3 mei 2013

Wijzigingen in voor trustkantoren relevante informatie van DNB

door Ellen Timmer

Uit de nieuwsbrief van DNB van heden blijkt dat een aantal internetpagina’s met voor trustkantoren relevante informatie zijn aangepast. Onderstaand een overzicht van de pagina’s met de toelichting van DNB over de inhoud.

  • Toetsing bestuurders, commissarissen en andere beleidsbepalers. Bestuurders, commissarissen en andere beleidsbepalers van onder toezicht staande ondernemingen worden op betrouwbaarheid en/of geschiktheid getoetst. Afhankelijk van het type onderneming wordt deze toetsing uitgevoerd door DNB of AFM. Een voorgenomen benoeming dient altijd gemeld te worden aan DNB, via het Meldingsformulier Benoeming. Als de kandidaat niet eerder door DNB of AFM is getoetst, moet ook het Betrouwbaarheidsformulier ingediend worden.
  • Wegwijs in sanctieregelgeving. Op deze pagina zijn de vindplaatsen van alle informatie inzake sanctieregelingen, ontheffingsmogelijkheden, meldingen en vragen opgenomen.
  • 16 april 2013

    Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren

    door Ellen Timmer

    Op 28 maart jl. heeft College van Beroep voor het bedrijfsleven een belangrijke uitspraak gedaan over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze uitspraak een bredere betekenis voor het financiële toezichtrecht. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:

    • “domicilieverlening” in de zin van de Wtt
    • de grondslag voor de ‘documentatieverplichtingen’ voor trustkantoren
    • bestuursrechtelijke resultaatsverplichtingen
    • de bewijslast
    • de wijze waarop de last is omschreven in de last onder dwangsom
    • de cautie

    Belangrijke overwegingen over de ‘resultaatsverplichtingen’ in het bestuursrecht:

    5.3.6  Ten aanzien van de achtste, elfde en twaalfde grief van [appellant] overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op trustkantoren op grond van de artikelen 12, 13, 14 en 18 van de Rib een aantal duidelijke (resultaats)verplichtingen rust. De in deze artikelen neergelegde verplichtingen zijn concreet ten aanzien van het verzamelen, controleren en administreren van specifiek omschreven informatie. Het College vermag niet in te zien dat het hier niet (ook) om resultaatsverplichtingen zou gaan, nu specifiek is bepaald over welke kennis het trustkantoor dient te beschikken en welke gegevens opgevraagd en in de cliëntadministratie vastgelegd moeten worden. Dat een trustkantoor, zoals [appellant] betoogt, wellicht “geen absolute zekerheid” kan verkrijgen omtrent een deel van de onderwerpen waarvan documentatie is vereist, doet daar niet aan af. Daargelaten wat onder “absolute zekerheid” moet worden verstaan, merkt het College op dat “absolute zekerheid” niet de maatstaf is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een trustkantoor aan de uit de Wtt en Rib voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
    De stelling van [appellant] dat ten aanzien van de verplichtingen op grond van het eerste lid van artikel 10 Wtt en de Rib voor haar niet (voldoende) kenbaar is geweest op welke wijze zij daaraan moest voldoen, kan niet worden gevolgd. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de in de Rib neergelegde normen voldoende concreet duidelijk maken, welke handelingen van een trustkantoor worden verlangd.
    Het College ziet voorts in de gedingstukken geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen die DNB aan de inrichting van het cliëntacceptatiedossier en het vergaren van de gevraagde informatie heeft gesteld, voor [appellant] niet voldoende duidelijk waren of dat deze eisen, zoals [appellant] heeft gesteld, zouden hebben gewisseld. Uit de stukken blijkt dat DNB in haar brieven naar aanleiding van de gehouden bezoeken steeds uiteen heeft gezet waarom en op welke punten de dossiers van [appellant] te kort schoten.

    Op een later tijdstip hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de betekenis van deze uitspraak voor de financiële toezichtpraktijk.

    Tags: , , ,
    28 maart 2013

    Tegenlicht “Tax Free Tour” (VPRO) over belastingparadijzen

    door Ellen Timmer

    Afgelopen maandag was de eerste uitzending van VPRO Tegenlicht over belastingparadijzen. Op Uitzending Gemist kan de uitzending worden bekeken. Er staat ook een link naar de uitzending op de site van Tegenlicht zelf. Reacties op de eerste uitzending zijn hier te vinden.

    Meer informatie op de site van VPRO Tegenlicht.


    Aanvulling 2 april 2013: Er is veel aandacht voor het onderwerp, zie onder meer:
    # Robert Swaak (PwC): ‘Discussie over brievenbusfirma’s ondermijnt vestigingsplaats’ (FD), via accountant.nl
    # VVD’er Van Baalen: druk op belastingparadijzen opvoeren
    # Zuid-Europese bedrijven drukken belasting met Nederlandse postbusfirma’s
    # Shell en ABN Amro hebben meeste postbusfirma’s in belastingvrije landen
    Uiteraard worden er ook kamervragen gesteld naar aanleiding van de Tax Free Tour. Dus het laatste woord is voorlopig vast nog niet gesproken.

    Aanvulling 1 mei 2013: Een ander geluid komt van Bernard Hammelburg in zijn column voor BNR, onder de titel “Fiscale moreelridders”, hij start zijn column met “Plotseling is het weer eens hip om met het moralistische wijsvingertje naar belastingparadijzen te wijzen – een modeverschijnsel dat van tijd tot tijd de kop opsteekt.”

    Aanvulling 27 mei 2013: inmiddels heeft de staatssecretaris van financiën kamervragen beantwoord, zie dit pdf-bestand.

    28 maart 2013

    DNB start onderzoek naleving Wwft

    door Ellen Timmer

    In een bericht dat is opgenomen in de nieuwsbrief voor banken, laat DNB weten dat dit voorjaar onderzoek zal worden gedaan naar naleving van de Wwft, ook bij trustkantoren. Hierna volgt de tekst.

    DNB start onderzoek naleving Wwft

    Nieuwsbericht 28 maart 2013

    De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is gewijzigd. Dit voorjaar controleert DNB de naleving daarvan.

    Belangrijke wetswijzigingen
    Per 1 januari 2013 is de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gewijzigd. De belangrijke wijzingen zijn:

    • Banken moeten informatie over klanten altijd actueel houden.
    • De identiteit van de zogenoemde ‘uiteindelijk belanghebbende’ moet altijd worden geverifieerd. Deze verificatie kan risicogebaseerd plaatsvinden: naarmate het risicoprofiel van een klant hoger is, moet een bank meer informatie inwinnen over diens identiteit.
    • Banken moeten voortdurend alert zijn op ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die een hoger witwasrisico inhouden.

    Politiek prominenten
    De Wwft bevat ook nieuwe voorschriften voor politiek prominente personen (PEP). Dit betekent dat voortaan ook buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Eerder gold dit verscherpte toezicht al voor PEP’s die buiten Nederland wonen.
    DNB heeft de banken een coulanceperiode van drie maanden geboden. In deze periode konden de banken hun systemen aanpassen, zodat ze vanaf 1 april 2013 aan deze nieuwe bepaling kunnen voldoen.

    Eisen aan banken
    Wat moeten banken doen om te voldoen aan de vernieuwde Wwft? De hierboven genoemde belangrijke wetswijzigingen zijn al opgenomen in de DNB Leidraad Wwft uit 2011. Dat betekent dat ze daarmee al gangbare praktijk moeten zijn. Nu wordt deze praktijk in de wet verankerd. Dit betekent dat het nu niet langer om aanbevelingen gaat, maar om wettelijke bepalingen.

    Thema-onderzoek van DNB
    DNB gaat in de eerste helft van 2013 controleren op de naleving van de Wwft. De toezichthouder stuurt dit voorjaar een vragenlijst naar een aantal banken, levensverzekeraars en trustkantoren. Zij krijgen vragen over de manier waarop ze hun cliënten monitoren en screenen. Ook onderzoekt DNB of banken en andere instellingen voldoende alert zijn op ongebruikelijke transacties.
    Op basis van dit vooronderzoek selecteert DNB een tiental instellingen voor verder onderzoek. DNB zal het onderzoek dit najaar afronden en de belangrijkste generieke bevindingen ook via deze Nieuwsbrief bekend maken.

    Meer informatie
    Wilt u meer weten? Mail Maud Bökkerink van het DNB Expertisecentrum Cultuur, Organisatie en Integriteit: m.j.bokkerink@dnb.nl

    14 maart 2013

    Verschaffen van inlichtingen kan onder terrorismefinanciering vallen (naar aanleiding van wetsvoorstel)

    door Ellen Timmer

    Op 22 november 2012 is een wetsvoorstel inzake strafbaarstelling financieren van terrorisme ingediend. Op 5 februari 2013 is het verslag vastgesteld. Het valt te verwachten dat het voorstel snel door Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen, aangezien wetgeving op het gebied van witwassen, terrorismefinanciering en aanverwante terreinen veelal in een noodtempo door het parlement wordt gejaagd.

    Dit soort strafwetgeving is niet alleen van belang voor strafrechtspecialisten. Degenen die zich moeten houden aan de Nederlandse toezichtwetgeving, zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op het financieel toezicht (Wft) krijgen ook met strafrechtelijke begrippen als “witwassen” en “terrorisme financieren” te maken.

    Het begrip “financiering van terrorisme” in het voorgestelde artikel 421

    In het wetsvoorstel werd voorgesteld een nieuwe titel XXXI. in het Wetboek van Strafrecht op te nemen:

    TITEL XXXI. FINANCIEREN VAN TERRORISME
    Artikel 421
    1. Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie:
    a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;
    b. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in:
    – de artikelen 117 tot en met 117b alsmede artikel 285, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen;
    – de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 161quater, 173a en 284a alsmede de artikelen 140, 157, 225, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322 en 326, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal;
    – de artikelen 162, 162a, 166, 168, 282a, 352, 385a tot en met 385d;
    – de artikelen 92 tot en met 96, 108, 115, 121 tot en met 123, 140, 157, 161, 161bis, 161sexies, 164, 170, 172, 287, 288 en 289, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is.
    2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

    Interessant is dat het begrip “financieren” van terrorisme een heel ruim gebied van activiteiten omvat, nl. het opzettelijk,

    • zichzelf (!) of een ander middelen of inlichtingen verschaffen, of
    • voorwerpen verzamelen, verwerven, voorhanden hebben of aan een ander verschaffen,

    als die middelen/inlichtingen/voorwerpen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan een terroristisch misdrijf. De grote vraag is natuurlijk wanneer sprake is van opzet, zeker als iemand inlichtingen verschaft. Ook rondom begrippen als “geldelijke steun verlenen” en dit “middellijk” doen, kunnen vele vraagtekens worden gezet.

    Deze bepaling komt naast alle andere bepalingen in ons strafrecht die op terrorisme betrekking hebben en dat zijn er inmiddels een respectabel aantal.

    Is de nieuwe strafbepaling wel nodig; relatie met FATF standpunt

    In het verslag van 5 februari jl. worden een groot aantal vragen gesteld. De VVD merkt op:

    In het wetsvoorstel wordt aangegeven dat het tot stand is gekomen na kritiek van de Financial ActionTask Force (FATF) op de Nederlandse wijze van strafbaarstelling van het financieren van terrorisme, namelijk via de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen ex artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de strafbaarstelling van deelneming aan een terroristische organisatie ex artikel 140a jo. 140, vierde lid Sr. Deze leden vragen de regering of het inderdaad klopt dat internationale verdragen dwingen tot een autonome strafbaarstelling van de financiering van terroristische activiteiten. Wat is de status van de FATF en kan deze organisatie bindende verplichtingen opleggen? Wat zouden de gevolgen vanuit internationaal oogpunt zijn als er naar aanleiding van de kritiek van de FATF niet zou zijn gekozen voor het presenteren van een wetsvoorstel met een autonome strafbaarstelling van financiering van terroristische activiteiten? Wat zijn de Nederlandse overwegingen geweest een autonome strafbaarstelling voor te stellen? Is er binnen de FATF voldoende aandacht voor staten waarin het financieren van terroristische activiteiten in het geheel nog niet strafbaar is? Dringt de Nederlandse regering erop aan dat de FATF ook ten opzichte van die landen druk uitoefent te komen tot een effectieve aanpak van terrorisme?

    Ook de PvdA stelt dergelijke vragen:

    Deze wetswijziging wordt voorgesteld op advies van de FATF. De regering is van mening dat de huidige uitwerking van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (VN Verdrag) hetzelfde doel bereikt als het wetsvoorstel dat nu voorligt. Is er ruimte geweest in de beoordeling van het advies van de FATF niet te volgen omdat, in de geest van het verdrag, is voldaan aan de verdragsrechtelijke plicht? Kan worden aangegeven hoe die afweging tot stand is gekomen? Ook het College van procureurs-generaal concludeert in haar advies dat de huidige regelgeving reeds voldoet aan de voorwaarden gesteld in de Interpretive Note (verbindende uitleg) van de FATF. Waarom is tóch besloten tot het aanpassen van de huidige regeling? Kan de regering bij de beantwoording van deze vraag de dubbele strafbaarheid betrekken? Immers, een van de redenen die de FATF noemt voor de aanpassing van de huidige regelgeving zijn de problemen die zouden kunnen ontstaan bij het verlenen van wederzijdse internationale rechtshulp als gevolg van het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Deelt de regering de mening van de FATF dat bij een rechtshulpverzoek problemen kunnen ontstaan ten aanzien van de dubbele strafbaarheid? Is uit de rechtspraktijk gebleken dat dit probleem bestaat? Zo ja, kan de regering daar voorbeelden van geven? Als er nog geen voorbeelden uit de rechtspraktijk zijn, waarop baseert de regering en de FATF dan dat vermoeden?

    De regering is van mening dat onder de huidige regelgeving terrorismefinanciering in beginsel ook met toepassing van artikel 46 Sr effectief kon worden bestreden. Is het onderhavige wetsvoorstel een beperking of een uitbreiding ten opzichte van de huidige regeling? Zo ja, wil de regering op die beperking of uitbreiding ingaan en daarin tevens aangeven wat die verandering tot gevolg heeft voor de rechtspraktijk?

    De regering werkt door middel van dit wetsvoorstel nadere adviezen van de FATF uit om personen of instanties die meewerken aan het financieren van terroristische misdrijven of pogingen daartoe strafbaar te stellen. (…)

    Kritische vragen komen ook van SP en D66:

    De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij constateren dat het wetsvoorstel beoogt het financieren van terrorisme uitdrukkelijk en expliciet strafbaar te stellen en dat hiertoe een nieuw artikel 421 Sr wordt geïntroduceerd. Naar huidig recht is het financieren van daden van terrorisme vervolgbaar als strafbare voorbereiding van een ernstig misdrijf ex artikel 46 Sr. Daarnaast is naar huidig recht het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie strafbaar als deelneming aan die organisatie. Kan de regering toelichten tot welke problemen de huidige mogelijkheden leiden en waarom een nieuw artikel nodig c.q. wenselijk is? De regering stelt ervan overtuigd te zijn dat terrorismefinanciering in beginsel ook met toepassing van artikel 46 Sr effectief kan worden bestreden. Kan de regering inzicht bieden in de resultaten tot nu toe? Hoeveel personen en organisaties zijn de laatste jaren op grond van deze bepalingen aangepakt? Worden er momenteel personen niet vervolgd ten aanzien van wie dat wel wenselijk zou zijn? Welk probleem lost dit wetsvoorstel op? (…)

    De leden van de D66- fractie begrijpen dat het voorliggende wetsvoorstel voortkomt uit de verplichtingen die Nederland heeft jegens de FATF en haar aanbeveling en voorkeur voor een autonome strafbaarstelling. Desondanks blijft de regering overtuigd dat terrorismefinanciering in beginsel ook met toepassing van artikel 46 Sr effectief kan worden bestreden. Kan de regering scherp toezien op de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel en is er in dat kader ruimte voor een mogelijke evaluatie? Als dit wetsvoorstel daadwerkelijk overbodig blijk te zijn, is intrekking dan mogelijk in overleg met de FATF?

    Compliance

    Er worden ook vragen gesteld die betrekking hebben op de positie van financiële instellingen, die met deze strafbaarstelling rekening moeten houden:

    De leden van de PvdA-fractie vragen of dit in de praktijk niet tot problemen zal leiden. In hoeverre moet een financiële instelling alert zijn als een cliënt gebruik wil maken van haar diensten en deze cliënt ooit veroordeeld is voor een terroristisch misdrijf of deelname aan een terroristische organisatie? Wordt van de financiële instelling verwacht dit te melden bij de politie of het Openbaar Ministerie (OM)? Als de financiële instelling het niet meldt en toch sterk het vermoeden heeft dat er iets niet klopt, kan de financiële instelling dan vervolgd worden voor medeplichtigheid aan het financieren van terrorisme of een poging daartoe? Kan in deze casus sprake zijn van voorwaardelijk opzet? Kan de regering ingaan op deze casus?

    Het vervolg

    Het is interessant om te zien wat het vervolg van dit voorstel zal zijn.

    Meer informatie: het dossier bij overheid.nl, site Eerste Kamer

    7 maart 2013

    Aanpak van illegale trustkantoren door DNB

    door Ellen Timmer

    Misschien een beetje laat om te signaleren, maar vorige jaar verscheen in het DNB Magazine een wel zeer oninformatief artikel over de trustkantoren sector. Weliswaar was het thema “de mensen van het Frederiksplein”, maar dat betekent dan nog niet dat je de marketing mensen een vrije hand moet geven in het schrijven van een stukje dat alleen op “feel good” misdaadbestrijding is gericht.

    Tenslotte is in 2012 de Wet toezicht trustkantoren ingrijpend gewijzigd en het begrip “trustdiensten” sterk verruimd. Daar hadden de lezers van het DNB Magazine ook over geïnformeerd mogen worden.

    1 maart 2013

    De compliancemedewerker in de financiële sector, “nice guys finish last”

    door Ellen Timmer

    Iedereen kent natuurlijk de prachtige artikelen van Joris Luyendijk over de financiële sector. Recent verscheen er een in het NRC onder de titel “Pas nu realiseer ik: zo ontduik je de belasting”, waarin een compliancemedewerker verzucht “We werden gezien als ‘business breakers’ die de sterren ervan weerhouden te scoren.”

    Lezen dus!

    Tags:
    1 maart 2013

    Bericht DNB “Kosten doorlopend toezicht op trustkantoren”

    door Ellen Timmer

    Op 25 februari 2012 publiceerde DNB onderstaand bericht op de website:

    Kosten doorlopend toezicht op trustkantoren

    De Nederlandsche Bank (DNB) brengt jaarlijks kosten in rekening aan trustkantoren met een vergunning van DNB voor de kosten van de uitvoering van haar toezicht. Met ingang van 1 januari 2013 is de berekeningswijze van deze jaarlijkse kosten gewijzigd.

    Op grond van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) zullen trustkantoren een procentueel aandeel van de zogenoemde overige kosten uit de begroting van DNB voor hun rekening moeten nemen. In 2013 is dit percentage bepaald op 0.9 procent. Voor de jaren 2014 – 2017 bedraagt dit percentage 1.2 procent van de totale toezichtkosten.

    De kosten die een individueel trustkantoor moet betalen voor het toezicht wordt vervolgens bepaald  aan de hand van een maatstaf. De maatstaf voor trustkantoren is de omzet (bijlage II van de Wbft) waarbij de hoogte van het in rekening te brengen bedrag voor het trustkantoor wordt bepaald door de daadwerkelijk behaalde omzet uit trustdiensten.

    Voor de kosten die in rekening worden gebracht, wordt de omzet verdeeld in bandbreedtes waaraan de tarieven zijn gekoppeld. Deze zullen uiterlijk per 1 juni van elk jaar op voorstel van DNB bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Wat een individueel trustkantoor moet betalen, kan deze na 1 juni met behulp van de ministeriële regeling zelf uitrekenen. De factuur wordt in de tweede helft van het jaar verzonden.

    1 maart 2013

    Trustkantoren in “Thema’s DNB Toezicht 2013”: Wwft en concernfinancieringsmaatschappijen

    door Ellen Timmer

    In “Thema’s DNB Toezicht 2013” worden trustkantoren op een aantal plaatsen genoemd.

    Witwasbestrijding

    In hoofdstuk 5, Sterk bestuur, integere cultuur, paragraaf 5.3, pagina 25, wordt melding gemaakt van extra aandacht voor witwasbestrijding:

    DNB gaat dit jaar daarom bij banken, verzekeraars en trustkantoren onderzoek doen naar de kwaliteit van hun voortdurende controle van cliënten en transacties in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Financiële instellingen zijn op grond van de Wwft verplicht om ongebruikelijke transacties te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland. Door de transacties en activiteiten van cliënten te monitoren zijn instellingen beter in staat om dit soort transacties te herkennen. Daarnaast onderzoekt DNB bij de schadeverzekeraars de naleving van de Sanctiewet, waarmee overigens al in het najaar 2012 is gestart.

    DNB verwacht van de instellingen dat zij binnen alle lagen van de organisatie overtuigd zijn van nut en noodzaak van naleving van deze wetgeving. Dit dient zich bij alle instellingen te uiten in een duidelijke inzet en prioriteitenstelling gericht op naleving van anti-witwas-wetgeving. Dit betekent onder andere dat het ongewenst is compliancetaken over te dragen naar eerstelijnsfuncties en budgetten en capaciteit van de compliancefuncties te verminderen. Ook moeten de geautomatiseerde systemen voor de monitoringstaken adequaat zijn en rekening houden met de risicoclassificaties van cliënten.

    DNB gaat in 2013 onderzoek doen bij de grote banken, verzekeraars en trustkantoren. In het eerste kwartaal zullen deze instellingen worden aangeschreven met het verzoek een vragenlijst in te vullen die inzicht moet geven in de wijze waarop zij de voortdurende controle vormgeven. Naar aanleiding daarvan zullen in het tweede kwartaal ter plaatse onderzoeken plaatsvinden. Mogelijk zullen er transacties worden opgevraagd. Tevens zal DNB in het tweede kwartaal een bijeenkomst organiseren om met de sector in gesprek te gaan over het naleven van de normen. De bevindingen, inclusief mogelijke good practices, zullen met de sector worden gedeeld.

    Concernfinancieringsmaatschappijen

    In paragraaf 5.6, schaduwbankieren door concernfinancieringsmaatschappijen, pagina 27, wordt gezegd dat DNB vermoedt dat een deel van de in Nederland gevestigde concernfinancieringsmaatschappijen (CFM’s) niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor ontheffing van een bankvergunning. DNB start daarom dit jaar een onderzoek naar de activiteiten van de CFM’s. DNB schrijft

    Van faciliterende instellingen zoals trustkantoren verwacht DNB dat zij zich bewust zijn van hun rol bij het voorkomen van illegale activiteiten door CFM’s.

    27 februari 2013

    Trustkantoor is financiële instelling

    door mr R.W. van der Grinten

    In tegenstelling tot wat enkele auteurs zoals Frielink (Toezicht trustkantoren in Nederland, eerste druk, pagina 2)  en Lugard (Tijdschrift voor Compliance, 2006-04) in het verleden meenden, zijn trustkantoren weldegelijk financiële instellingen. In het onderstaande arrest wordt in r.o. 5 vastgesteld dat: ´´Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen.´´

    In het onderstaande arrest wordt bevestigd dat DNB niet op basis van een WOB procedure gesommeerd kan worden inzage te geven in allerhande niet publiek voorhanden zijnde stukken. Ook wordt bevestigd dat DNB wel rekening heeft te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals verwoord in de Awb.

    Hierna volgt de integrale tekst van arrest 201208382/1/A3.

    Datum uitspraak: 23 januari 2013

    AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK van de Raad van State

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B en S Management Rhoon B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard (hierna: BSMR),

    appellante,

    tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 inzaak nr. 10/3221 in het geding tussen:

    BSMR

    en

    De Nederlandsche Bank N.V (hierna: DNB).

    Procesverloop

    Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB een verzoek van BSMR om openbaarmaking van documenten afgewezen.

    Bij besluit van 22 juli 2010 heeft DNB het door BSMR daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

    Bij uitspraak van 13 januari 2011 heeft de rechtbank het door BSMR daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door BSMR gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft BSMR bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) hoger beroep ingesteld.

    DNB heeft een verweerschrift ingediend.

    Bij uitspraak van 2 februari 2012 heeft het CBb zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van BSMR kennis te nemen en bepaald dat het hoger beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden doorgezonden aan de Afdeling.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2012, waar BSMR, vertegenwoordigd door haar [directeur], en DNB, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam en mr. E. Kogan, werkzaam bij DNB, zijn verschenen.

    Overwegingen

    1.  Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

    a.  (…);

    b.  (…);

    c.  (…);

    d.  andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

    Ingevolge artikel 2, eerste lid, verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, heeft De Nederlandsche Bank tot taak het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder toezichthouder verstaan: De Nederlandsche Bank N.V.

    Ingevolge artikel 12, eerste lid, worden gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, zijn ontvangen, niet gepubliceerd en zijn deze geheim.

    Ingevolge het tweede lid is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, verkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (hierna: het Besluit) is als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob uitgezonderd: de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt en de Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de artikelen 2a, 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22, 25a, 46 en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006.

    2.  Bij brief van 5 februari 2010 heeft BSMR DNB op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van vergunningaanvragen van BSMR, Adcomp en Forum. Tevens ziet het verzoek op dossiers over virtuele kamerverhuur en het risicoanalyse-dossier met betrekking tot advocatenkantoor Nauta Dutilh.

    Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit is uitgezonderd van de toepassing van de Wob. Hiertoe heeft zij in aanmerking genomen dat onder artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 ook de toezichtwerkzaamheden vallen die zij op grond van de Wtt uitoefent.

    Aan het besluit van 22 juli 2010 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van BSMR heeft DNB ten grondslag gelegd dat de Wob niet op haar van toepassing is, wat maakt dat haar beslissing op het verzoek van BSMR van 16 maart 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van deAlgemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

    3.  De rechtbank heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verwijzing in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit naar de taken en de bevoegdheden van DNB op grond van artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 mede ziet op het toezicht uit hoofde van de Wtt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat DNB met betrekking tot de door BSMR opgevraagde informatie niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob.Voorts komt DNB op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wtt evenmin de bevoegdheid toe om de door BSMR gevraagde informatie openbaar te maken.

    Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 16 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft DNB het door BSMR gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

    4.  BSMR betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob. Hiertoe voert zij aan dat het toezicht dat aan DNB is toegewezen op grond van de Wtt niet valt onder de werkzaamheden genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Voorts heeft de rechtbank miskend dat zij niet als financiële instelling kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, nu zij geen financiële instelling is maar handelsactiviteiten onderneemt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de gevraagde documenten onder artikel 12 van de Wtt vallen.

    5.  Mede gelet op haar uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr.<a target=”_blank” href=”http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=QM4ou8ZgxGM%3D”>201007835/1/H3</a>is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 16 maart 2010 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt.

    Het verzoek van BSMR heeft betrekking op stukken die DNB op grond van de Wtt onder zich heeft.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat DNB met betrekking tot de door BSMR verzochte openbaarmaking van documenten als bestuursorgaan in de zin van de Wob is uitgezonderd. Nu de Wob op het verzoek van BSMR niet van toepassing is, wordt aan een toets aan artikel 2, eerste lid, van de Wob, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van de Wtt, niet toegekomen.

    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank met juistheid het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2010 vernietigd en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

    6.  Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

    7.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Recht doende in naam der Koningin:

    bevestigt de aangevallen uitspraak.

    Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

    w.g. Van Altena  w.g. Klein

    voorzitter  ambtenaar van staat

    Tags: ,