Posts tagged ‘Wtt’

17 november 2015

Voornemens DNB inzake de trustsector | Toezicht vooruitblik 2016

door Ellen Timmer

Op 16 november jl. publiceerde DNB het document “Toezicht vooruitblik 2016” In het persbericht onder de titel “Integriteitsrisico’s in financiële sector nog te weinig onderkend; hypotheekportefeuilles banken kunnen goed tegen een stootje” schrijft DNB dat de jaarlijkse ‘Toezicht vooruitblik’ (waarvan dit dan de eerste is) de opvolger is van de eerdere jaarlijkse overzichten ‘Thema’s DNB Toezicht’ en onderdeel vormt van een nieuwe verantwoordingscyclus.

DNB schrijft in het document:

In de Toezicht vooruitblik wordt vooruit gekeken naar de toezichtactiviteiten in het komende jaar. In de ‘Staat van het Toezicht’, die in het voorjaar verschijnt, wordt teruggekeken op de resultaten die zijn bereikt met het reguliere en het thematische toezicht. Nieuw in deze aanpak is dat de themakeuze in de ‘Toezicht vooruitblik’ van te voren wordt besproken met vertegenwoordigers uit de verschillende financiële sectoren, waarmee verder gestalte wordt gegeven aan het voornemen om meer met de sectoren in gesprek te gaan, zoals ook is aangekondigd in de in 2014 verschenen ‘Visie DNB Toezicht 2014-2018’.

Geïnternaliseerde integere cultuur

Op pagina 8 van het document wordt de doelstelling voor de trustsector omschreven als “Geïnternaliseerde integere cultuur”. Bevordering van de integriteit komt in het document op vele plaatsen in de orde, wat ook is te verklaren doordat de meeste vormen van naleving van wet- en regelgeving onder die noemer zijn te scharen.

Audit functie

Op pagina 13 wordt gemeld dat in het kader van themagericht onderzoek bij trustkantoren aandacht zal worden gegeven aan de kwaliteit van de audit functie. Dit onderzoek zal het eerste kwartaal van 2016 plaats vinden en in het tweede kwartaal worden teruggekoppeld (pagina 40). Op pagina 22 wordt dit als volgt toegelicht:

Trustkantoren: kwaliteit auditfunctie

Vanaf 1 januari 2015 moeten trustkantoren (conform de nieuwe Regeling integere bedrijfsvoering) een auditfunctie inrichten als derdelijnscontrole. Gelet op de eerdere negatieve ervaringen met de inrichting van de compliancefunctie door trustkantoren, bestaat het risico dat ook de auditfunctie onvoldoende functioneert. De auditfunctie is een belangrijke schakel in het beheersingskader van financiële instellingen en is bij uitstek de partij die vanuit haar onafhankelijke positie kritisch de bedrijfsvoering moet toetsen. Een niet goed functionerende auditfunctie verzwakt dus het algehele beheersingskader van trustkantoren en vergroot daarmee integriteitsrisico’s. DNB zal daarom bij een geselecteerd aantal trust kantoren de kwaliteit van de auditfunctie beoordelen en benchmarken. Aan de hand van (inter)nationale standaarden voor interne audit- functies toetsen we de ‘volwassenheid’ en het effect van het toezicht van DNB hierop. Tegen overtredingen of tekortkomingen treden we indien nodig sectoraal en/of instellingsspecifiek op. Dit moet leiden tot de verbetering van het beheersraamwerk en de ‘volwassenheid’ van trustkantoren vergroten.

Nieuwe regelgeving

Op pagina 31 wordt ingegaan op het voornemen op de pas gewijzigde regelgeving opnieuw aan te passen:

DNB heeft in de Visie op Toezicht 2014-2018 de ambitie uitgesproken om de trustsector naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen. Uitgangspunt hierbij is dat ‘de integriteit van de trustsector buiten enige twijfel dient te staan’, zoals de minister van Financiën het formuleerde in zijn brief van 14 mei 2015 aan de Tweede Kamer. Uit de bevindingen van DNB blijkt dat dit een uitdaging is.

We concludeerden eerder dat de integriteitsrisico’s te hoog zijn en deze onvoldoende door de kantoren worden beheerst. In samenwerking met het ministerie van Financiën wordt nu, mede op verzoek van DNB in haar wetgevingsbrief 2015, gewerkt aan aanscherping van de Wtt en onderliggende regelgeving, om onder meer de meest risicovolle activiteiten die trustkantoren uitvoeren te voorkomen of te beëindigen. In elk geval totdat de regelgeving is geïmplementeerd, is een intensivering van dit toezicht noodzakelijk. Komend jaar zal DNB in samenwerking met instanties zoals verenigd in het Financieel Expertise Centrum (FEC), scherp toezien op de wijze waarop trustkantoren hun poortwachtersrol vervullen.

Tags: ,
3 juli 2015

DNB verzoekt om ingrijpende herziening Wet toezicht trustkantoren

door Ellen Timmer

In een brief van 25 juni jl. aan de minister van financiën laat De Nederlandsche Bank weten dat ingrijpende herziening van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt gewenst. In het onderstaande bespreek ik de belangrijkste punten die DNB aan de orde stelt.

  • DNB schrijft in de brief dat er geen breed geïnstitutionaliseerde integriteitsstandaard bij trustkantoren zou zijn; ik zou menen dat dit één van de onderwerpen is waarmee brancheorganisatie Holland Quaestor druk bezig is. Nu Rome ook niet in één dag kon worden gebouwd, is de vraag of de mededeling van DNB als kritiek op de brancheorganisatie moet worden opgevat. Maar over de initiatieven in de sector spreekt DNB in het geheel niet.
  • DNB laat weten dat er voortbouwend op de per 1 januari 2015 gewijzigde Regeling integere bedrijfsvoering Wtt (Rib Wtt) wijziging van de Wtt nodig is. DNB schrijft “De invoering van de Rib Wtt heeft in de praktijk niet geleid tot voortgaande structurele verbeteringen in het gewenste tempo“. Bijzonder: de Rib Wtt is op 1 januari 2015 ingevoerd en nu al denkt DNB dat het niet hard genoeg gaat.
  • In de brief komt impliciet de gedachte van DNB terug dat het cliëntenonderzoek onder de Wtt minder ver zou gaan dan onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), mij lijkt die gedachte onjuist. Maar misschien gaat het DNB in de bewuste passage meer om aansluiting in de sfeer van de organisatorische eisen bij de Wet op het financieel toezicht (Wft). Ten slotte wordt door DNB verwezen naar voorbeelden in artikelen 3:10 en 3:17 Wft. Als ik zie dat DNB spreekt over mitigeren van integriteitsrisico’s, dan lijkt me dat wijziging van de Wtt niet nodig is om dat te bereiken. Dus de vraag is waarom DNB over dit soort wijzigingen spreekt, is het meer gericht op de beeldvorming?
  • DNB laat weten dat het een norm voor twee dagelijks beleidsbepalers wenst, naar model van artikel 3:15 Wft. Voorts meent DNB nu dat (deels) uitbesteden van compliance aan externe partijen een belemmering zou vormen voor internalisering van integriteit binnen een trustkantoor. Het lijkt er op dat DNB van mening is dat kleine(re) trustkantoren niet goed zouden kunnen functioneren. DNB schrijft: “DNB stelt daarom voor om verdere internalisering van integriteit binnen een trustkantoor voortaan te laten geschieden via een geïntegreerde compliancefunctie, hetgeen ook bijdraagt aan de professionalisering van de sector“. Al eerder signaleerde ik dat DNB kennelijk van de veronderstelling uitgaat dat kleine trustkantoren hun werk minder goed doen dan grote. DNB geeft geen toelichting op deze wens. De vraag is of de aard van de activiteiten van trustkantoren (toch vooral het besturen van rechtspersonen) wel geschikt is voor grote organisaties. Het karakter van de bedrijfsactiviteiten van een trustkantoor is tenslotte geheel anders dan van bijvoorbeeld banken of verzekeringsmaatschappijen. Het zou fijn zijn als DNB dit punt van een inhoudelijke onderbouwing zou kunnen voorzien, bijvoorbeeld door middel van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek over management en organisatie van dienstverlenende ondernemingen. Mijn persoonlijke indruk is namelijk dat ‘big’ lang niet altijd ‘beautiful’ is.
  • DNB meent dat in sommige structuren het trustkantoor op te grote afstand staat om haar taken in de sfeer van integriteit goed te vervullen. DNB wil hier over met het ministerie in overleg treden; uit de brief wordt niet duidelijk met welk doel.
  • Opnieuw wordt door DNB om meer bevoegdheden in de sfeer van handhaving gevraagd, zoals verruiming van de mogelijkheden om boetes te publiceren en intrekking van de vergunning. (Dat laatste kan toch al?) Bij de publicatiewens teken ik aan dat naming & shaming zonder rechterlijk toezicht een zeer gevaarlijke activiteit is, zoals door de gang van zaken bij de AFM wordt geïllustreerd. Als de AFM op een later tijdstip laat weten door de rechter tot de orde te zijn geroepen, is het kwaad voor de belanghebbende al geschied. Ik ben van mening dat de beslissing tot het openbaar maken van boetebesluiten bij de rechter thuis hoort, aangezien het een strafkarakter heeft.

De minister van financiën schrijft naar aanleiding van de wetgevingswensen van DNB:

Trustsector
Ik onderschrijf het belang van goede regelgeving voor de trustsector, en zal daartoe in overleg met DNB inventariseren waar de bestaande trustregelgeving aanpassing behoeft.

Het bovenstaande illustreert dat de trustkantorensector nog de nodige veranderingen kan verwachten.

Meer informatie:

Aanvulling 10 juli 2015

Vandaag verscheen in het FD een artikel van Siem Eikelenboom en Gaby de Groot over de wetgevingswensen van DNB. Lees ook de reacties onder het artikel. Van dezelfde auteurs verscheen het artikel ‘DNB en trustkantoren, een moeizame relatie‘. Het derde artikel, van dezelfde auteurs plus Vasco van der Boon, gaat over het afnemen door DNB van de trustvergunning van Intercity Corporate Management (ICM).

11 juni 2015

Speerpunten FEC voor 2015: trustkantoren, terrorismefinanciering en sanctieregelgeving

door Ellen Timmer

Het Financieel Expertise Centrum (FEC) is een samenwerkingsverband tussen een aantal bestuursorganen en andere overheidsinstellingen en bestaat uit:

  • Autoriteit Financiële Markten (AFM)
  • Belastingdienst
  • De Nederlandsche Bank (DNB)
  • Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU)
  • Fiscale Opsporingsdienst (FIOD)
  • Openbaar Ministerie (OM)
  • Politie

Dit samenwerkingsverband houdt zich bezig met toezicht, controle, opsporing en vervolging in de financieel-economische sfeer. Uit het in april 2015 bekend gemaakte jaarplan voor dit jaar (hier te vinden), blijkt dat de FEC een aantal speerpunten heeft aangewezen, te weten trustkantoren, terrorismefinanciering en sanctieregelgeving. Dit zijn onderwerpen waar DNB in 2014 al veel aandacht voor heeft gevraagd. Opvallend is dat het hier om een branche (de trustkantoren) en om twee aandachtsgebieden (terrorismefinanciering en sanctieregelgeving) die een groot aantal ondernemingen kunnen raken.

Het onderwerp terrorismefinanciering is relevant voor alle ondernemingen die onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) vallen, terwijl sanctieregelgeving voor ‘een ieder’ geldt. Voor beide onderwerpen geldt dat het juridische mandarijnenwetenschappen betreft die door weinigen worden doorgrond en waarmee de overheid ook tobt. Om hier goed mee om te gaan, zowel in de sfeer van preventie en naleving van regelgeving (‘compliance’) als toezicht, is een grote uitdaging.

Toelichting FEC

Onderstaand de toelichting van FEC op de keuze voor de speerpunten:

3.4.2 Trustkantoren

Resultaten: Het ontwikkelen van een gezamenlijke effectieve en integrale aanpak van vergunninghoudende trustkantoren die er toe leidt dat de beheersing van integriteitsrisico’s door trustkantoren op orde is. Trustkantoren nemen eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van risico- identificatie en -mitigatie en hebben het belang van integriteit ingebed in de bedrijfscultuur en de relatie met klanten. In gevallen waar de integere bedrijfsvoering nog niet als interne norm geldt, worden passende maatregelen ingezet om het beoogde resultaat te realiseren. Hiertoe zal 1) een inventarisatie plaatsvinden van de rol, bevoegdheden en bijdrage van de deelnemende partners aan hierboven genoemde resultaat; 2) onderlinge kennisuitwisseling plaatsvinden over de trustsector; 3) een aanpak worden opgeleverd met afspraken over concrete activiteiten inclusief een specifiek op de trustsector toegespitst handhavingsbeleid, gebaseerd op de criteria van het tripartiete overleg, waaraan OM, AFM, DNB en FIOD deelnemen.

Trekker en deelnemers: DNB met de FEC-eenheid en de betrokken FEC-partners en -waarnemers eventuele overige relevante partijen. Tevens zal samenwerking worden gezocht met BFT.

Achtergrond: Door het aantrekkelijke vestigingsklimaat heeft Nederland een omvangrijke trustsector. Deze brengt een relatief groot integriteitrisico met zich en daarmee ook een reputatierisico voor de Nederlandse financiële sector. Niet alle trustkantoren beheersen integriteitrisico’s (met name faciliteren van witwassen, belastingontduiking en ontwijking van sanctiemaatregelen) afdoende. De hoofdoorzaak hiervan is dat deze kantoren een onvoldoende integere bedrijfscultuur kennen: de letter van de wet wordt mechanisch toegepast en mitigatie van risico’s vindt vooral plaats nadat DNB deze expliciet onder de aandacht heeft gebracht. In de periode 2016-2018 zullen de gemaakte afspraken via een programmatische aanpak worden uitgevoerd in concrete casus.

3.4.3. Terrorismefinanciering

Resultaten: 1) De financiële netwerken van bij de FEC-partners en FEC-participanten bekende in- en uitreizigers en andere relevante personen en entiteiten zijn op basis van FEC-signalen in kaart gebracht. Daardoor is onder meer inzicht verkregen in de wijze waarop en door wie de in- en uitreizigers worden gefinancierd; 2) In alle gevallen waarin het verkregen inzicht daartoe aanleiding geeft, is een interventiestrategie opgesteld; 3) Ten slotte zijn typologieën van potentiële soorten terrorismefinanciering geformuleerd.

Trekker en deelnemers: OM is samen met de FEC-eenheid trekker. Deelnemers zijn de FEC-partners en -waarnemers en de beoogde participanten: de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), Douane, Koninklijke Marechaussee (KMar), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Belastingdienst/Toeslagen.

Achtergrond: In september 2014 is het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Daarmee is Jihadisme de komende tijd, en zeker in 2015 (waarop het jaarplan FEC ziet), een prioriteit in beleid en uitvoering van overheidsorganisaties. Terrorismebestrijding en met name de financiële kant daarvan, is een onderdeel van de versterking van de integriteit van de financiële sector en vrijwel alle FEC-partners kunnen daar een bijdrage aan leveren. Daarnaast wordt mogelijk door dit thema ook meer inzicht verkregen in de terroristische netwerken, groeperingen of (rechts)personen, en zogenoemde facilitatoren. Zie verder ook paragraaf 3.2.5 waar aanvullende resultaten zijn geformuleerd om informatie-uitwisseling mogelijk te maken. Over de aanpak op het thema terrorismefinanciering wordt de Tweede Kamer door de minister van Veiligheid en Justitie geïnformeerd middels de Voortgangsrapportage Actieprogramma Jihadisme.

3.4.6 Sanctieregelgeving

Resultaten: Eind 2015 bestaat een integrale aanpak van de FEC-partners in de situaties waarin financiële sanctieregelgeving niet wordt nageleefd. De integrale aanpak omvat afspraken ten aanzien van toezicht en handhaving van de financiële sanctieregelgeving. Het brengt onder andere de taakverdeling en bevoegdheden van betrokken diensten in beeld, zodat signalen van niet naleving effectief kunnen worden opgepakt in de handhavingsketen volgens de gemaakte afspraken.

Trekker en deelnemers: Ministerie van Financiën, de FEC-eenheid en betrokken FEC-partners en -waarnemers.

Achtergrond: Vrijwel alle FEC-partners en –waarnemers hebben een rol in de handhavingsketen op het gebied van sanctiewetgeving. Mede gelet op de actualiteit, de toenemende complexiteit van de sancties en de snelheid waarmee sancties elkaar momenteel opvolgen, is het voor een effectieve handhavingsketen van belang dat de ketenpartners hierin samenwerken als één overheid. Doel van het project is mede om op die wijze een bijdrage te leveren aan de tot standkoming van een handhavingsarrangement zoals het ministerie van Financiën dat met het OM en alle betrokken partners af wil sluiten.

Dit bericht is ook gepubliceerd op mijn algemene weblog.

25 november 2014

Bijeenkomst Compliance Platform Trustkantoren, woensdagmiddag 10 december a.s.

door Compliance Platform Trustkantoren

Op woensdag 10 december 2014 zal er weer een bijeenkomst van het Compliance Platform zijn. Bijeenkomsten van het Compliance Platform Trustkantoren kunnen worden bijgewoond door een ieder die zich met compliance in de trustsector bezighoudt. Er is gelegenheid van gedachten te wisselen over een actueel onderwerp naar aanleiding van een inleiding door een spreker.

Ellen Timmer, advocaat bij Pellicaan Advocaten zal ons het een en ander vertellen over het Sanctierecht. Tevens zal de Q en A van DNB door een andere spreker nader worden toegelicht. Er zal voldoende gelegenheid zijn om vragen te stellen en tijdens de borrel, na afloop, kan er genetwerkt worden.

Het Amsterdamse kantoor van Pellicaan Advocaten is zo vriendelijk om ons 10 december a.s. gastvrijheid te verlenen.

Ontvangst: 16.00 uur
Aanvang presentatie: 16.30 uur
Locatie: Pellicaan Advocaten, Queens Towers, Wilhelminatoren Delflandlaan 1, 1062 EA Amsterdam

Dan nog iets anders:
Ellen Timmer heeft een website gemaakt voor het Compliance Platform: https://complianceplatformtrustkantoren.wordpress.com/. Ik zou jullie willen aanraden hierop een e-mail abonnement te nemen. Via deze weg kunnen jullie dan in de toekomst een vooraankondiging krijgen van de bijeenkomsten van het compliance platform alsmede eventuele andere berichten.

Ik hoop jullie allen de 10e te zien!

Hartelijke groet,
Marianne van Rappard

Aanvulling 11 december 2014

De pdf-versie van de presentatie van Ellen over de Sanctiewet is hier te vinden.

25 juli 2014

Meer risicogebaseerd toezicht op trustkantoren

door Ellen Timmer

Hoewel ik in de veronderstelling verkeerde dat het toezicht op trustkantoren in hoge mate risicogebaseerd is, denkt DNB daar blijkens de wetgevingsbrief die onlangs is bekend gemaakt anders over.

Naar aanleiding van de mededelingen van DNB deelt de minister van financiën het volgende mee:

Risicogebaseerd toezicht  trustkantoren
Ik sta welwillend tegenover de wens voor een meer risicogebaseerd  regelgevend kader voor trustkantoren. Ten aanzien van het eerste  punt (verruiming van de mogelijkheid om boetes te publiceren)  verwijs ik naar het betreffende onderdeel in deze brief. Ten aanzien  van het tweede punt, verruiming van de mogelijkheden tot het  intrekken van de vergunning  kan ik berichten dat ik positief  tegenover de wens van DNB sta. Ik zal in overleg met DNB de mogelijkheden verkennen.

DNB schrijft in de brief dat een betere gelijkschakeling tussen Wtt en Wft/Wwft zou moeten plaats vinden, door het invoeren van normen voor beheerste en integere bedrijfsvoering in de Wtt, naar model van artikel 3:17 Wft. In samenhang daarmee zou een norm voor twee dagelijks beleidsbepalers moeten worden ingevoerd naar het model van artikel 3:15 Wft. De cliëntenidentificatie zou net zo risicogebaseerd moeten worden als in de Wwft (ik begrijp van het verhaal over de cliëntenidentificatie helemaal niets, eerlijk gezegd).

Zie voor de complete tekst de brief van DNB, een helaas niet citeerbaar pdf bestand, zodat ik de tekst niet makkelijk kon kopiëren en in dit bericht plakken.

Zie over naming & shaming het andere bericht op dit blog.

Aanvulling 28 juli 2014
Met dank aan Nicolaas Weeda, bij wie het OCR programma wel werkte, onderstaand passages uit de brief van DNB over trustkantoren:

Publicatie van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes
Bij het streven naar meer transparantie, past ook een beleid om door de toezichthouder opgelegde handhavingsmaatregelen, zoals bestuurlijke boetes, openbaar te maken. In de recente praktijk is gebleken dat er een verschil bestaat tussen DNB en de AFM ten aanzien van de publicatie van bestuurlijke boetes vanwege overtreding op het gebied van de beheerste en integere bedrijfsvoering. In de consultatieversie van het Implementatiebesluit CRD IV en CRR is voorzien dat di t verschil voor nieuwe gevallen wordt opgeheven. DNB verwelkomt dit.

Ten aanzien de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) en de Sanctiewet l 977 (Sw) ontbreekt op dit moment nog de mogelijkheid tot publicatie van lasten onder dwangsom of van bestuurlijke boetes. Het opnemen van een dergelijke bepaling in deze wetten zou goed aansluiten bij het streven van DNB naar meer transparantie en de preventieve werking hiervan.

Hetzelfde geldt voor lasten onder dwangsom of bestuurlijke boetes die DNB oplegt op grond van artikel 9c, eerste respectievelijk tweede lid, van de Bankwet 1998 voor overtredingen van – kort gezegd – de echtheids- en geschiktheidsvereisten voor eurobankbiljetten als bedoeld in artikel 9a, eerste tot en met derde lid, van de Bankwet 1998 of voor overtredingen van de Verordening valsemunterij (EG) nr. 1338/2001. Ook voor andere regelgeving waar DNB toezicht op houdt, zoals SEPA, geldt dat DNB streeft naar het zoveel mogelijk transparantie.

DNB verzoekt om de bevoegdheid om lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes te publiceren die worden opgelegd in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), Wet toezicht trustkantoren ( Wtt) en de Sanctiewet 1977 (Sw), dan wel op grond van artikel 9c, eerste respectievelijk tweede lid, van de Bankwet 1998. (…)

Risicogebaseerd toezicht trustkantoren

DNB verwelkomt de aanstaande wijziging van de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (Rib Wtt). De wijziging van de Rib is een belangrijke stap in hel streven van DNB naar een trustsector met professionele en goed bestuurde trustkantoren die voldoen aan wel- en regelgeving. In het belang van verdere professionalisering en toekomstbestendigheid van de trustsector acht DNB het van belang om voortbouwend op de nieuwe Rib, de Wtt nader te herzien en meer risicogebaseerd in te richten en in lijn te brengen met de institutionele eisen uit de Wft en de cliëntidentificatievereisten  ui t de Wwft.

Een betere gelijkschakeling tussen de Wtt en de Wft/ Wwft zou kunnen worden gerealiseerd door het invoeren van normen voor beheerste en integere bedrijfsvoering i n de Wtt, naar model van 3: 17 Wft, door te expliciteren dat de bedrijfsvoering van trustkantoren erop gericht moet zijn om de risico’s die het bedrijf van trustkantoor met zich meebrengt te mitigeren. In samenhang hiermee zou een norm voor twee dagelijks beleidsbepalers moeten worden ingevoerd, naar model van 3: 15 Wft. Tevens zouden de cliëntidentificatievereisten voor trustkantoren  meer risicogebaseerd moeten worden ingericht, naar model van de Wwft en zou de afbakening van de reikwijdte van de Wtt en de onder de wet gereguleerde diensten moeten worden herzien, ter beperking van het inherente integriteitrisico dat bepaalde diensten met zich meebrengen.

In aanvulling op het aanscherpen van de vereisten voor trustkantoren is het noodzakelijk dat van formele handhavingsmaatregelen een signaal uitgaat door verruiming van de mogelijkheden om boetes te publiceren, naar model van afdeling 1.5.2 van de Wft. In het geval dat een trustkantoor structureel niet in staat is om aan de wettelijke normen te voldoen en DNB vaststelt dat er geen andere middelen openstaan om naleving van de normen af te dwingen, dan moet DNB voldoende mogelijkheid hebben om de vergunning in te trekken, naar model van 1: 104 Wft.

Tot slot geldt dat de Beleidsregel Betrouwbaarheidsloetsing van DNB en AFM na een recente wijziging van regelgeving alleen nog van toepassing is op trustkantoren. Voor Wft-instellingen zijn de bepalingen aangaande de betrouwbaarheidstoetsing sinds enige tijd opgenomen in het Besluit prudentiële regels. Ook voor trustkantoren zouden deze regels op termijn in bijvoorbeeld de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt 2014 kunnen worden ingevoegd. De Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing zou dan kunnen worden ingetrokken.

DNB denkt graag mee over de mogelijkheden het regelgevend kader voor trustkantoren meer risicogebaseerd te maken, in lijn met de Wft, om verdere professionalisering van de sector te kunnen bevorderen.

NB Door mij is niet gecheckt of een en ander volledig goed is overgekomen. Raadpleeg als het nodig is de originele tekst.

 

25 juli 2014

Naming and shaming in de Wtt: publicatie van lasten onder dwangsom en boetes

door Ellen Timmer

Uit de wetgevingsbrief van de minister van financiën van 15 juli 2014 (wetgevingsbrief op het terrein van de financiële markten) blijkt dat de minister gehoor zal gaan geven aan het verzoek van DNB. Dat verzoek hield in dat DNB meer bevoegdheden wenst om lasten onder dwangsom en boetes opgelegd aan onder DNB-toezicht staande instellingen bekend te mogen maken. Een en ander zoals de AFM dit al veel langer doet.

DNB schrijft in de eigen brief dat in de recente praktijk is gebleken dat er een verschil bestaat tussen DNB en AFM ten aanzien van de publicatie van boetes vanwege overtreding op het gebied van de beheerste en integere bedrijfsvoering. In de Wwft, Wtt en Sanctiewet 1977 ontbreekt op dit moment een dergelijke publicatiemogelijkheid. DNB meent dat het opnemen van een dergelijke bepaling in deze wetten goed aansluit bij het streven van DNB naar meer transparantie. Voorts meent DNB dat er een preventieve werking. van kan uitgaan.

Straffen zonder rechter

Persoonlijk blijf ik er moeite mee hebben dat sancties door AFM en DNB bekend mogen worden gemaakt, terwijl het geschil met de financiële onderneming nog niet aan de rechter is voorgelegd. Publicatie van dit soort gegevens is nl. de facto als een straf te beschouwen, een straf die niet ongedaan kan worden gemaakt, ook al zou het trustkantoor gelijk krijgen van de rechter.

Straffen horen door de rechter te worden opgelegd, niet door een bestuursorgaan. Ik zie ook niet in waarom er niet een speciale strafprocedure zou kunnen worden gecreëerd, waarin DNB en AFM als aanklager (in plaats van het Openbaar Ministerie) kunnen optreden. Het is hoog tijd dat het procesrecht op dit punt wordt aangepast.

Zie over naming & shaming ook de berichten op mijn algemene weblog.

5 juni 2014

Bericht DNB over de uitleg van het begrip “receptiewerkzaamheden” (domicilieverlening)

door Ellen Timmer

DNB heeft op 3 juni 2014 op zijn website het onderstaande bericht geplaatst over de uitleg van het begrip “receptiewerkzaamheden” in het kader van het onderscheid tussen Wwft-domicilie en Wtt-domicilie:

Trustkantoren – Receptiewerkzaamheden

Datum: 3 juni 2014.
Status: Factsheet
Referentie: 01622

De Wet toezicht trustkantoren bepaalt dat een trustdienst onder meer is het ter beschikking stellen van een adres mits er tenminste bijkomende werkzaamheden worden verricht.

Indien een trustkantoor een adres ter beschikking stelt aan een rechtspersoon of vennootschap en daarbij tevens bijkomende werkzaamheden verricht ten behoeve van die rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een, tot dezelfde groep behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, wordt deze dienstverlening als een trustdienst beschouwd (artikel 1, sub d, onderdeel 2, Wet toezicht trustkantoren). Daarmee is de Wet toezicht trustkantoren van toepassing op deze dienstverlening.

Als bijkomende werkzaamheden worden onder meer beschouwd het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of verlenen van bijstand. De wet zondert expliciet het verrichten van receptiewerkzaamheden uit en beschouwt dit niet als bijkomende werkzaamheid. Deze uitzondering is per 1 juli 2011 in de Wet toezicht trustkantoren opgenomen. Als receptiewerkzaamheden worden aangemerkt het doorschakelen van telefonisch verkeer en het doorzenden van ongeopende poststukken. Let op: de grens van enkel receptiewerkzaamheden wordt zeer snel overschreden. In de praktijk gaat het daarbij om het openen van een poststuk, het bewaren van documentatie, het voorschieten van een rekening, het legaliseren van buitenlandse documenten.

Het meer doen – hoe marginaal ook – voor een rechtspersoon of vennootschap (of ten behoeve van een, tot dezelfde groep behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon) waaraan een adres ter beschikking wordt gesteld, heeft tot gevolg dat een trustdienst wordt verricht waarop de Wtt van toepassing is. Aan een dergelijke trustdienst zijn vervolgens wettelijke verplichtingen verbonden zoals omschreven in de Regeling Integere Bedrijfsvoering (Rib). Let ook op de verplichtingen onder de Sanctiewet 1977.

In die gevallen waar inderdaad slechts een adres ter beschikking wordt gesteld, en dus de Wet toezicht trustkantoren niet van toepassing is, is wel de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) van toepassing. De Wwft kent een eigen wettelijk kader waarbinnen de dienstverlener de cliënt moet kennen. Deze wijken in essentie niet veel af van de vereisten onder de Wtt.

Tags: , ,
21 mei 2014

Openbaar Ministerie actief op het gebied van compliance verplichtingen van trustkantoren

door Ellen Timmer

Niet alleen De Nederlandsche Bank (DNB) houdt zich bezig met de naleving van de Wtt verplichtingen. Uit een bericht van het Openbaar Ministerie blijkt dat een aantal trustkantoren worden onderzocht, waarbij het bij een Amsterdams en Amstelveens trustkantoor gaat om niet-naleving van de verplichtingen tot cliëntenonderzoek.

Inzake de laatstgenoemde twee trustkantoren is door DNB strafrechtelijke aangifte gedaan. De interessante vraag is hoe het OM gaat beoordelen dat niet aan de verplichtingen tot cliëntenonderzoek is voldaan, nu daar geen heldere normen voor zijn. Normaliter is het DNB die toezicht houdt op de naleving van deze verplichtingen en constateert of er al dan niet aan de verplichtingen wordt voldaan. Het is dan ook bijzonder dat het OM schrijft (onderstreping door mij) “Het onderzoek tegen de twee trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam is gestart na een aangifte van DNB, dat de trustkantoren vermoedelijk niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek.

Over de onderzochte trustkantoren staat het volgende in het bericht:

Drie strafrechtelijke onderzoeken naar trustkantoren

De FIOD en Politie hebben vandaag een Amsterdams trustkantoor doorzocht. Het kantoor wordt verdacht van het tientallen keren niet doen van verplicht cliëntenonderzoek. Er is administratie in beslag genomen. Van een trustkantoor in Amstelveen zijn twee directeuren als verdachte gehoord. Ook hier is de verdenking dat zij tientallen keren het cliëntenonderzoek niet hebben uitgevoerd. In de omgeving van Eindhoven is een trustkantoor doorzocht vanwege het niet vrijwillig uitleveren van alle gevraagde informatie aan de belastingdienst. De niet uitgeleverde informatie is nu door de FIOD in beslag genomen. Alle drie de strafrechtelijke onderzoeken staan onder leiding van het Functioneel Parket.

Compliance trustsector
In Nederland zijn circa 289 vergunning houdende trustkantoren, die zich bedrijfsmatig bezig houden met het verlenen van trustdiensten, zoals het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap. Integriteit is hierbij belangrijk. Het is in ieders belang dat de sector schoon blijft en dat de sector niet door criminelen gebruikt kan worden voor witwassen of belastingontduiking. Trustkantoren spelen een wezenlijke rol in het bewaken van de integriteit van de financiële sector in Nederland. Trustkantoren moeten hun bedrijfsvoering zo inrichten dat een integere bedrijfsvoering gewaarborgd is. Deze verplichting hebben zij op grond van Wet Toezicht trustkantoren, de hierop gebaseerde Regeling integere bedrijfsvoering en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) . Een van de belangrijkste onderdelen daarvan is het principe van cliëntonderzoek of customer due diligence (CDD) en het daarbij behorende principe dat een trustkantoor zich ook moet vergewissen van de herkomst van het vermogen en de bestemming van gelden. Wanneer trustkantoren de regels op dit gebied niet naleven, dan worden zij zeer kwetsbaar voor (crimineel) misbruik en wordt de cliënt onzichtbaar voor toezicht en controle door de overheid. Ook tegenover andere onderdelen van de overheid, zoals de Belastingdienst, dienen trustkantoren compliant te zijn. Het niet voldoen aan wettelijke verplichtingen is ongeoorloofd en daar treden wij samen met de toezichthouders tegen op.

Project TCSP
Het onderzoek naar het trustkantoor in de omgeving van Eindhoven komt voort uit het zogenoemde ‘Trust and Company Service Providers’-project (TCSP) van de belastingdienst en het Functioneel Parket. De belastingdienst voert boekenonderzoeken uit bij Trustkantoren om te controleren of trustkantoren ‘compliant’ zijn en de aangiften kloppen. Met het Functioneel Parket het de FIOD zijn afspraken gemaakt over de inzet van het strafrecht voor kantoren die niet voldoen aan verzoeken van de belastingdienst om gegevens uit te leveren.
Bij het trustkantoor in de omgeving van Eindhoven is door de fiscus een boekenonderzoek aangekondigd voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. Het onderzoek heeft ten doel de juistheid en volledigheid van de ingediende aangiften vast te stellen. Om het onderzoek uit te kunnen voeren is het kantoor verplicht om de administratie ter beschikking te stellen van de belastingdienst. Dit kantoor heeft ondanks herhaaldelijke verzoeken geweigerd om delen van de administratie te overhandigen. De FIOD is daarop onder leiding van het Functioneel Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Project Niet-Melders
De onderzoeken naar de trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam zijn onderdeel van het project Niet-Melders, een gezamenlijk project van FIOD, de Nationale Recherche, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), het Bureau Financieel Toezicht (BFT), Belastingdienst Holland Midden/ Belastingdienst, Bureau Toezicht Wwft (BTW), De Nederlandsche Bank (DNB) en het Openbaar Ministerie (OM). De deelnemers aan het project willen dat instellingen hun cliëntonderzoek beter uitvoeren en vaker melding maken van ongebruikelijke transacties. Het niet naleven van de regels werkt ondermijnend, concurrentievervalsend en kan witwassen faciliteren. Daarom pakt de overheid dit aan. Het onderzoek tegen de twee trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam is gestart na een aangifte van DNB, dat de trustkantoren vermoedelijk niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek. De twee aangiften van DNB zijn afkomstig uit een DNB-project waarin een groep trustkantoren zijn gecontroleerd op het doen van CDD.

16 april 2014

Zware kritiek Raad van State op uitbreiding van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsing in het financiële toezicht

door Ellen Timmer

Onlangs heeft de Afdeling advisering van Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2015. Een van de onderwerpen die de Raad aan de orde stelt is de voorgenomen uitbreiding van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis voor ondernemingen die vergunninghouder zijn op grond van onder meer de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt op dit punt (nog) niet aangepast.

De kritiek van de Raad is vernietigend:

  • de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis wordt uitgebreid naar een zeer ruime en niet helder gedefinieerde groep personen;
  • de overheid trekt taken naar zich toe (beoordelen van een ruime kring van personen die geen ‘beleidsbepaler’ zijn), zonder dat is aangegeven dat is nagedacht over de consequenties daarvan, de Raad schrijft heel diplomatiek dat “de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden“.

Hierna volgt de complete passage die op het onderwerp betrekking heeft.

2. Uitbreiding geschiktheids- en betrouwbaarheidseis

Ingevolge artikel 3:9 Wft dient de betrouwbaarheid van personen die het beleid van de financiële onderneming (mede) bepalen buiten twijfel te staan. (zie noot 2) Ingevolge artikel 3:8 Wft dient voor personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen tevens vast te staan dat zij daartoe geschikt zijn. (zie noot 3)

Het voorgestelde artikel I, onderdelen S en T, breidt de kring van personen op wie de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis van toepassing is uit naar alle ‘personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar met zetel in Nederland, die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ In de toelichting wordt hierover opgemerkt dat ‘door te verlangen dat personen verantwoordelijk voor medewerkers die het risicoprofiel van de financiële onderneming wezenlijk (kunnen) beïnvloeden, geschikt en betrouwbaar zijn, kan beter worden tegengegaan dat onder hun verantwoordelijkheid risico’s worden genomen die de stabiliteit van en het vertrouwen in de financiële sector in gevaar brengen.’ (zie noot 4)

De Afdeling merkt hierover het volgende op.

a. Kring van personen
Het onderhavige voorstel breidt de kring van personen die onder het bereik van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen uit tot personen […] ‘die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ Daarbij leidt de Afdeling uit de toelichting af dat het begrip ‘werkzaamheden die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming’ ruim moet worden opgevat. Zo wordt in de toelichting opgemerkt dat ‘voor de bepaling van de activiteiten die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming, niet alleen moet worden gekeken naar de financiële risico’s van deze activiteiten maar ook naar de niet-financiële risico’s. Ook niet-financiële risico’s, zoals juridische, reputatie- en IT-risico’s, kunnen immers een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van een onderneming.’ (zie noot 5)

Wie onder de reikwijdte van deze uitbreiding vallen, wordt in het voorstel niet nader omschreven. (zie noot 6) Ziet de Afdeling het goed dan wordt de kring van personen die na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel aan een betrouwbaarheids- en geschiktheidseis wordt onderworpen aanmerkelijk vergroot. Het betreft immers een ieder die binnen een bank of verzekeraar verantwoordelijkheid draagt voor personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden. Er is geen beperking aangebracht ten aanzien van het niveau binnen de organisatie waar de verantwoordelijke werkzaam is; het kan aldus zowel een ‘lagere’ afdelingsmanager als het hoofd compliance betreffen. Aldus is, zo meent de Afdeling, sprake van een discrepantie tussen de tekst van het voorstel en de toelichting waarin onder meer wordt opgemerkt dat slechts ongeveer 650 personen verantwoordelijk zijn voor werkzaamheden die het risicoprofiel wezenlijk kunnen beïnvloeden. (zie noot 7) De Afdeling meent dat in dit verband de tekst van het voorstel en de toelichting met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

De Afdeling merkt vervolgens op dat in het systeem van de Wft maar ook van het Burgerlijk Wetboek, het een interne aangelegenheid van de financiële instelling is om in de eigen organisatie te bewerkstelligen dat voor de onderneming relevante risico’s worden beheerst. De wet stelt in dat verband eisen aan de onderneming als zodanig. (zie noot 8) Het bestuur van de instelling is voor de naleving daarvan verantwoordelijk. De Afdeling merkt op dat met de uitbreiding van de door de overheid opgelegde geschiktheidseis het toezicht zodanig uitgebreid wordt dat op de overheid een veel verder strekkende verantwoordelijkheid dan thans komt te rusten. De overheid trekt immers de beoordeling van de geschiktheid (vaardigheden, kennis en professioneel gedrag) van medewerkers onder het niveau van de (dagelijks) beleidsbepalers, mede aan zich.

De wet vereist dat personen die binnen de reikwijdte van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen bij voortduring aan die eisen voldoen. Die continue verantwoordelijkheid geldt de onderneming en betreft, zoals hierboven opgemerkt, ook de overheid die met het voorstel die verantwoordelijkheid breder aan zich trekt. De Afdeling merkt op dat een verdergaande verantwoordelijkheid voor de overheid ook met zich kan brengen dat de overheid (in de praktijk De Nederlandsche Bank) ook breder aanspreekbaar wordt op de (continue) invulling van die verantwoordelijkheid.

De Afdeling is, mede in het licht van hetgeen zij onder 1. heeft opgemerkt, van oordeel dat door het voorstel de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de onderneming en de verantwoordelijkheid van de overheid substantieel verschuift. Daarnaast merkt de Afdeling op dat de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden. Zij adviseert in de toelichting de uitbreiding van het geschiktheids- en betrouwbaarheidseis dragend te motiveren en zo nodig het voorstel aan te passen.

20 maart 2014

Hoe zat het ook al weer met domicilie. Over wettelijke verplichtingen van degene die bedrijfsmatig domicilie verleent

door Ellen Timmer

De overheid houdt het zorgvuldig geheim, maar domicilieverlening is tegenwoordig een zwaar gereguleerde bezigheid. In Nederland bestaan momenteel drie soorten domicilie:

[a] Domicilieverlening in de zin van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). In die wet wordt domicilieverlening gedefinieerd als:

het in opdracht van een niet tot dezelfde groep behorende rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, ter beschikking stellen van het adres of het postadres [*] aan een andere rechtspersoon of vennootschap, indien bepaalde bijkomende werkzaamheden [**] wordt verricht ten behoeve van die rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een, tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon

Belanghebbenden dienen er op te letten dat er zeer snel sprake is van bijkomende werkzaamheden, met name “het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of het verlenen van bijstand”. De toepasselijkheid van de Wtt heeft grote gevolgen: de ondernemer die deze domiciliediensten verleent dient bij De Nederlandsche Bank een vergunning aan te vragen en dient als vergunninghouder aan een groot aantal eisen te voldoen. Zie voor meer informatie de DNB-pagina over de Wtt.

[b] Domicilieverlening in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De definitie is hier: het beroeps- of bedrijfsmatig een adres of postadres ter beschikking stellen. Dit is ruimer dan de Wtt, waar naar adres en postadres op grond van de Handelsregisterwet [*] wordt verwezen. Zie voor meer informatie over de Wwft de site van FIU-Nederland. Overigens valt op dat domicilieverleners niet als Wwft-melder bij FIU-Nederland worden genoemd. De toezichthouder is het Bureau Toezicht Wwft van de belastingdienst. Zie voor informatie de site van de belastingdienst.

[c] Overige domicilieverlening, dat wil zeggen domicilieverlening die niet onder [a] of [b] valt en dus niet gereguleerd is.

Door de gebrekkige informatievoorziening vrees ik dat er de nodige domicilieverleners buiten de trust(kantoren)sector zijn die niet van hun wettelijke verplichtingen op de hoogte zijn. Zij komen er pas achter als een overheidstoezichthouder of opsporingsinstantie vanwege onderzoek naar strafbare feiten de domicilieverlener op het spoor komt.

[*] Adres of postadres bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel c, en 14, eerste lid, onderdeel c, van de Handelsregisterwet 2007.

[**] In de wet wordt het volgende genoemd:

i) het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of het verlenen van bijstand, met uitzondering van het verrichten van receptiewerkzaamheden;
ii) het verstrekken van belastingadvies of het verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden;
iii) het verrichten van werkzaamheden in verband met het opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening of het voeren van administraties;
iv) het werven van een bestuurder voor een rechtspersoon of vennootschap;
v) andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bijkomende werkzaamheden.