5 april 2022

Nieuwe regelgeving voor trustkantoren in aantocht

door Ellen Timmer

In de brief van 1 april jl. van de ministers van Financiën en Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de toespraak van Zelensky zijn ook toezeggingen inzake trustkantoren opgenomen, zie onderstaand citaat en de door mij blauw gemarkeerde passage:

Trustkantoren

De heer Omtzigt heeft geïnformeerd of DNB bij trustkantoren de ultimate beneficial owner weet en daar streng toezicht op houdt.

Het is van belang onderscheid te maken tussen uiteindelijk belanghebbenden van trustkantoren zelf en van de cliënten van trustkantoren. Bij een vergunningaanvraag wordt de organisatie van een trustkantoor door de Nederlandsche Bank (DNB) beoordeeld, waaronder de uiteindelijk belanghebbende van het trustkantoor. Een trustkantoor is verplicht hierover informatie aan te leveren bij de vergunningaanvraag. Nadat een vergunning is verstrekt, moeten wijzigingen in de organisatie van het trustkantoor bij DNB worden gemeld. Dit geldt onder meer in geval van wijzigingen in deelnemingen, maar ook in geval van wijzigingen van de uiteindelijk belanghebbende (artikel 8 Wet toezicht trustkantoren 2018). Het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens is een overtreding van de wet en kan tot sancties of intrekking van de vergunning leiden.

DNB houdt intensief toezicht op trustkantoren. Bij overtredingen van de wet kan DNB handhavend optreden. Het regelgevend kader voor trustkantoren in Nederland is streng en DNB rapporteert jaarlijks aan de minister van Financiën over de naleving van de wetgeving door de sector.

In relatie tot cliënten, geldt dat trustkantoren verplicht zijn om bij elke zakelijke relatie de uiteindelijk belanghebbende vast te stellen. Dit betreft niet alleen de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt, maar ook de uiteindelijk belanghebbende van de doelvennootschap ten behoeve waarvan de trustdienst wordt verricht (zie artikel 25 in combinatie met de artikelen 27 tot en met 30 Wet toezicht trustkantoren 2018). Het is op grond van artikel 23 van de Wet toezicht trustkantoren 2018 verboden voor een trustkantoor om een zakelijke relatie aan te gaan als de uiteindelijk belanghebbende niet is vastgesteld. Trustkantoren zijn verplicht om een voortdurende controle op deze gegevens te doen.

Voor de informatie die DNB verkrijgt in de uitoefening van haar taak op grond van de Wet toezicht trustkantoren geldt een geheimhoudingsplicht. DNB kan geen mededelingen doen die herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen (artikel 55 Wet toezicht trustkantoren 2018). Op grond van de artikelen 56 tot en met 58a van de Wet toezicht trustkantoren 2018 kan DNB aan enkele specifieke autoriteiten toezichtinformatie verstrekken. Dit geldt onder meer voor de instanties die belast zijn met de uitvoering van de sanctieregelgeving en met de partners in het Financieel Expertise Centrum. DNB kan geen toezichtvertrouwelijke informatie verstrekken aan de minister van Financiën.

Ook trustkantoren moeten, net als eenieder in Nederland, voldoen aan de Sanctiewet. Bij trustkantoren is er daarbij toezicht van DNB op de naleving van de regels die gesteld zijn voor de bedrijfsvoering met betrekking tot de administratieve organisatie en de interne controle van trustkantoren. Trustkantoren melden relaties met gesanctioneerde personen of bedrijven en bevriezingen bij DNB en DNB geeft deze meldingen door aan de minister van Financiën. Per brief van 31 maart jl. is weergegeven dat trustkantoren 138 meldingen hebben gedaan van relaties met gesanctioneerde personen of bedrijven en circa EUR 227 miljoen hebben bevroren. Zoals de minister van Financiën eerder heeft toegelicht worden bij trustkantoren doorgaans niet direct tegoeden aangehouden. Het gaat bij trustkantoren om bevriezing van vermogensbestanddelen van een doelvennootschap die door het trustkantoor als bestuurder van de doelvennootschap worden beheerd.

In het kader van deze vraag wijzen wij er verder op dat in opdracht van de minister van Financiën op dit moment onderzoek wordt gedaan naar de toekomst van de trustsector in Nederland.[1] De uitkomsten van dit onderzoek worden deze zomer, voorzien van een appreciatie door de minister van Financiën, aangeboden aan uw Kamer.

De ministerraad heeft vandaag ingestemd met het voorstel van de minister van Financiën om een wetsvoorstel voor spoedadvies voor te leggen aan de Raad van State waarin dienstverlening door trustkantoren gericht op Russische geldstromen wordt verboden. In het wetsvoorstel is ook een verbod om doorstroomvennootschappen aan te bieden en om trustdiensten te verlenen met betrokkenheid van derde-hoogrisicolanden op witwasgebied of non-coöperatieve landen op belastinggebied opgenomen. Na verwerking van het spoedadvies wordt het wetsvoorstel ingediend bij uw Kamer.

[1] Kamerstukken II, 2020/21, 32 545, nr. 144.

Tags: ,
4 april 2022

Russenverbod voor trustkantoren

door Ellen Timmer

Het kabinet kondigt een Russenverbod voor trustkantoren aan. Opvallend is dat ook over een verbod op doorstroomvennootschappen wordt gesproken, terwijl die er volgens een onderzoek van DNB vrijwel niet meer bij trustkantoren zijn.

Merkwaardig is dat het Russenverbod alleen voor trustkantoren wordt ingesteld en niet voor andere ondernemingen, zoals banken.

Mogelijk is het verbod een voorbode voor afschaffing van trustkantoren, al lijkt me dat juridisch onmogelijk, omdat het juridisch al hoogst discutabel is dat het zijn van statutair bestuurder vergunningplichtig is.

In het artikel wordt onjuiste informatie over trustdiensten verschaft: in de praktijk zijn trustkantoren of aan hen verbonden personen meestal statutair bestuurder van rechtspersonen en verlenen zij domicilie aan de door hen bestuurde rechtspersonen. Het structureren van geldstromen wordt anders dan het bericht suggereert niet gedaan door trustkantoren, maar door fiscale en financiële adviseurs van de rechtspersonen.

23 maart 2022

Tweede trustkantoren-uitspraak op rechtspraak.nl en in het FD

door Ellen Timmer

Eerder schreef ik over de tweede trustkantoren-uitspraak, waarin een generieke opzegging door ING aan de orde was. De besproken uitspraak is op rechtspraak.nl verschenen. Het FD schreef over de uitspraak, overigens kwam in de uitspraak de Russische connectie beperkt aan de orde.

4 maart 2022

De lijst van hoogrisicolanden van AMLC; risico-indicatoren offshore vennootschappen | Wwft, AMLC

door Ellen Timmer

Het Nederlandse ‘Anti Money Laundering Centre‘ (AMLC) maakte eind februari risico-indicatoren inzake offshore vennootschappen bekend. AMLC hanteert hier een eigen lijst van risicolanden, het zijn:

Andorra, Anguilla, Antigua & Barbuda, Aruba, Bahama’s, Barbados, Belize, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Cook Islands, Costa Rica, Curaçao, Cyprus, Dominicaanse Republiek, Dominica, Gibraltar, Guernsey, Hong Kong, Isle of Man, Jersey, Kaaiman Eilanden, Liberia, Liechtenstein, Luxemburg, Maleisië, Malta, Marshall eilanden, Mauritius, Monaco, Montserrat, Panama, Saint Kitts & Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent & de Grenadines, Samoa, Seychelles, Singapore, Turkije, Turks- & Caicoseilanden, Vanuatu, Verenigde Arabische Emiraten (Dubai) en Zwitserland.

Incrowd
De manier waarop de lijst tot stand is gekomen ziet er niet erg wetenschappelijk uit. AMLC schrijft:

Onze methode is als volgt geweest: we hebben allereerst bronnen (organisaties) geselecteerd die landenlijsten publiceren in relatie tot risico’s voor witwassen, corruptie, terrorismefinanciering, belastingfraude etc. Denk aan de FATF, IMF, Oxfam Novib en de OECD. Daarnaast hebben we twee interviews afgenomen met vakdeskundigen waarin we hebben gevraagd om risicolanden in hun optiek. Vervolgens hebben we deze lijsten naast elkaar gelegd en de landen geselecteerd die vier keer of meer voorkwamen op de diverse lijsten. Hieruit kwam uiteindelijk een lijst met 42 landen naar voren.

Zo te zien zijn is deze lijst tot stand gekomen via een incrowd van partijen die vooral bezig zijn met het promoten van hun eigen politieke antiwitwasagenda, zoals in de private sector Oxfam Novib en in de publieke sector FATF en OECD. De ‘vakdeskundigen’ zijn ongetwijfeld afkomstig uit de opsporing.

Gelet op de ernstige schade die de witwasbestrijding nu al toebrengt, onder meer aan het midden- en kleinbedrijf en de not-for-profit, is het hoog tijd dat anderen dan bevooroordeelde witwasbestrijding promotende partijen betrokken worden bij dit soort beoordelingen.

Europese schurkenstaten
Opvallend is dat er ook Europese landen op de lijst staan: Cyprus, Gibraltar, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Monaco en Zwitserland.

Als Luxemburg en Zwitserland risicolanden zijn, rijst de vraag waarom het Verenigd Koninkrijk en Nederland niet eveneens een risicoland zijn…

Is het dan niet beter de hele EU als risicogebied aan te merken en heel oost-Europa? Nog makkelijker is om de hele wereld als risicogebied te bestempelen.


Bericht AMLC

Hun aankondiging:

Risico-indicatoren offshore vennootschappen
28 februari 2022 16:20

Het AMLC-project offshore vennootschappen is gericht op het in kaart brengen van witwasrisico’s van offshore vennootschappen in relatie tot Nederland. Offshore vennootschappen worden genoemd als een grote witwasdreiging voor Nederland. Gezien alle publicaties rond het investeren van crimineel geld in vastgoed ligt in eerste instantie hier de prioriteit. De afgelopen periode is in het project onderzoek gedaan naar offshore vennootschappen die in Nederland vastgoed hebben aangekocht. Dit heeft tot concrete signalen geleid, maar ook tot een overzicht van kenmerken van die signalen die zijn beschreven als risico-indicatoren. Het document is hier te vinden.

Met offshore vennootschap wordt hier bedoeld een buitenlandse rechtspersoon opgericht en geregistreerd in een risicoland. Het gebruik van deze offshore vennootschappen is niet verboden en kan een legitieme bedrijfseconomische of juridische reden hebben. Het hier te lande aanhouden van vastgoed (als eigenaar of hypotheeknemer) door offshore vennootschappen biedt daarentegen ook allerlei kansen voor criminelen en fraudeurs om vermogen uit criminele bron te investeren en van deze investering te genieten of rendement mee te behalen.

 

Dit artikel verscheen gisteren op mijn algemene blog.

3 maart 2022

Bank handelde in strijd met zorgplicht door relatie met trustkantoor te beëindigen | Rechtbank Amsterdam 2 maart 2022

door Ellen Timmer

Gisteren heeft de Rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de de zaak van een trustkantoor tegen de bank, met als onderwerp de opzegging van de bankrelatie. De bank kreeg er flink van langs.

De Rechtbank besliste als volgt:

1. verklaart voor recht dat ING bij opzegging van de bancaire relatie met het trustkantoor in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht, althans dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;
2. verklaart voor recht dat ING tekort is geschoten jegens het trustkantoor;
3. gebiedt ING om haar dienstverlening aan het trustkantoor, onder de overeengekomen voorwaarden, voort te zetten voor onbepaalde tijd.

Aan deze beslissing ligt onder meer ten grondslag dat de bank geen behoorlijke individuele belangenafweging heeft verricht en dat de door de bank aangevoerde belangen niet in verhouding staan tot het zwaarwegende belang van het trustkantoor om over een bankrekening te beschikken.

De Rechtbank constateerde dat het trustkantoor valt binnen een wettelijk gereguleerde bedrijfstak die zelf ook onder toezicht staat en moet voldoen aan de Wwft. Uit de onderbouwing door de bank is niet gebleken dat het trustkantoor niet voldoet aan de voor haar geldende wet- en regelgeving. De bank stelde zelden vragen aan het trustkantoor en betwist niet dat de rekening alleen wordt gebruikt voor de gebruikelijke betalingen die zien op de legale bedrijfsuitoefening door het trustkantoor zelf, niet haar doelvennootschappen.

Naar ik aanneem zal de uitspraak binnenkort op rechtspraak.nl worden gepubliceerd.

 

Op 5 januari jl. besliste de Rechtbank Amsterdam in gelijksoortige zin in een zaak van een ander trustkantoor dat door mij werd bijgestaan, zie mijn bericht van gisteren en het artikel van 18 januari.

2 maart 2022

Uitspraak over opzegging bankrelatie met trustkantoor van 5 januari jl. in de AMLC nieuwsbrief

door Ellen Timmer

De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, waarin ING Bank werd verboden de bankrekening van een trustkantoor te sluiten, heeft ook de nieuwsbrief van het AMLC gehaald. Zij schrijven:

Rechtbank Amsterdam, 5 januari 2022, Bankrelatie trustkantoor:
ECLI:NL:RBAMS:2022:42

ING heeft in 2019 besloten de bankrelatie met een klein trustkantoor te willen beëindigen, omdat de bank niet langer bereid is om de hogere risico’s te aanvaarden die verbonden zijn aan de trustsector. De bank verwijst daarvoor naar onderzoek van DNB waaruit blijkt dat sommige trustkantoren de regels onvoldoende naleven. Meer specifiek stelt de bank dat het hier gaat om een klein trustkantoor met onvoldoende kennis en kunde in huis voor complexe internationale structuren die achter doelvennootschappen zitten, zonder gedegen compliance officier en raad van commissarissen of ander toezichthoudend orgaan. Het trustkantoor betwist dit en zegt dat zij al haar cliënten kent doordat zij een relatief kleine organisatie is met korte lijnen. Het kantoor onderzoekt grondig wie de UBO is en wat de structuur en de herkomst van het vermogen van de onderneming is alvorens zij hiermee in zee gaan. Bovendien beschikt het trustkantoor al sinds 2009 over een compliance officer.
De rechtbank komt op basis van een belangenafweging tot de conclusie dat de bankrelatie moet worden voortgezet. Bij beëindiging kan het trustkantoor haar onderneming niet meer voortzetten nu andere banken hebben aangegeven haar geen bankrekening te zullen geven, terwijl er geen concrete aanwijzingen zijn dat juist dit trustkantoor een integriteitsrisico vormt voor ING. Dit betekent niet dat dit in de toekomst niet anders kan komen te liggen. Er wordt door de rechtbank dan ook geen termijn verbonden aan de voortzetting van de bankrelatie, zoals door het trustkantoor is gevraagd.
Het klopt dat DNB kritisch is op de trustsector, omdat de sector regelmatig in verband wordt gebracht met belastingontduiking en witwassen. ING probeert de dienstverlening aan de trustsector sinds 2017 daarom sterk in te perken12, maar mocht hier de bestaande bankrelatie niet beëindigen van de rechter. De rechter geeft wel expliciet aan dat dit in de toekomst anders kan komen te liggen, bijvoorbeeld door concrete verdenkingen van witwassen of door maatschappelijke of politieke ontwikkelingen.

Over de uitspraak schreef ik al eerder.

2 februari 2022

DNB draagt op de Pandora Papers database te gebruiken voor het cliëntenonderzoek | Wwft

door Ellen Timmer

Op 27 januari maakte DNB bekend dat de ondernemingen onder toezicht van DNB, zoals trustkantoren, worden opgedragen om hun klanten- en relatiebestand te checken in de Pandora Papers database van het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ).

DNB schreef:

Wat moeten instellingen doen met de Pandora-papers?
27 januari 2022

DNB verwacht dat onder toezicht staande instellingen de informatie zoals de Pandora Papers in de voortdurende controle van hun cliënten en de bepaling van het risicoprofiel van deze cliënten betrekken (conform de CDD bepalingen uit de Wwft en Wtt 2018), indien nodig aanvullend onderzoek verrichten en adequate maatregelen treffen. Ook verwacht DNB dat instellingen nagaan in hoeverre deze informatie en berichtgeving impact heeft op de eigen organisatie en hun eigen bestuurders/commissarissen en daar passende maatregelen op nemen. Waar sprake is van misstanden verwacht DNB dat instellingen dit melden bij hun toezichthouder.

Gelekte informatie
Vanaf 3 oktober 2021 verscheen in diverse media wereldwijd berichtgeving over de zogenaamde Pandora Papers. In Nederland is daar door onder andere het FD en Trouw verslag over gedaan. Deze papers zijn in het bezit van het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ) en volgen op eerdere onthullingen zoals de Panama Papers, Paradise Papers, etc. De Pandora Papers omvatten circa 11,9 miljoen bestanden en documenten die gelekte vertrouwelijke informatie bevatten afkomstig van 14 financiële dienstverleners en advocatenkantoren.

Prominente personen
De berichtgeving over de Pandora Papers beschrijft onder andere hoe door diverse prominente personen (politici, wereldleiders, miljardairs en andere beroemdheden) mogelijk misbruik is gemaakt van offshore structuren in belastingparadijzen om bezittingen en vermogensbestanddelen te verhullen. Op 6 december 2021 heeft het ICIJ het eerste deel van de data set van de Pandora Papers met informatie van twee van de 14 offshore dienstverleners gepubliceerd via hun Offshore Leaks database. Naar verwachting zal op termijn de overige data ook worden gepubliceerd.

DNB vermeldt niet op grond waarvan de door ICIJ gepubliceerde informatie betrouwbaar zou zijn en ook niet welke overheden deze organisatie financieren. Interessant is dat DNB kennelijk van mening is dat op illegale wijze verkregen gegevens gebruikt mogen worden voor een AML/CFT-cliëntenonderzoek (dus in de misdaadbestrijding is illegaal handelen geoorloofd!).

ICIJ en de database
Een inleidend verhaal van ICIJ over de Pandora Papers is hier te vinden. De Pandora Papers zijn onderdeel van de Offshore Leaks Database, die kan worden bekeken nadat de volgende disclaimer is geaccordeerd:

Please read the statement below before searching
There are legitimate uses for offshore companies and trusts. The inclusion of a person or entity in the ICIJ Offshore Leaks Database is not intended to suggest or imply that they have engaged in illegal or improper conduct. Many people and entities have the same or similar names. We suggest you confirm the identities of any individuals or entities included in the database based on addresses or other identifiable information. The data comes directly from the leaked files ICIJ has received in connection with various investigations and each dataset encompasses a defined time period specified in the database. Some information may have changed over time. Please contact us if you find an error in the database.

Deze database kan ook worden gedownload (niet uitgeprobeerd).

Tags: ,
23 januari 2022

Tegenspraak ter verhoging van de kwaliteit van de overheid

door Ellen Timmer

Theodor Kockelkoren, tegenwoordig inspecteur-generaal der Mijnen, publiceerde een column voor het Tijdschrift voor Toezicht, dat ook op de site van het Staatstoezicht op de Mijnen te vinden is: De kracht van tegenspraak.
Naar aanleiding van de recente overheidsmissers, zoals de toeslagenaffaire, bespreekt Kockelkoren de Code goed openbaar bestuur uit 2009, die er in theorie goed uitziet. De praktijk laat een minder goed beeld zien:

Zowel de toeslagenaffaire als het overheidshandelen met betrekking tot de gaswinning in Groningen toont dat ons systeem van checks and balances onvoldoende goed functioneert. Dat er fouten gemaakt worden begrijpt namelijk iedereen. Dat we echter moeite hebben om deze te zien, vinden we ingewikkelder om te begrijpen. En dat we niet ingrijpen terwijl deze fouten gestaag pijnlijker en dramatischer worden, vinden we onbegrijpelijk. Daar ligt een pijngrens.

De toezichthouders moeten verder gaan dan uitvoeren van de wetten en bijdragen aan de politieke doelen van de eigen ministers:

We mogen van toezichthouders verwachten dat ze niet slechts de letter van de wet beoordelen, maar dat ze toetsen of de publieke belangen die de wetgever beoogde te borgen ook daadwerkelijk geborgd worden. En als dat onvoldoende het geval is, dat ze heldere en zo nodig krachtige signalen aan de wetgever afgeven dat bijsturing noodzakelijk is.

We gaan zien of er iets terecht komt van alle goede bedoelingen en of ook anderen dan consumenten (= kiezers) er profijt van hebben.
Bijvoorbeeld in de witwasbestrijding is hier grote behoefte aan, aangezien daar onuitvoerbare taken worden neergelegd bij een grote waaier van verschillende soorten ondernemingen waarvan een belangrijk deel de regels nauwelijks begrijpt.

 

Meer informatie:

Kockelkoren verwijst naar de Nederlandse code voor goed openbaar bestuur uit 2009 en naar een blog van Bernard ter Haar.

Tags:
21 januari 2022

Leerzame boetes van een toezichthouder met vele petten | Wwft

door Ellen Timmer

Er zijn Wwft-plichtige ondernemingen die pas achter de Wwft komen als zij van de toezichthouder een boete krijgen, ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de boekhoudkantoren die in het verleden door sancties achter hun Wwft-verplichtingen kwamen [1] en tegenwoordig worden voorgelicht [2].

Trustkantoren weten uiteraard al lang van de Wwft af maar zitten meer met de vraag op welke manier zij de wet moeten naleven.

Leerzame boete
Sinds enige jaren [3] kunnen door de toezichthouder opgelegde boetes vanwege de niet-naleving van de Wwft openbaar worden gemaakt. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel staat dat in beginsel alle besluiten openbaar worden gemaakt. Als reden voor openbaarmaking wordt onder meer genoemd (‘instellingen’ = Wwft-plichtigen; markering door mij):

Daarnaast leidt het openbaar maken van sanctiebesluiten ertoe dat andere instellingen kennis nemen van de gedragingen die kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthoudende autoriteit aan wettelijke normen geeft.

Het is onverkwikkelijk als Wwft-plichtigen er pas achter komen hoe wettelijke normen moeten worden geïnterpreteerd door oplegging van een boete.

Vele petten
Ik vind dat bekendmaking van interpretatie van regels via boetebesluiten niet hoort te kunnen, zeker niet omdat die toezichthouder in de financiële sector zeer vele petten heeft (meer dan ‘dubbel’). Zo heeft DNB in de sector van de trustkantoren een meervoudige rol: DNB mag wensenlijstjes bij het ministerie van financiën indienen, DNB maakt uitvoeringsregelgeving, DNB legt toezichtbezoeken af en als klapper op de vuurpijl mag DNB ook nog sancties opleggen en openbaar maken.

Hier is sprake van ernstige belangenverstrengeling bij DNB. Terwijl financiële instellingen bij het minste of geringste wegens belangenverstrengeling allerlei maatregelen moeten nemen, kan DNB zijn goddelijke gang gaan.

Mijn standpunt:

  1. Alleen sanctieoplegging als de ondernemer redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van de invulling die aan de wettelijke norm moet worden gegeven.
  2. DNB en AFM horen niet langer sancties te kunnen opleggen. Zij dienen een rol te krijgen die vergelijkbaar is met het Openbaar Ministerie.

Als een ondernemer redelijkerwijs niet op de hoogte kan zijn van een interpretatie, is op zijn hoogst een waarschuwing passend. Nog beter is dat het voorval aanleiding is voor de toezichthouder om bekendheid te geven aan de interpretatie, zodat de belanghebbenden op de hoogte zijn.

Transparantie van het toezicht hoort een van de kernwaarden in het financiële toezicht te zijn.

 

NB Niet alleen onherroepelijke boetes kunnen openbaar worden gemaakt. De gewijzigde Wwft maakt het ook mogelijk boetes waartegen bezwaar is gemaakt of waartegen beroep is ingesteld openbaar te maken. Als het standpunt van de toezicht later onjuist blijkt te zijn geweest, is de publicitaire schade al opgetreden.

 

 

Noten

[1] Een voorbeeld bespreek ik in dit artikel.

[2] Zie het jaarverslag 2019 en het jaarverslag 2020 van het Bureau Financieel Toezicht, waarin werd aangegeven dat men druk is met voorlichting omdat veel boekhouders nog niet van de Wwft afweten. In het verslag 2020 staat:

[3] Dit is geïntroduceerd in de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, dossier overheid.nl.

18 januari 2022

Opzegging door bank van trustkantoor ongeldig, uitspraak 5 januari 2022 | Wwft

door Ellen Timmer

Op 5 januari jl. is een belangrijk vonnis over opzegging door een bank gewezen, dat nog niet via rechtspraak.nl openbaar is gemaakt. De uitspraak is van belang voor trustkantoren en andere vermeende hoog risico branches.

In deze zaak maakte het trustkantoor bezwaar tegen opzegging door de bank, die de opzegging motiveerde door te stellen dat trustkantoren niet meer passen in haar ‘risk appetite‘, tenzij een breed scala aan diensten wordt afgenomen. De Rechtbank Amsterdam overweegt dat het toetsingskader als volgt luidt, waarbij ik de namen van partijen heb vervangen door [trustkantoor] en [bank]:

4.2. Vast staat, [trustkantoor] heeft dit ook niet betwist, dat [bank] een contractueel recht tot opzegging heeft. Het beginsel van de contractsvrijheid brengt ook mee dat iedereen het recht heeft om niet te worden verplicht een contractuele relatie aan te gaan met een ander. Ook banken hebben dit recht. Banken kunnen bovendien zonder meer een gerechtvaardigd belang hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dit belang kan eraan in de weg staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden. Dit recht is fundamenteel en zwaarwegend, maar het is niet onbegrensd. Bij de begrenzing van dit recht voor banken is onder meer van belang dat hun maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht meebrengt, ook ten opzichte van derden. Met de belangen van die derden dienen zij rekening te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, laat staan om een bedrijf te exploiteren, zonder te beschikken over een betaalrekening bij een bank. Dit geldt niet alleen voor natuurlijke personen, maar ook voor rechtspersonen. Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Weliswaar geldt de wettelijke verplichting van artikel 4:7If van de Wet op het financieel toezicht (Wft), die voor consumenten geldt, niet voor rechtspersonen, maar daaruit vloeit niet voort dat de contractsvrijheid van banken ten opzichte van rechtspersonen in het geheel niet kan worden ingeperkt. Daarom kan een bank onder bijzondere omstandigheden worden verplicht een contractuele relatie aan te gaan, of aan te houden, met een rechtspersoon. Of die verplichting bestaat dient te worden bepaald door het belang van de bank te onderzoeken en af te wegen tegen het belang van de klant. Het is dus aan de rechtbank de belangen van zowel [bank] als [trustkantoor] te onderzoeken en deze tegen elkaar af te wegen (zie ook HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652).

De Rechtbank oordeelt dat van individuele verwijten aan het adres van het trustkantoor in deze zaak geen sprake is en dat de hiervoor bedoelde afweging in het voordeel van het trustkantoor uitvalt:

4.8. Dit leidt tot de volgende belangenafweging. Uit 4.7 volgt dat het besluit om afscheid te nemen van [trustkantoor] een beleidsmatige keuze was. Op zichzelf staat het een bank vrij haar beleid met betrekking tot het accepteren en behouden van cliënten te wijzigen, maar bij de wijze waarop daaraan in een concreet geval uitvoering wordt gegeven, geldt wel de maatstaf zoals weergeven onder 4.2. De wens van [bank] om de genoemde risico’s uit te sluiten is legitiem, maar moet afgewogen worden tegen de belangen van [trustkantoor]. De rechtbank is van oordeel dat bij de huidige stand van zaken het belang van [trustkantoor] bij voortzetting van de bankrelatie zwaarder dient te wegen dan het belang van [bank] bij beëindiging daarvan. Beëindiging van de relatie zal er immers toe leiden dat de kans groot is dat [trustkantoor] haar onderneming niet meer kan voortzetten, terwijl er geen concrete aanwijzingen bestaan dat juist [trustkantoor] een integriteitsrisico vormt voor [bank] en/of dat [bank] daardoor voor onevenredig hoge kosten wordt geplaatst. Het belang van [bank] bij beëindiging van de bankrelatie is op dit moment dan ook relatief beperkt.

De uitspraak maakt duidelijk dat banken onrechtmatig handelen als zij legitieme ondernemingen uitsluiten van het bancaire systeem. Dit ligt in het verlengde van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 november 2021 die ik hier al besprak.

 

Zie over dit onderwerp de berichten op dit blog met de tags de-risking en dienstweigering banken.