Posts tagged ‘dienstweigering banken’

23 maart 2022

Tweede trustkantoren-uitspraak op rechtspraak.nl en in het FD

door Ellen Timmer

Eerder schreef ik over de tweede trustkantoren-uitspraak, waarin een generieke opzegging door ING aan de orde was. De besproken uitspraak is op rechtspraak.nl verschenen. Het FD schreef over de uitspraak, overigens kwam in de uitspraak de Russische connectie beperkt aan de orde.

3 maart 2022

Bank handelde in strijd met zorgplicht door relatie met trustkantoor te beëindigen | Rechtbank Amsterdam 2 maart 2022

door Ellen Timmer

Gisteren heeft de Rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in de de zaak van een trustkantoor tegen de bank, met als onderwerp de opzegging van de bankrelatie. De bank kreeg er flink van langs.

De Rechtbank besliste als volgt:

1. verklaart voor recht dat ING bij opzegging van de bancaire relatie met het trustkantoor in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht, althans dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;
2. verklaart voor recht dat ING tekort is geschoten jegens het trustkantoor;
3. gebiedt ING om haar dienstverlening aan het trustkantoor, onder de overeengekomen voorwaarden, voort te zetten voor onbepaalde tijd.

Aan deze beslissing ligt onder meer ten grondslag dat de bank geen behoorlijke individuele belangenafweging heeft verricht en dat de door de bank aangevoerde belangen niet in verhouding staan tot het zwaarwegende belang van het trustkantoor om over een bankrekening te beschikken.

De Rechtbank constateerde dat het trustkantoor valt binnen een wettelijk gereguleerde bedrijfstak die zelf ook onder toezicht staat en moet voldoen aan de Wwft. Uit de onderbouwing door de bank is niet gebleken dat het trustkantoor niet voldoet aan de voor haar geldende wet- en regelgeving. De bank stelde zelden vragen aan het trustkantoor en betwist niet dat de rekening alleen wordt gebruikt voor de gebruikelijke betalingen die zien op de legale bedrijfsuitoefening door het trustkantoor zelf, niet haar doelvennootschappen.

Naar ik aanneem zal de uitspraak binnenkort op rechtspraak.nl worden gepubliceerd.

 

Op 5 januari jl. besliste de Rechtbank Amsterdam in gelijksoortige zin in een zaak van een ander trustkantoor dat door mij werd bijgestaan, zie mijn bericht van gisteren en het artikel van 18 januari.

2 maart 2022

Uitspraak over opzegging bankrelatie met trustkantoor van 5 januari jl. in de AMLC nieuwsbrief

door Ellen Timmer

De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, waarin ING Bank werd verboden de bankrekening van een trustkantoor te sluiten, heeft ook de nieuwsbrief van het AMLC gehaald. Zij schrijven:

Rechtbank Amsterdam, 5 januari 2022, Bankrelatie trustkantoor:
ECLI:NL:RBAMS:2022:42

ING heeft in 2019 besloten de bankrelatie met een klein trustkantoor te willen beëindigen, omdat de bank niet langer bereid is om de hogere risico’s te aanvaarden die verbonden zijn aan de trustsector. De bank verwijst daarvoor naar onderzoek van DNB waaruit blijkt dat sommige trustkantoren de regels onvoldoende naleven. Meer specifiek stelt de bank dat het hier gaat om een klein trustkantoor met onvoldoende kennis en kunde in huis voor complexe internationale structuren die achter doelvennootschappen zitten, zonder gedegen compliance officier en raad van commissarissen of ander toezichthoudend orgaan. Het trustkantoor betwist dit en zegt dat zij al haar cliënten kent doordat zij een relatief kleine organisatie is met korte lijnen. Het kantoor onderzoekt grondig wie de UBO is en wat de structuur en de herkomst van het vermogen van de onderneming is alvorens zij hiermee in zee gaan. Bovendien beschikt het trustkantoor al sinds 2009 over een compliance officer.
De rechtbank komt op basis van een belangenafweging tot de conclusie dat de bankrelatie moet worden voortgezet. Bij beëindiging kan het trustkantoor haar onderneming niet meer voortzetten nu andere banken hebben aangegeven haar geen bankrekening te zullen geven, terwijl er geen concrete aanwijzingen zijn dat juist dit trustkantoor een integriteitsrisico vormt voor ING. Dit betekent niet dat dit in de toekomst niet anders kan komen te liggen. Er wordt door de rechtbank dan ook geen termijn verbonden aan de voortzetting van de bankrelatie, zoals door het trustkantoor is gevraagd.
Het klopt dat DNB kritisch is op de trustsector, omdat de sector regelmatig in verband wordt gebracht met belastingontduiking en witwassen. ING probeert de dienstverlening aan de trustsector sinds 2017 daarom sterk in te perken12, maar mocht hier de bestaande bankrelatie niet beëindigen van de rechter. De rechter geeft wel expliciet aan dat dit in de toekomst anders kan komen te liggen, bijvoorbeeld door concrete verdenkingen van witwassen of door maatschappelijke of politieke ontwikkelingen.

Over de uitspraak schreef ik al eerder.

18 januari 2022

Opzegging door bank van trustkantoor ongeldig, uitspraak 5 januari 2022 | Wwft

door Ellen Timmer

Op 5 januari jl. is een belangrijk vonnis over opzegging door een bank gewezen, dat nog niet via rechtspraak.nl openbaar is gemaakt. De uitspraak is van belang voor trustkantoren en andere vermeende hoog risico branches.

In deze zaak maakte het trustkantoor bezwaar tegen opzegging door de bank, die de opzegging motiveerde door te stellen dat trustkantoren niet meer passen in haar ‘risk appetite‘, tenzij een breed scala aan diensten wordt afgenomen. De Rechtbank Amsterdam overweegt dat het toetsingskader als volgt luidt, waarbij ik de namen van partijen heb vervangen door [trustkantoor] en [bank]:

4.2. Vast staat, [trustkantoor] heeft dit ook niet betwist, dat [bank] een contractueel recht tot opzegging heeft. Het beginsel van de contractsvrijheid brengt ook mee dat iedereen het recht heeft om niet te worden verplicht een contractuele relatie aan te gaan met een ander. Ook banken hebben dit recht. Banken kunnen bovendien zonder meer een gerechtvaardigd belang hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dit belang kan eraan in de weg staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden. Dit recht is fundamenteel en zwaarwegend, maar het is niet onbegrensd. Bij de begrenzing van dit recht voor banken is onder meer van belang dat hun maatschappelijke functie een bijzondere zorgplicht meebrengt, ook ten opzichte van derden. Met de belangen van die derden dienen zij rekening te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, laat staan om een bedrijf te exploiteren, zonder te beschikken over een betaalrekening bij een bank. Dit geldt niet alleen voor natuurlijke personen, maar ook voor rechtspersonen. Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Weliswaar geldt de wettelijke verplichting van artikel 4:7If van de Wet op het financieel toezicht (Wft), die voor consumenten geldt, niet voor rechtspersonen, maar daaruit vloeit niet voort dat de contractsvrijheid van banken ten opzichte van rechtspersonen in het geheel niet kan worden ingeperkt. Daarom kan een bank onder bijzondere omstandigheden worden verplicht een contractuele relatie aan te gaan, of aan te houden, met een rechtspersoon. Of die verplichting bestaat dient te worden bepaald door het belang van de bank te onderzoeken en af te wegen tegen het belang van de klant. Het is dus aan de rechtbank de belangen van zowel [bank] als [trustkantoor] te onderzoeken en deze tegen elkaar af te wegen (zie ook HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652).

De Rechtbank oordeelt dat van individuele verwijten aan het adres van het trustkantoor in deze zaak geen sprake is en dat de hiervoor bedoelde afweging in het voordeel van het trustkantoor uitvalt:

4.8. Dit leidt tot de volgende belangenafweging. Uit 4.7 volgt dat het besluit om afscheid te nemen van [trustkantoor] een beleidsmatige keuze was. Op zichzelf staat het een bank vrij haar beleid met betrekking tot het accepteren en behouden van cliënten te wijzigen, maar bij de wijze waarop daaraan in een concreet geval uitvoering wordt gegeven, geldt wel de maatstaf zoals weergeven onder 4.2. De wens van [bank] om de genoemde risico’s uit te sluiten is legitiem, maar moet afgewogen worden tegen de belangen van [trustkantoor]. De rechtbank is van oordeel dat bij de huidige stand van zaken het belang van [trustkantoor] bij voortzetting van de bankrelatie zwaarder dient te wegen dan het belang van [bank] bij beëindiging daarvan. Beëindiging van de relatie zal er immers toe leiden dat de kans groot is dat [trustkantoor] haar onderneming niet meer kan voortzetten, terwijl er geen concrete aanwijzingen bestaan dat juist [trustkantoor] een integriteitsrisico vormt voor [bank] en/of dat [bank] daardoor voor onevenredig hoge kosten wordt geplaatst. Het belang van [bank] bij beëindiging van de bankrelatie is op dit moment dan ook relatief beperkt.

De uitspraak maakt duidelijk dat banken onrechtmatig handelen als zij legitieme ondernemingen uitsluiten van het bancaire systeem. Dit ligt in het verlengde van de uitspraak van de Hoge Raad van 5 november 2021 die ik hier al besprak.

 

Zie over dit onderwerp de berichten op dit blog met de tags de-risking en dienstweigering banken.

9 november 2021

Recht op een bankrekening voor niet-consumenten, uitspraak Hoge Raad | Wwft

door Ellen Timmer

Op 5 november jl. heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gewezen op het recht van niet-consumenten op een bankrekening, zie de uitspraak.

Belangrijke overwegingen (markering door mij):

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 Onderdeel 1.1 van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de bijzondere zorgplicht voor banken kan leiden tot een verplichting te contracteren. Onderdeel 1.2 voegt daaraan toe dat het hof heeft miskend dat aan een rechtspersoon niet dezelfde uit de bijzondere zorgplicht voortvloeiende bescherming toekomt als aan een natuurlijk persoon. Onderdeel 1.3 voert aan dat ten aanzien van niet-consumenten hooguit een verplichting tot contracteren kan bestaan indien het weigeren te contracteren misbruik van bevoegdheid oplevert of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens onderdeel 1.4 heeft het hof ten onrechte geen gewicht toegekend aan het gerechtvaardigd belang van banken om cliënten te weigeren in verband met toezichtrechtelijke eisen en integriteitsrisico’s. In ieder geval kan van een contracteerplicht geen sprake zijn indien bij de bank reële twijfel bestaat of aan het met deze eisen en risico’s verbonden belang van de bank voldoende tegemoet wordt gekomen. Onderdeel 3 klaagt onder meer over de motivering van het oordeel van het hof dat er onevenredigheid bestaat tussen de belangen van Yin Yang en ING en dat het belang van Yin Yang bij het aanhouden van een betaalrekening bij ING in dit geval moet voorgaan.

3.2 Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat op banken op grond van hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten, de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden (vgl. voor consumenten art. 4:71f Wft). Het heeft daarbij eveneens terecht zwaar laten wegen dat het zonder betaalrekening vrijwel onmogelijk is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. De onderdelen 1.1-1.3 falen daarom.

3.3 Anders dan onderdeel 1.4 aanvoert, heeft het hof niet miskend dat banken een gerechtvaardigd belang kunnen hebben om cliënten te weigeren vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s, en dat dit belang eraan in de weg kan staan een bank te verplichten een betaalrekening aan te bieden. Het hof heeft het belang van ING in dit opzicht onderzocht en afgewogen tegen het belang van Yin Yang c.s. Het is tot de conclusie gekomen dat tussen deze belangen onevenredigheid bestaat, en dat het belang van ING in de omstandigheden van dit geval niet in de weg staat aan een verplichting tot het aanbieden van een betaalrekening (zie rov. 3.12-3.14), maar wel aan een verplichting tot het faciliteren van het storten van contant geld (rov. 3.8). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten van de onderdelen 1.4 en 3 falen derhalve.

 

Dit artikel verscheen eerder op mijn algemene blog, zie daar ook de andere artikelen op dit blog over het verkrijgen en behouden van een bankrekening.

3 november 2021

Hoe banken de misdaadbestrijdingskosten aan hun klanten doorberekenen | Wwft

door Ellen Timmer

Door middel van de witwasbestrijdingswetgeving [1] worden misdaadbestrijdingstaken aan bedrijven uitbesteed, dit is de zgn. ‘poortwachtersfunctie’. Onder meer hebben banken deze taak gekregen (er zijn veel meer ondernemingen die ‘poortwachter’ zijn, zie deze lijst).

Deze poortwachterstaken zijn duur en een reden voor banken om bepaalde (groepen) klanten te weigeren (‘de-risken’). Aangezien alle klanten die zich aan de wet houden toegang tot het bancaire systeem dienen te houden, kunnen banken klanten die zij riskant vinden niet altijd weg sturen.

Hogere tarieven voor ‘hoogrisicoklanten’
De nieuwste ontwikkeling (maar al lang gaande) is dat banken hogere kosten in rekening willen brengen aan klanten met een vermeend hoog risicoprofiel, zoals coffeeshops. Onlangs kwam ABN Amro in het nieuws, omdat de tarieven voor coffeeshops werden vertienvoudigd [2]. Daarbij rijst uiteraard de vraag of de bank die misdaadbestrijdingstaken wel kwalitatief goed en efficiënt uitvoert (maar de bank mag de vraag of DNB wel zuinig genoeg is in het toezicht op banken ook niet stellen, die kosten worden integraal aan banken doorberekend). Die vraag kunnen klanten van banken niet stellen en een andere bank vinden is ook niet gemakkelijk. Het geeft aan dat hier een foute situatie is ontstaan.

Antwoord Minister van Financiën
Inmiddels heeft de Minister van Financiën tijdens een vragenuur vragen hierover beantwoord [3]. De tekst van het voorlopig verslag volgt hierna.

Vragen Hammelburg

Vragen van het lid Hammelburg aan de minister van Financiën over het bericht dat ABN AMRO witwascontroles in rekening gaat brengen bij risicoklanten.

De voorzitter:
Dan gaan we over naar de volgende mondelinge vraag, namelijk die van de heer Hammelburg van D66. Hij stelt een vraag aan de minister van Financiën, die ik ook van harte welkom heet. Het gaat over het bericht dat ABN AMRO witwascontroles in rekening gaat brengen bij risicoklanten. Ik geef het woord aan de heer Hammelburg van D66 voor het stellen van zijn mondelinge vragen.

De heer Hammelburg (D66):
Dank u wel, voorzitter. Net als de overheid hebben banken een belangrijke maatschappelijke rol om criminaliteit en terrorisme aan te pakken. Het kan niet zo zijn dat criminelen en terroristen banken gebruiken voor hun activiteiten. De banken nemen dat serieuzer en serieuzer en dat brengt natuurlijk ook kosten met zich mee. Maar ze hebben ook die maatschappelijke rol en functie te vervullen.

Vorige week vrijdag kwam Het Financieele Dagblad met het bericht naar buiten dat ABN AMRO de kosten voor coffeeshophouders fors gaat verhogen, met wel 1.000%. Dit is een voorbeeld van weer een doorberekening door een Nederlandse bank naar een bepaalde sector van de kosten die de bank maakt om criminaliteit en terrorisme aan te pakken. Dat is niet de eerste keer. We hebben het eerder gezien met kleine autohandelaren, die gewoon geen bankrekening meer kunnen openen of voor wie de kosten gigantisch omhoog zijn gegaan. We zien stelselmatige discriminatie van coffeeshops. We zien het ook stelselmatig gebeuren bij sekswerkers, die bepaalde vormen betalingsverkeer niet meer kunnen gebruiken en die allerlei foefjes moeten uithalen om nog gewoon hun werk te kunnen doen.

Voorzitter. Nederlanders die zich aan de wet houden — of het een coffeeshopeigenaar is, een sekswerker of een autohandelaar — mogen erop rekenen dat zij niet door banken worden gediscrimineerd. Ze moeten niet worden uitgesloten van het betalingsverkeer. Ze mogen niet tegen veel hogere kosten aanlopen dan anderen. Ja, als er een oververtegenwoordiging is van kwaden, dan mogen de goeden daar nooit onder lijden. Ik heb eigenlijk één hele simpele vraag aan de minister. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat deze vormen van discriminatie en uitsluiting van bepaalde sectoren door banken zo snel als mogelijk worden gestopt?

De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de minister van Financiën.

Minister Hoekstra:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de heer Hammelburg voor het stellen van een aantal vragen en het maken van een aantal opmerkingen over een onderwerp dat bepaald niet zonder dilemma’s is. Hij stelde een vraag over de toegang voor ondernemers tot het betalingsverkeer. Dat vind ik op zichzelf heel begrijpelijk, want die toegang is voor vrijwel elk bedrijf een randvoorwaarde. Daar staat overigens tegenover of daar moeten we naast leggen dat banken natuurlijk ook een belangrijke poortwachtersfunctie hebben en dat wij als kabinet, maar eigenlijk als hele politiek, die poortwachtersfunctie als het gaat om het financieren van terrorisme en om witwassen in toenemende mate indringend bij de banken onder de aandacht brengen. Wij spreken ze aan op de rol die ze te vervullen hebben.

Vervolgens kom je in een dilemma: wat moet je nou doen als een bank voor een bepaalde zakelijke hoogrisicoklantengroep zeer veel kosten maakt? Wat moet daarmee gebeuren? De heer Hammelburg verwees terecht ook naar andere categorieën, maar in Nederland en ook in het buitenland betekent dat dat banken proberen afscheid te nemen van zo’n hele categorie. Waarom? Onder andere omdat de politiek zegt: let goed op uw zaak, zorg dat er geen misbruik plaatsvindt. Dat vinden we met elkaar onwenselijk. We vinden het ook onwenselijk als hoogrisicoklanten vervolgens ook klanten blijken te zijn waar die risico’s materialiseren. De heer Hammelburg voegde nog een extra dilemma toe: je wilt vervolgens ook dat het allemaal proportioneel is. Volgens mij is dat proportionele precies de titel waarvan ik gebruik zou willen maken in mijn dialoog met de banken. Ik zou via het MOB, dat de heer Hammelburg meer dan bekend is, met de banken in gesprek willen gaan over het maken van gerechtvaardigd onderscheid op zo’n manier dat dat proportioneel is. Het gaat dus niet over discriminatie, maar over gerechtvaardigd onderscheid. Dat wordt overigens ook toegestaan. Gelijke gevallen moet je gelijk behandelen, maar ongelijke gevallen mag je ook ongelijk behandelen. Vervolgens heb je als financiële instelling natuurlijk in generieke maar ook in specifieke zin een belangrijke communicatieverplichting om uit te leggen waarom je doet wat je doet. Dat zou de manier zijn waarop ik dit zou willen aanvliegen. Nogmaals, het is een situatie die voor alle betrokkenen, voor de banken, voor de betrokken ondernemers maar ook voor de politiek, helaas niet zonder dilemma’s is. Dat is natuurlijk wel vaker zo met ingewikkelde zaken in het leven.

De heer Hammelburg (D66):
Ik dank de minister voor dit antwoord. Ik ben natuurlijk heel blij dat de minister het gesprek met de banken voert, maar dit is natuurlijk niet de eerste keer dat we deze vormen van uitsluiting en discriminatie bespreken. Ik weet dat de minister dat gesprek met de banken voert en de minister weet dat ik dat weet, maar het gaat nu wel te ver en het blijft maar doorgaan. Ergens moet je als politiek zeggen: hier moet het stoppen en hier moet een halt worden toegeroepen aan deze uitsluiting en deze discriminatie. Ik begrijp niet geheel wat in dit geval het verschil is tussen gerechtvaardigd onderscheid en discriminatie. Ik ken het juridische verschil, maar je zou kunnen beargumenteren, zeker wanneer het bijvoorbeeld om sekswerkers gaat of coffeeshops — laten we het bij sekswerkers houden, waar dit stelselmatig gebeurt — dat het toch echt over discriminatie gaat. Ik wil een brief van de minister met een goede uitleg waarom dit een geval is van gerechtvaardigd onderscheid en niet van discriminatie. Ik vraag de minister om dit vervolgens met de banken te bespreken, want ik vind dat dat dit echt vele malen te ver gaat. Het is niet de eerste keer dat we dit bespreken en het moet echt stoppen.

Minister Hoekstra:
Ik denk dat we het eens zijn op het meer algemene niveau. Volgens mij zijn we het ook eens over de principes waarover het hierbij gaat. Tegelijkertijd zegt de heer Hammelburg hier op voorhand dat er sprake is van discriminatie, dat dit onacceptabel is en dat we er dus een einde aan moeten maken. Dat zou ik echt in belangrijke mate willen nuanceren. Nogmaals, het is een situatie die niet zonder dilemma’s is. Je wil juist ook voorkomen — ik denk dat de heer Hammelburg mij onmiddellijk naar de Kamer zou halen als ik dat niet zou kunnen voorkomen — dat een hele categorie de banken uit wordt gewerkt en niet meer kan bankieren omdat banken zeggen: “Ja, maar het risico voor ons is zo hoog en zo groot; dat kunnen we niet meer redelijkerwijs voor onze kap nemen. Waarom niet? Omdat de politiek van ons vraagt dat wij optreden tegen witwassen en dat wij optreden tegen terrorismefinanciering.” Dat is het eerste dilemma.

Het is misschien goed om het tweede dilemma hier nog eens te schetsen. Met alle maatregelen die wij als politiek vragen van de banken betekent de ene klant natuurlijk wel degelijk aanzienlijk hogere kosten dan de andere klant. Dat is überhaupt ongemakkelijk voor de banken, maar we weten ook allemaal wie vervolgens opdraaien voor de meerkosten in bepaalde categorieën. Dat zijn namelijk de andere klanten van de bank. Dat betekent dat de extra kosten die gaan zitten in bijvoorbeeld de hoogrisicocategorie van de coffeeshops, worden omgeslagen over de bakker, de slager en andere ondernemers. Dat is gewoon een van de dilemma’s. Daarmee hebben we nog geen oplossing te pakken, maar het is wel belangrijk om dat te benoemen. Daarom nogmaals mijn voorstel.

Ik zeg de heer Hammelburg overigens graag toe dat ik de Kamer een brief daarover stuur, maar dat zou ik dan willen doen nadat ik het gesprek heb gevoerd. Ik wil graag met de banken in gesprek over: hoe ga je hiermee om, hoe probeer je een categorische uitsluiting te voorkomen, hoe probeer je te doen wat redelijk is richting individuele ondernemers? Nogmaals, ik ben niet op voorhand ervan overtuigd dat het maken van een onderscheid in alle gevallen onrechtvaardig is en zich niet zou verdragen met de wet. Ik vind wel dat je heel goed moet kijken naar proportionaliteit. Dat vraagt de wet ook. Het gaat hier overigens überhaupt om privaatrecht. Dat is ook een belangrijke loot aan deze stam. Daarvoor geldt dat banken zich uiteindelijk te houden hebben aan wat redelijk en billijk is in het privaatrechtelijke verkeer. Ik zal ook nog met de banken in gesprek gaan over hoe ze dit niet alleen proportioneel doen, maar ook op een manier die voldoende helder en inzichtelijk is, waarbij men daar afdoende over communiceert. Als ik dat hele pakket toezeg, dan ga ik eerst via het MOB niet alleen met deze bank maar met alle banken in gesprek en laat ik de Kamer daarna weten wat de afdronk is van het geheel.

De heer Hammelburg (D66):
Ergens in het betoog van de minister zie ik toch wel een probleem. De aanpak van terrorisme en de aanpak van ondermijnende criminaliteit, ook door banken, kost geld. We hebben al heel vaak een discussie gehad, ook in verschillende commissies hier in huis, over dat die kosten niet te zwaar mogen worden verhaald op de consumenten. Dat gebeurt nog veel te vaak. Maar dat is een ander debat. Ik ga, als ik het heb over uitsluiting en discriminatie, ook niet zeggen — ik pak nu de bakkers er maar even bij, in de veronderstelling dat die weinig te maken hebben met witwaspraktijken — dat als er ineens drie bakkers zijn die wat vaker in verband worden gebracht met criminaliteit, we alle bakkers heel veel hogere kosten in rekening brengen bij de bank of zelfs uitsluiten van een bankrekening. Ik vraag me echt ten stelligste af of hier sprake is van gerechtvaardigd onderscheid of discriminatie. Dit verhaal speelt al heel lang, bijvoorbeeld bij sekswerkers. Dus ik zou dan ook in de brief van de minister toch echt de juridisch grondslag willen hebben op basis waarvan banken denken dit te mogen doen. Dan kunnen we het debat daarna op een juiste basis met elkaar voeren in dit huis.

Minister Hoekstra:
Ik proefde nuance in het betoog. Ik zag de heer Hammelburg ook afbuigen naar dat we ons de vraag moeten stellen wat wel en niet gerechtvaardigd is. Dat is volgens mij precies wat je moet doen. Ik zal hier ook naar kijken. Ik wil nog wel één ding echt markeren. Het is niet een particuliere opvatting van mij als minister of van deze bank of van het kabinet dat, objectief kijkend, de ene groep veel meer, significant meer hoogrisicoklanten bevat dan anderen. Ik durf de stelling echt wel aan dat een bank die zegt “dat zien wij meer bij coffeeshops dan bij bakkerijen”, het vermoedelijk bij het juiste eind heeft. Maar nogmaals, die inschatting ga ik laten bij de experts, bij het ministerie van Justitie en anderen. Maar ik zou wel staande durven houden dat die generieke inschatting blijkt te kloppen.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een vervolgvraag van mevrouw Simons van BIJ1 en dan de heer Azarkan van DENK.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Heel fijn dat de minister in gesprek gaat met alle betrokken partijen. Ik vraag me af of hij in die gesprekken ook de volgende overweging mee zou kunnen nemen. Als wij te maken hebben met een bepaalde branche, met in die branche malafide en bonafide bedrijven, en wij verhogen de bankkosten van die beide takken met 1.000%, wie blijft er dan in staat om die te betalen? Is dat het malafide of het bonafide bedrijf?

Minister Hoekstra:
Dat is van mevrouw Simons een uitstekende vraag. Het is ook een retorische vraag. Natuurlijk kun je beargumenteren dat degenen die meer en ook oneigenlijke winst maken, makkelijker in staat zijn om die kosten te betalen. Overigens, die 1.000%; ook in echte euro’s gaat het om veel geld, maar om dat toch in perspectief te plaatsen: het gaat over nu €10 per maand en je zou gaan naar €110 per maand, overigens in een branche die aanzienlijke winstmarges maakt. Maar daar gaat het eerlijk gezegd niet om. Het gaat meer om de principiële gedachtewisseling die de heer Hammelburg en ik net hadden. Langs die lijnen moet je ernaar kijken. Misschien nog aansluitend op wat ik net tegen de heer Hammelburg zei: ik heb er geen enkel bezwaar tegen om ook te kijken nog naar andere branches waar dit type problematiek speelt, want volgens mij verwijst mevrouw Simons — maar misschien is dat impliciet, ook naar.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Vanzelfsprekend verwijs ik ook naar alle branches die de heer Hammelburg noemde: de sekswerkers, de coffeeshops, de autohandelaren. Dat zijn branches waarin, net als in elke andere branche, malafide en bonafide bedrijven werkzaam zijn. Dan zegt de minister: het punt dat mevrouw Simons inbrengt is leuk en waar, maar niet zo relevant. Nou ja, tenzij je uit wil kijken voor een glijdende schaal. Als je praat over of er wordt gediscrimineerd of niet, dan lijkt het mij wel degelijk dat je ook rekening houdt met wie je wel of niet faciliteert. Dan gaat het niet om het verschil tussen €10 of €110, maar dan gaat het over wie wij de mogelijkheid geven om kwaad te doen.

De voorzitter:
Dank u wel. Uw vraag?

Mevrouw Simons (BIJ1):
Als je maar kunt betalen, als je maar op een of andere manier de centjes hebt om je malafide praktijken netjes te financieren, dan vinden wij dat goed. Dát is een principiële kwestie.

Minister Hoekstra:
Ik probeerde juist twee dingen uit elkaar te trekken, waarover ik het volgens mij juist met mevrouw Simons eens was. Ik probeerde die 1.000% in perspectief te plaatsen door daar het bedrag in euro’s aan toe te voegen. Want “1.000%” klinkt voor de meeste mensen in eerste instantie nog groter dan een verhoging van €10 naar €110, wat overigens ook nog steeds een significante verhoging is in reële euro’s als het gaat om het bedrag per maand. Verder zou ik willen verwijzen naar de dialoog met de heer Hammelburg net.

De voorzitter:
Tot slot de heer Azarkan van DENK.

De heer Azarkan (DENK):
Ik merkte bij collega Hammelburg een zekere afkeer van datgene wat in de basis nu wordt voorgesteld. Ik begrijp dat wel. We hebben hier natuurlijk een aantal weken geleden een debat over gehad. Die Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme is best ingewikkeld, omdat het voor heel veel bedrijven onvoldoende duidelijk is op basis waarvan ze gecontroleerd worden, maar ook hoe ze daartegen in het geweer kunnen komen. We hebben daarover gesproken. Ik zou graag van de minister een brief willen hebben over hoe die banken dat ervaren, hoe ze dat inzetten en welke informatie men heeft die dit plan onderbouwt.

Minister Hoekstra:
De heer Azarkan en ik hebben daar vaker van gedachten over gewisseld, ook daar waar het ging over andere branches. Ik wil dat best meenemen in de brief. Ik zou toch nog een keer willen wijzen op het dilemma dat de heer Azarkan overigens in eerdere debatten zelf altijd heeft onderkend. Je wil juist niet dat banken te weinig doen tegen witwassen. Het is een enorm probleem dat nog jarenlang bij ons zal blijven en waar we het hier vaker met elkaar over gehad hebben. Dan is vaak de volslagen terechte roep vanuit de Kamer: minister, zorg ervoor dat die banken meer gaan doen. Dat is de ene kant.

De tweede piketpaal — daar ging het betoog van mevrouw Simons over — is dat je niet wil dat een hele sector de bank uit wordt geduwd en dan alleen nog is aangewezen op een andere manier van opereren, met contant geld en zonder betaalrekeningen. Dat wil je ook niet. Dan kom je dus voor dit type dilemma’s te staan. Dus het is wel belangrijk om ons die context te blijven realiseren. Verder ben ik het zeer eens met de heer Azarkan en zeg ik hem dus toe om in de brief, die ik de heer Hammelburg al had toegezegd, ook dit specifieke punt mee te nemen. Ik denk dat dat de discussie ook weer verder kan helpen.

Uit het verslag blijkt dat de Minister van mening is dat ‘ongelijke gevallen’ ongelijk behandeld mogen worden.

Er is dus geen enkele stimulans voor banken om zorgvuldig tot een indeling in risicocategorie te komen, op basis van individuele kenmerken van de klant. Een stimulans om de Wwft-compliance zorgvuldig en zuinig te doen is er evenmin. Dat betekent dat er een ongezonde situatie is ontstaan, want overstappen naar een andere bank is moeilijk (ook voor ‘niet-riskante’ bedrijven).

Het geeft aan hoe perfide het systeem van de witwasbestrijding is en dat deze misdaadbestrijdingstaken niet bij banken thuis horen [4].

 

Noten

[1] In Nederland via de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
[2] Zie onder meer RTL, NRC, NL Times, Nu.nl, accountant.nl, Accountancy Vanmorgen, Radar, Parool.
[3] Vragenuur op 2 november 2021, ongecorrigeerd stenogram.
[4] Mogelijk geldt dat ook voor andere Wwft-plichtigen.

 

Dit artikel verscheen eerder  op mijn algemene blog.

16 augustus 2021

Lichtpuntje rondom uitsluitingspraktijken van banken | uitspraak Rechtbank Amsterdam 29 juni 2021

door Ellen Timmer

Het wordt steeds duidelijker dat banken de antiwitwaswetgeving aangrijpen om maatschappelijk onbetamelijk te handelen, daarbij aangevuurd door DNB met haar standpunt over ‘risk appetite’, ik schreef daar al eerder over.

Een lichtpuntje is dat de rechter inmiddels bereid is om een stokje te steken voor deze discriminatoire praktijken, zo valt in een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam te lezen. In deze zaak tegen de Rabobank, gaat het om twee aandeelhouders van een coffeeshop (die al een Rabobank rekening heeft) die geen rekening bij deze bank kunnen openen.

Rechtbank:

4.2 Het belangrijkste verweer van Rabobank is dat zij gezien de contractsvrijheid niet verplicht kan worden tot het openen van een (zakelijke) bankrekening. Hierin wordt Rabobank niet zonder meer gevolgd. De contractsvrijheid is voor banken gezien hun bijzondere zorgplicht niet onbegrensd. Het hebben van een bankrekening is noodzakelijk om in volle omvang aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen. In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van mr. T. Hartlief, procureur-generaal bij de Hoge Raad van 12 maart 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:239) waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Ik sluit niet uit dat de bijzondere zorgplicht onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden een bank kan verplichten (opnieuw) een contractuele relatie met een derde aan te gaan. De in de rechtspraak ontwikkelde bijzondere zorgplicht, die op zijn beurt voortvloeit uit de in art. 6:162 BW neergelegde zorgvuldigheidsnorm, betreft immers een open norm, die met de tijd mee-ontwikkelt en niet op voorhand tot bepaalde situaties is beperkt. Daarom moet telkens opnieuw aan de hand van de omstandigheden van het geval worden bezien tot welke zorg de bank in het concrete geval jegens de derde(n) is gehouden. In dit systeem past niet dat bepaalde zorg, zoals het aangaan van een (standaard) contractuele relatie met een derde, bij voorbaat is uitgesloten van de bijzondere zorgplicht van de bank.

Daarbij komt dat de achtergrond van de bijzondere zorgplicht van de bank in de eerste plaats wordt gezocht in de spilfunctie die banken in het maatschappelijke verkeer vervullen. Zeker in het digitale tijdperk waarin we nu leven, is het simpelweg niet meer (goed) mogelijk om aan het maatschappelijk verkeer – en daarmee de samenleving – deel te nemen zonder in elk geval toegang te hebben tot een betaalrekening. De weigering van een bank om een contractuele relatie met een derde aan te gaan (in het bijzonder met betrekking tot een betaalrekening), kan er derhalve toe leiden dat de derde van het maatschappelijk verkeer en de samenleving wordt uitgesloten. De bank heeft wat dat betreft dus een zekere ‘macht’ over (de) derde(n) en een weigering van de bank om (opnieuw) met de derde(n) in zee te gaan, kan (en zal) voor de derde(n) ingrijpende gevolgen hebben. Ook gelet op dit ‘machtsonevenwicht’ acht ik het niet uitgesloten dat een bank, onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden, kan worden verplicht om (opnieuw) een contractuele relatie met de derde(n) aan te gaan.

4.3. Ook in dit geval wordt geoordeeld dat Rabobank op grond van haar bijzondere zorgplicht verplicht kan worden gesteld ten behoeve van [eiseres 1] en [eiseres 2] zakelijke bankrekeningen te openen. De in de loop der tijd door Rabobank aangevoerde bezwaren tegen [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn niet steekhoudend. Rabobank heeft [eiseres 1] en [eiseres 2] aanvankelijk alleen het algemene verwijt gemaakt dat zij zijn gerelateerd aan Café City Hall, een vennootschap die een coffeeshop drijft (zie de onder 2.3 geciteerde brief van 23 februari 2021). Rabobank heeft in dit verband echter geen concrete bezwaren over Café City Hall of over [eiseres 1] en [eiseres 2] naar voren gebracht, terwijl zij Café City Hall kent omdat deze vennootschap al een zakelijke bankrekening heeft bij Rabobank. Een dergelijke categorale uitsluiting is niet toegestaan. De nadien door Rabobank naar voren gebrachte bezwaren zijn evenmin steekhoudend. Dat andere banken (de banken waar [naam 1] en [naam 2] een privérekening aanhouden) een zakelijke bankrekening hebben geweigerd, geeft Rabobank nog niet het recht dit ook te doen. De vraagtekens die Rabobank heeft geplaatst bij de hoogte van de koopprijs voor de 50% aandelen in Café City Hall, bij het feit dat die koopprijs is geleend van de verkoper en bij de structurering via persoonlijke holdings, zijn voorshands niet terecht. De aandelentransactie heeft, zoals ter zitting toegelicht, plaatsgevonden in de familiesfeer (moeder, die onder meer om medische redenen met pensioen wil, verkoopt haar aandelen aan haar dochter en nicht die al in de zaak werkzaam zijn). De hoogte van de koopprijs, die mogelijk op het eerste gezicht in het licht van de omzetten die Café City Hall maakt, aan de lage kant is, kan bovendien goed worden verklaard door de groeiende onzekerheid waarin coffeeshops verkeren die zijn gevestigd in het centrum van Amsterdam en die zich met name richten op toeristen. Dat de aandelen worden gehouden via een structuur van persoonlijk holdings is in het geheel niet ongebruikelijk.

4.4. Verder heeft Rabobank aangevoerd dat een verplichting om een relatie aan te gaan met [eiseres 1] en [eiseres 2] in strijd zou zijn met de Wwft omdat het cliëntenonderzoek nog niet met succes is afgerond. Dit zou haar tenminste vier weken kosten, zoals blijkt uit haar pas ter zitting ingenomen standpunt (zie onder 3.3). Ook dit kan niet leiden tot het afwijzen van de vordering, noch tot het verbinden van een voorwaarde aan toewijzing dat Rabobank eerst vier weken de tijd krijgt het cliëntenonderzoek te doen. Niet bestreden is dat [eiseres 1] en [eiseres 2] reeds in november 2020 de aanvraag tot het openen van een bankrekening hebben ingediend. Vervolgens zijn zij aan het lijntje gehouden, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte correspondentie, en heeft Rabobank geen enkele moeite gedaan om het cliëntenonderzoek te starten. Toen Rabobank met concrete bezwaren kwam, zijn die uitgebreid weerlegd in de brief van 16 april 2021 van de raadsman van [eiseres 1] en [eiseres 2] . Rabobank heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad tot het doen van een cliëntenonderzoek. Dat zij dit kennelijk nog niet heeft gedaan komt voor haar risico. Er zijn bovendien voorshands geen aanwijzingen dat het cliëntenonderzoek ingewikkeld is of problemen zal opleveren. [naam 1] en [naam 2] zijn jonge vrouwen die werkzaam zijn in de door Café City Hall (bij Rabobank bekende) gedreven coffeeshop en hebben verder geen zakelijke activiteiten. Wel zal Rabobank bij toewijzing van de vordering om administratieve redenen een termijn van twee weken worden gegund, zoals zij subsidiair heeft verzocht.

 

Het geeft aan dat de grens van het maatschappelijk betamelijke bij de ‘de-risking’ praktijken door banken is bereikt.

15 april 2021

Even FATF is aware of the major flaws in its AML-standards – mitigation of harmful consequences

door Ellen Timmer

Even FATF is aware of the major flaws in its AML-standards. In February the organisation started a project to study and mitigate the harmful consequences of the FATF Standards. Readers are invited to submit contributions, preferably before 21 April 2021.

The FATF article:

Mitigating the Unintended Consequences of the FATF Standards
In February 2021, the Financial Action Task Force (FATF) launched a new project to study and mitigate the unintended consequences resulting from the incorrect implementation of the FATF Standards.

The project will focus on four main areas:

  • De-risking, or the loss or limitation of access to financial services. This practice has affected non-profit organisations (NPOs), money value transfer service providers, and correspondent banking relationships, in particular;
  • Financial exclusion, a phenomenon whereby individuals are excluded from the formal financial system and denied access to basic financial services;
  • Suppression of NPOs or the NPO sector as a whole through non-implementation of the FATF’s risk-based approach;
  • Threats to fundamental human rights stemming from the misuse of the FATF Standards or AML/CFT assessment processes to enact, justify, or implement laws, which may violate rights such as due process or the right to a fair trial.

The FATF will conduct the project in two phases:

Phase One: research and engagement. The project team will analyse these unintended consequences resulting from the misuse of the FATF’s Standards on preventing and combating money laundering and the financing of terrorism. This work will draw on the knowledge and experiences of members of the FATF’s Global Network of 205 jurisdictions, its observers, and outside stakeholders.

Phase Two: solutions. The second phase will develop options the FATF could consider to prevent and mitigate these unintended consequences.

The FATF welcomes input to inform this project, including, for example: scholarly research; industry and civil society perspectives; and documented instances of unintended consequences. Information may be sent to pscf@fatf-gafi.org. While contributions are welcome for the duration of the project, they would be most relevant for Phase One if submitted on or before 20 April 2021.

This is not an investigative endeavour, but an opportunity to study trends and propose solutions. Any information provided to the FATF Secretariat will be shared with the project team and the source will be identified. Depending on the volume of input, we may not be able to follow up on each suggestion for engagement, nor are we able to provide feedback about how, or if, information received is used.

Also available
Atténuer les conséquences imprévues des normes du GAFI

 

Necessity of supervision and counterbalance.
Of course this is not enough. An undemocratic body like FATF should not draft regulations that have consequences for every citizen in the world. The concepts FATF has developed are fundamentally flawed and have to be replaced before more damage is done.

23 maart 2021

The EBA takes steps to address ‘de-risking’ practices by European banks | AML

door Ellen Timmer

On 22 March the European Banking Authority (EBA) informed the public that it is taking steps to address inappropriate de-risking practices by banks. One of the sectors that is harmed by these practices, is the trust offices (trustkantoren) sector in the Netherlands.

The announcement by EBA:

The EBA takes steps to address ‘de-risking’ practices
22 March 2021

The European Banking Authority (EBA) published this month three regulatory instruments to address de-risking practices based on evidence gathered in its call for input. The instruments clarify that compliance with anti-money and countering terrorist financing (AML/CTF) obligations in EU law does not require financial institutions to refuse, or terminate, business relationships with entire categories of customers that they consider to present a higher ML/TF risk. In these documents the EBA also set out steps that financial institutions and competent authorities should take to manage risks associated with individual business relationships in an effective manner.

De-risking refers to decisions taken by financial institutions not to provide services to customers in certain risk categories. This can leave customers without access to the financial system. De-risking can be a legitimate risk management tool in some cases but it can also be a sign of ineffective ML/TF risk management, with severe consequences.

The EBA referred to particular aspects of de-risking in its previous work, such as in the Opinion in 2016 to mitigate risks of financial exclusion of asylum seekers in situations where they were unable to provide the standard Customer Due Diligence documentation. However, it has become apparent that more comprehensive action is needed to address unwarranted de-risking, given its impact on consumers and competition in the single market. In May 2020, the EBA therefore launched a Call for Input to the wider public so as to better understand the drivers, scale and the impact of de-risking across the EU. The EBA subsequently assessed the extensive feedback received and, issued three legal instruments this month to address this issue.

First, the EBA published its 2021 Opinion on ML/TF risks in the EU financial sector, in which it observes that de-risking is a continuing trend that has implications from an ML/TF risk, consumer protection and financial stability point of view and sets out a number of actions the competent authorities should take to understand the drivers, scale and impact of de-risking in their sectors.

Secondly, the EBA issued its revised ML/TF Risk Factors Guidelines, which clarify that the application of a risk-based approach to AML/CFT does not require financial institutions to refuse, or terminate, business relationships with entire categories of customers that are considered to present higher ML/TF risk. Instead, the Guidelines provide guidance on the steps financial institutions should take effectively to manage ML/TF risks associated with individual business relationships.

Finally, the EBA launched a public consultation on changes to its existing Guidelines on risk-based AML/CFT supervision. The proposed Guidelines require competent authorities to take stock of the extent of de-risking in their jurisdiction and address de-risking in their ML/TF risk assessments. The proposed Guidelines also require competent authorities to pay particular attention to the way financial institutions manage ML/TF risks and encourage them to engage with their sectors to ensure that financial institutions have a good understanding of the regulatory expectations of how ML/TF risks should be managed.

Throughout the remainder of this year, the EBA will continue to monitor and assess the scale and impact of, as well as the reasons for, de-risking, and consider the extent to which the current legal and regulatory framework is sufficient to address the issues associated with de-risking.

Legal basis

The EBA is carrying out its work on de-risking to fulfil its mandates to lead, coordinate and monitor the EU financial sector’s fight against ML/TF, to contribute to the protection of consumers across the EU, and to bring about supervisory convergence in the implementation of the competition enhancing objective of PSD2.

 

Links

 

All posts on this blog on de-risking and ‘dienstweigering banken’.

7 januari 2021

ING mocht rekening trustkantoor niet sluiten

door Ellen Timmer

De uitspraak van de kort geding rechter van de Rechtbank Amsterdam inzake een trustkantoor bij wie ING Bank de rekening had opgezegd, is op rechtspraak.nl gepubliceerd.

Kern: de voorzieningenrechter schort de sluiting van de rekening op in afwachting van een bodemprocedure over de vraag of ING Bank gerechtigd is tot de algemene beleidswijziging op grond waarvan alle trustkantoren de deur wordt gewezen.

Uit de overwegingen:

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ING op grond van de artikelen 35 van de Algemene Bankvoorwaarden en 7.3 van de Voorwaarden Zakelijke Rekening bevoegd is de bankrelatie met CIS op te zeggen.

4.3. De vraag in dit kort geding is of het gebruikmaken door ING van deze contractuele opzeggingsbevoegdheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd is met haar zorgplicht van artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie artikel 6:248 lid 2 BW en het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, ING/De Keijzer). Volgens CIS is dat het geval, volgens ING niet.

4.4. Op grond van de in artikel 2 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden neergelegde zorgplicht dient ING bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van haar cliënten rekening te houden. Uitgangspunt is dat het voor CIS van wezenlijk belang is dat zij toegang heeft tot het bancaire systeem. Het gaat hier niet om een kredietrelatie, maar om het hebben van een bankrekening. Elke (rechts)persoon die legale activiteiten ontplooit moet in beginsel toegang hebben tot het betalingsverkeer en daarvoor is een bankrekening nu eenmaal vereist.

4.5. Anderzijds komt gewicht toe aan de verplichting van CIS om ingevolge artikel 2 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden rekening te houden met de belangen van ING, zoals het kunnen voldoen aan haar verplichtingen jegens toezichthouders op grond van (onder meer) de Wet toezicht trustkantoren 2018 en de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten (Wwft). De maatschappelijke positie van banken brengt mee dat van hen de grootst mogelijke integriteit wordt verwacht. Daarnaast kunnen financiële en andere bedrijfsmatige belangen van de bank een rol spelen.

4.6. CIS heeft gesteld dat de opzegging grote gevolgen voor haar heeft. Ondanks diverse pogingen heeft zij niet elders een bankrekening kunnen openen. Als ING de relatie niet voortzet kan zij niet meer deelnemen aan het betalingsverkeer, waardoor zij haar onderneming niet meer kan voortzetten. ING heeft betwist dat CIS zich voldoende heeft ingespannen om alternatieven te vinden, bijvoorbeeld door zich te wenden tot buitenlandse banken die actief zijn in Nederland.

4.7. In dit kort geding heeft CIS voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat het in het algemeen voor trustkantoren in Nederland steeds moeilijker is geworden om een bankrekening te openen. Zij heeft meerdere keren (aantoonbaar) nul op het rekest kregen. Ook ING heeft CIS desgevraagd niet kunnen wijzen op een Nederlandse of buitenlandse bank waar CIS een bankrekening zou kunnen openen.

4.8. Verder staat vast dat CIS beschikt over een vergunning van DNB. ING heeft erkend dat zij aan de zijde van CIS nooit een risico op witwassen of terrorisme financiering heeft kunnen vaststellen. Ook overigens heeft ING de stelling van CIS dat zij sinds het aangaan van de relatie op geen enkele wijze jegens ING tekort is geschoten, niet weersproken. In concreto is dus op dit moment geen sprake van onzorgvuldigheden of tekortkomingen in de bedrijfsvoering van CIS die integriteitsrisico’s met zich mee zouden brengen. Evenmin is gebleken dat CIS zich niet zou houden aan bestaande wet- en regelgeving, waardoor ING mogelijk in de problemen zou kunnen komen. Ook staat vast dat CIS in 2011 en in 2017 het klantacceptatieproces van ING heeft doorstaan. Voorshands loopt ING dan ook een gering risico als de bankrelatie nog enige tijd zou doorlopen.

4.9.

De gronden die ING heeft aangevoerd voor de beëindiging van de bankrelatie zijn, zoals gezegd, niet specifiek gebaseerd op de handel en wandel van CIS, maar op een algemene beleidswijziging die inhoudt dat ING niet langer zaken wenst te doen met trustkantoren. Dit type dienstverlening brengt inherent een verhoogd integriteitsrisico met zich mee en dit risico alsmede het risico op reputatieschade dient in algemene zin te worden beperkt, aldus ING. Voortzetting van de dienstverlening aan trustkantoren zou volgens ING daarnaast onaanvaardbaar hoge kosten voor haar meebrengen.

4.10. Op zichzelf staat het een bank vrij haar beleid met betrekking tot het accepteren van cliënten te wijzigen. Bij de wijze waarop daaraan in een concreet geval uitvoering wordt gegeven, geldt wel de maatstaf als weergegeven onder 4.3 en 4.4 van dit vonnis. De wens van ING om integriteitsrisico’s zoveel mogelijk uit te sluiten is legitiem, maar in de gegeven omstandigheden levert deze wens naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een voldoende grond op voor opzegging van de bankrelatie met de door ING in acht genomen termijnen.

4.11. Van belang daarbij is dat ING de dienstverlening aan CIS in 2017 na onderzoek nog heeft uitgebreid. Tevens is hierbij van belang dat aannemelijk is dat de opzeggingsbrief van 12 december 2019 CIS niet heeft bereikt.

4.12. De stelling van ING dat voortzetting van de bankrelatie met CIS onevenredig hoge kosten met zich mee zou brengen heeft zij onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Bovendien wegen mogelijke extra kosten niet op tegen het belang van CIS bij voorlopige voortzetting van de relatie, te meer nu zij heeft aangeboden (redelijke) extra kosten voor haar rekening te nemen.

4.13. Samengevat luidt de conclusie dat CIS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kans groot is dat beëindiging van de bankrelatie ertoe zal leiden dat zij haar onderneming niet langer kan uitoefenen, terwijl zij op geen enkele wijze tekort is geschoten jegens ING en er geen concrete aanwijzingen bestaan dat zij een integriteitsrisico vormt voor ING en/of dat ING daardoor voor onevenredig hoge kosten wordt geplaatst. Het belang van ING bij een beëindiging van de relatie met CIS is dus relatief beperkt.

4.14. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en na afweging van de betrokken belangen, wordt geoordeeld dat CIS in ieder geval de uitkomst van de bodemprocedure moet kunnen afwachten. In een bodemprocedure kan, anders dan in een kort geding, een principieel oordeel worden verkregen over de vraag of en hoe ING als een van de grootbanken in Nederland een gehele sector (in dit geval de sector van trustkantoren) van haar dienstverlening kan uitsluiten. De relatie met ING moet worden voortgezet totdat die uitkomst er is, op voorwaarde dat CIS de bodemprocedure binnen één maand na heden aanhangig maakt. De meer subsidiaire vordering zal in die zin worden toegewezen. Mede gelet op het belang van ING om in beginsel haar eigen beleid te mogen bepalen, kan niet van haar worden verwacht dat zij de overeenkomst met CIS oneindig voortzet, zoals primair gevorderd. De subsidiaire vordering (voortzetting tot een andere, respectabele bank uit de SEPA-zone is gevonden) is te vaag en zal enkel leiden tot executiegeschillen. De subsidiaire vordering is dus evenmin toewijsbaar.

4.15. ING heeft terecht bezwaar gemaakt tegen de in het petitum opgenomen zinsnede “onder dezelfde voorwaarden als tot 1 oktober 2020” omdat dit een redelijke wijziging van de algemene voorwaarden onmogelijk zou maken. ING kan niet worden verplicht de algemene voorwaarden te “bevriezen”, te meer nu zij op grond van de algemene voorwaarden gerechtigd is die voorwaarden eenzijdig te wijzigen.

4.16.  Nu ING heeft toegezegd dat zij vrijwillig aan een veroordeling zal voldoen en er geen reden is om deze toezegging in twijfel te trekken, is het opleggen van dwangsommen niet nodig.

 

De beslissing luidt dat de bank wordt geboden de dienstverlening aan het trustkantoor dient voor te zetten totdat de bodemrechter in een door het trustkantoor aanhangig te maken bodemprocedure vonnis heeft gewezen. De procedure moet binnen één maand na het vonnis aanhangig worden gemaakt.

%d bloggers liken dit: