlementaire ondervraging Fiscale constructies’ over toezicht op trustkantoren en fiscale constructies heeft het volgende plaats gevonden

Brief commissie

Op 26 september 2017 stuurde de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies (‘Panama Commissie’) een brief aan de tweede kamer, die als volgt wordt geïntroduceerd door de voorzitter:

De Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies biedt u hierbij haar evaluatie aan. In de evaluatie geeft de ondervragingscommissie een terugblik op de door haar verrichte werkzaamheden en zijn enkele aanbevelingen geformuleerd die de werking van het instrument parlementaire ondervraging, vastgelegd in het Tijdelijk protocol parlementaire ondervraging, kunnen verbeteren.

In deze brief wordt de onderzoeksopdracht nog een keer samengevat:

1. De opdracht van de ondervragingscommissie

Op 11 oktober 2016 stemde de Tweede Kamer in met het onderzoeksvoorstel tot het houden van een parlementaire ondervraging naar fiscale constructies (Handelingen II 2016/17, nr. 10, item 14). Het doel van de parlementaire ondervraging was het verkrijgen van meer inzicht in de werkwijze van de trustsector en de fiscale adviespraktijk en de effectiviteit van het toezicht daarop. De parlementaire ondervraging richtte zich op twee in principe afzonderlijke kwesties, te weten:
A) het doorsluizen van kapitaal via in Nederland gevestigde doelvennootschappen zonder noemenswaardige reële economische activiteit in Nederland («brievenbusfirma’s»);
B) het wegsluizen van particuliere vermogens naar in het buitenland gevestigde doelvennootschappen, met de bedoeling deze aan het oog van de fiscus te onttrekken.

Het inzicht dat de commissie wilde vergaren in de trustsector, de werking van de fiscale adviespraktijk en het toezicht daarop, heeft zij in ruim voldoende mate verkregen. De commissie heeft dit voornamelijk bereikt door het openbaar verhoren onder ede van 27 personen in 23 verhoren.
Inherent aan de inzet van het instrument parlementaire ondervraging is dat geen stukken worden gevorderd. [6] Mondelinge informatievergaring staat bij een parlementaire ondervraging centraal. De commissie heeft zich op de verhoren voorbereid op basis van openbare bronnen, enkele openbare en besloten gesprekken met deskundigen en adviezen van de klankbordgroep.
De vraagstelling in de onderzoeksopdracht was breed geformuleerd en richtte zich niet op een concrete casus, maar op het verkrijgen van inzicht in een complexe en veelomvattende sector. De onderzoeksopdracht richtte zich zoals gezegd op twee afzonderlijke kwesties; het doorsluizen van kapitaal via Nederland («brievenbusfirma’s») en het wegsluizen van particuliere vermogens.
De commissie is van mening dat het aanbrengen van meer specifieke focus in de vraagstelling in het toch al complexe thema van het onderzoek, nuttig was geweest. Omdat niet één maar twee kwesties centraal stonden, werden meer getuigen en deskundigen verhoord dan bij één thema van onderzoek het geval zou zijn geweest. Ook waren de verhoren veelomvattend en liepen de discussies over enerzijds brievenbusfirma’s en anderzijds het wegsluizen van particuliere vermogens, soms door elkaar. Omdat beide kwesties zeer aan elkaar zijn gelieerd en samenhangen met dezelfde problematiek, was dit voor het onderzoek van de commissie geen probleem. Wel zorgt het onderzoeken van één in plaats van twee thema’s voor meer overzichtelijkheid en focus én voor minder verhoren. De commissie beveelt dan ook aan de vraagstelling in een onderzoeksopdracht zo specifiek en concreet mogelijk te formuleren.


[6] De opzet van het protocol is dat een ondervragingscommissie geen gebruik zal hoeven maken van haar bevoegdheden om schriftelijke inlichtingen te vorderen, documenten te vorderen of plaatsen te betreden, zo vermeldt het Tijdelijk protocol parlementaire ondervraging (Kamerstuk 34 400, nr. 2, p. 6).

Brief minister van financiën

Op 24 oktober 2017 verzond de minister van financiën een brief aan de tweede kamer waarin met name op het toezicht op trustkantoren wordt ingegaan. Opvallend is dat een verbod op uitbesteding van de compliance functie in het aankomende wetsvoorstel zal worden opgenomen en dat geen belastingadvies aan eigen cliënten zal mogen worden gegeven.

Daarbij kan worden aangetekend dat er dan een verschil zal moeten worden gemaakt tussen belastingadvies en naleving van belastingverplichtingen door doelvennootschappen. Dat laatste is een eigen verantwoordelijkheid van het bestuur (= het trustkantoor) van doelvennootschappen, zodat het trustkantoor over medewerkers zal dienen te beschikken met fiscale kennis.

De tekst van de brief van de minister:

In deze brief wil ik mij daarom beperken tot de bevindingen van de commissie over zelfregulering in de trustsector en het toezicht op trustkantoren. Daarnaast ga ik in op de wetgevingssuggesties van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) die in het verslag zijn opgenomen en informeer ik uw Kamer over de acties die ik in gang heb gezet.

Naleving en zelfregulering trustsector
Uit het verslag van de ondervragingscommissie blijkt dat DNB van oordeel is dat de trustsector nog steeds moeite heeft om te voldoen aan de wettelijke vereisten. De commissie heeft daarnaast bij de ondervragingen de indruk gekregen dat de sector niet zelf bereid is om nadere invulling te geven aan het handelen naar de geest van de wet. De commissie constateert ook dat breed wordt erkend, overigens mede door bevraagde vertegenwoordigers van trustkantoren, dat binnen de trustsector geen sprake is van effectieve zelfregulering.
De trustsector wordt op grond van de Wet toezicht trustkantoren geacht om te fungeren als een van de poortwachters van het Nederlandse financieel stelsel. Deze rol houdt in dat trustkantoren zich moeten inspannen om te helpen voorkomen dat het Nederlandse financieel stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld, het financieren van terrorisme of voor handelingen die als maatschappelijk onbetamelijk worden beschouwd. Dit vraagt uitdrukkelijk om meer dan alleen het handelen naar de letter van de wet. De constatering dat de trustsector moeite heeft om de wet na te leven en dat er tevens een gebrek aan bereidheid is om zowel letter als geest van de wet na te leven, is mij niet onbekend. Deze signalen zijn mede aanleiding geweest om de betrokken wetgeving en het toezicht daarop aan te scherpen. Daarover hierna meer.
Dat een sector of een deel daarvan besluit tot zelfregulering, is in beginsel lovenswaardig, maar heeft alleen meerwaarde als die eigen regels uitstijgen boven wat al wettelijk verplicht is en als die regels ook worden omgezet in daadwerkelijk handelen. Bij de op dit moment bestaande zelfregulering van de trustsector is hiervan geen sprake. Ik heb de sector dan ook opgeroepen om te laten zien dat het hun ernst is met deze zelfregulering. Dat houdt, wat mij betreft, in dat op korte termijn een eigen keurmerk is vastgesteld dat zichtbaar uitstijgt boven de wettelijke normen en dat de trustkantoren aan wie dit keurmerk wordt verleend ook daadwerkelijk en aantoonbaar aan deze strenge eigen regels voldoen.

Toezicht op trustkantoren
Het toezicht van DNB op trustkantoren is nadrukkelijk aan bod gekomen bij de ondervragingen. Daarbij ging het mede om de beschikbare capaciteit en de inzet hiervan. Allereerst vind ik het van belang om op te merken dat het toezicht van DNB risicogebaseerd plaatsvindt. Daarvoor gebruikt DNB risicoanalysemodellen. Met gebruik van deze modellen en de beschikbare informatie over een trustkantoor worden relevante risico’s in kaart gebracht en beoordeeld. DNB gebruikt het opgestelde risicoprofiel om in het operationele toezicht prioriteiten te stellen. Het risicoprofiel en de mate van risicobeheersing door trustkantoren wordt zeer regelmatig geactualiseerd. DNB inventariseert de maatregelen van risicobeheersing onder andere door middel van eigen onderzoeken ter plaatse. Tegelijkertijd houdt risicogebaseerd toezicht in dat de toezichtinspanning niet op alle trustkantoren gelijk hoeft te zijn. Vanwege geconstateerde misstanden in de trustsector heeft DNB sinds 2016 extra capaciteit voor het toezicht op trustkantoren. Deze extra capaciteit is in ieder geval nodig totdat de wetgeving voor trustkantoren verder is aangescherpt. Hiervoor is een wetsvoorstel in voorbereiding (Wet toezicht trustkantoren 2018). Met de aangescherpte regels en aanvullende bevoegdheden in de Wet toezicht trustkantoren 2018 verwacht DNB effectiever toezicht te kunnen houden. Daardoor kan DNB haar capaciteit efficiënter inzetten. Ik maak daarbij de afspraak met DNB dat zij goed in de gaten houdt of de beschikbare capaciteit afdoende is om het toezicht effectief uit te voeren en de Minister van Financiën te informeren als dit niet het geval blijkt.

Wetgevingssuggesties DNB
Tijdens de ondervragingen heeft DNB suggesties gedaan voor wijziging van de wetgeving voor trustkantoren. Deze suggesties zijn opgenomen in box 2 van het verslag van de ondervragingscommissie.
Op dit moment heeft het Ministerie van Financiën de Wet toezicht trustkantoren 2018 in voorbereiding waarmee wordt beoogd de regelgeving voor het verlenen van trustdiensten aan te scherpen. Het streven is dat dit voorstel begin volgend jaar aan uw Kamer kan worden gezonden. De suggesties in het verslag zijn betrokken bij dit voorstel. Mede op basis van suggesties die door DNB zijn gedaan, wordt het wetsvoorstel aangescherpt of aangevuld.

Drie suggesties hebben direct een plek gekregen in het wetsvoorstel. Het voorstel bevat:
1. een verbod voor trustkantoren om de uitoefening van de compliancefunctie uit te besteden;
2. een verbod om binnen dezelfde groep zowel trustdiensten als belastingadvies te verlenen aan een cliënt, ten einde belangenverstrengeling te voorkomen en de onafhankelijkheid van een trustkantoor te waarborgen;
3. een verruiming van de mogelijkheden om bij overtreding van de wet de vergunning van een trustkantoor in te trekken.

Daarnaast wordt bezien hoe de suggestie om dienstverlening aan bepaalde juridische constructies met inherente integriteitrisico’s te verbieden, later gedurende het wetgevingstraject een plek in het voorstel kan krijgen. In de komende periode wordt samen met DNB gekeken welke dienstverlening dit zou moeten betreffen en hoe het verbod vorm kan krijgen.

Naar de suggesties 6 (verplichting toezichthoudend orgaan bij trustkantoren) en 7 (inzicht in financiële positie trustkantoren inclusief externe controle) wordt nog nader gekeken. Het verplicht hebben van een toezichthoudend orgaan zorgt voor aanvullende inhoudelijke en financiële verplichtingen voor trustkantoren. Bezien wordt in hoeverre deze maatregel voor alle trustkantoren proportioneel is, mede gelet op de beperkte omvang van sommige trustkantoren. Voor wat betreft het inzicht in de financiële positie van trustkantoren zal vooral nader worden gekeken naar externe controle. Op dit moment moeten trustkantoren al diverse gegevens beschikbaar houden voor DNB waaronder financiële informatie. Een verplichting om op de informatie over de financiële positie een externe controle te laten verrichten zou nieuw zijn. Hierover vindt overleg met DNB plaats.

Suggestie 5 (ruimere informatiedeling DNB met partners) en suggestie 8 (toepassing maatschappelijk betamelijk handelen op beroepsgroepen advocaten, notarissen, accountants en fiscalisten) zullen in gezamenlijkheid met de Minister van Veiligheid en Justitie worden bezien.

23 juli 2017

Framing | “Wet aanpak belastingontduiking” gaat niet over belastingontduiking

door Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht @Pellicaan

In het artikel voor mijn algemene weblog “Framing | “Wet aanpak belastingontduiking” gaat niet over belastingontduiking“, signaleer ik dat de consultatie onder meer gaat over “Openbaarmaking van vergrijpboeten aan deelnemers“, wat een ruimere groep is dan alleen ‘juridische beroepsbeoefenaren’ (zoals gesuggereerd wordt in teksten van het ministerie van financiën).

%d bloggers liken dit: