16 april 2014

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake aanwijzing, inhoudend dat “onbetrouwbare” bestuurder diende af te treden

door Ellen Timmer

Onlangs heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een geschil tussen een beleidsbepaler en DNB over een aanwijzing inzake een “onbetrouwbare” bestuurder. In de uitspraak wordt wordt het geschil als volgt samengevat, waarbij met “[bedrijfsnaam 1]” het trustkantoor wordt aangeduid:

Bij besluit van 8 maart 2012 (het primaire besluit) heeft DNB aan [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1]) een aanwijzing gegeven tot het volgen van een gedragslijn dat appellant het beleid van [bedrijfsnaam 1] niet meer kan bepalen of mede bepalen.
Deze aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten, te weten: de door de Centrale Bank van Curaҫao en Sint Maarten (hierna: CBCS) aan de op Curaҫao gevestigde trustkantoor [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3]) opgelegde boetes van 19 mei 2008 en 17 december 2009, het niet onmiddellijk aan DNB melden van deze boetebesluiten, het niet onmiddellijk aan DNB melden van het besluit van CBSC van 14 juli 2010 tot intrekking van de aan [bedrijfsnaam 3] verleende vergunning en het verstrekken van onjuiste informatie ter gelegenheid van zowel de op 18 juli 2011 bij DNB ingediende vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]) als het op 11 november 2011 met een medewerker van DNB gevoerde telefoongesprek. Appellant is bestuurder van zowel [bedrijfsnaam 1] als [bedrijfsnaam 3] en was tevens beoogd bestuurder van [bedrijfsnaam 2].

Uit de uitspraak leid ik af dat de beleidsbepaler (en dus kennelijk niet het trustkantoor) bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing. Dat bezwaar is door DNB ongegrond verklaard. Vervolgens verloor het trustkantoor het beroep bij de rechtbank. Daarbij is met name van belang dat bepaalde informatie niet aan DNB is verstrekt. De rechtbank overweegt onder meer:

Dat het Gerecht in eerste aanleg van Curaҫao bij uitspraak van 20 december 2011 de intrekking van de vergunning heeft vernietigd, welke uitspraak door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaҫao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 25 april 2012 is bevestigd (…) DNB heeft immers niet de intrekking van de vergunning van [bedrijfsnaam 2] aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd, maar het niet melden van die als toezichtsantecedent te kwalificeren intrekking. (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB, gelet op het vorenoverwogene, zowel het niet melden van deze antecedenten als de boetes zelf aan eiser als beleidsbepaler mogen toerekenen. Dat geldt evenzeer voor het verstrekken van onjuiste informatie over zijn arbeidsverleden. Voorts heeft DNB hieraan redelijkerwijs de gevolgtrekking kunnen verbinden dat eiser gedragingen heeft vertoond die er blijk van geven dat het hem in relevante mate ontbreekt aan eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid en openheid als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel, zodat de betrouwbaarheid van eiser niet langer buiten twijfel stond als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Wtt. DNB was dan ook bevoegd de in geding zijnde aanwijzing te geven.

Het trustkantoor gaat in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College honoreert de bezwaren van het trustkantoor niet. Hierna geef ik de volledige overwegingen van het College weer (onderstreping van bepaalde passages door mij):

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Het College is van oordeel dat DNB, in reactie op de in 4.1 weergegeven grief van appellant, terecht heeft aangevoerd dat niet relevant is of [bedrijfsnaam 2] meerdere bestuurders had en hoe de verantwoordelijkheden intern waren geregeld. Appellant was als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] verantwoordelijk voor het melden van de aan [bedrijfsnaam 2] opgelegde boetes alsmede van het besluit van CBCS om de vergunning van [bedrijfsnaam 2] in te trekken. Daarnaast is volgens DNB ten aanzien van appellant sprake van twee andere toezichtantecedenten, te weten het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige informatie bij de vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 3] en tijdens een telefoongesprek met een medewerker van DNB op 11 november 2011. Daarop zal hierna worden ingegaan. Vervolgens zal, evenals de rechtbank heeft gedaan, worden beoordeeld of DNB hierop de gegeven aanwijzing heeft mogen baseren.

5.2 Ten aanzien van de stelling van appellant dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de wijze waarop het telefoongesprek van 11 november 2011 is verlopen in het midden heeft gelaten, maar vervolgens wel conclusies heeft getrokken uit de wijze waarop het gesprek is verlopen, overweegt het College als volgt. De wijze waarop het gesprek is verlopen, acht het College wel van belang voor de daaraan te verbinden conclusies. Anders dan appellant heeft aangevoerd, acht het College het echter niet aannemelijk dat het door de betreffende medewerker van DNB opgestelde verslag van het op 11 november 2011 met appellant gevoerde telefoongesprek daarvan een onwaarachtige weergave vormt. Ter zitting heeft DNB in dit verband verklaard dat het verslag meteen na afronding van het telefoongesprek is opgemaakt. De datum van 13 december 2011 die bovenaan het verslag is vermeld, is de datum waarop dit exemplaar is afgedrukt.
Uit dit verslag blijkt dat de medewerker van DNB verschillende keren aan appellant heeft gevraagd of hij over informatie beschikte die voor DNB van belang kan zijn bij de beoordeling van zijn deskundigheid en betrouwbaarheid en dat appellant hierop steeds ontkennend heeft geantwoord. Pas nadat de medewerker erop had gewezen dat DNB door CBCS was geïnformeerd over een aantal met [bedrijfsnaam 2] verband houdende toezichtantecedenten is appellant daarop ingegaan. In het verslag is voorts vermeld dat de medewerker van DNB aan het eind van het telefoongesprek heeft opgemerkt dat hij het betreurt dat appellant aan het begin van het gesprek niet direct de openheid heeft betracht die jegens DNB als toezichthouder verwacht mag worden. Aan het eind van het verslag heeft de medewerker van DNB de opmerking toegevoegd dat appellant op de gestelde vragen steeds zeer terughoudend reageerde en dat pas na herhaaldelijk doorvragen concrete antwoorden werden verkregen. Dat appellant pas openheid van zaken heeft gegeven nadat de medewerker hem had gewezen op de van CBCS verkregen informatie, vindt bevestiging in hetgeen appellant in het kader van het hoger beroep heeft aangevoerd, als onder 4.3 weergegeven, alsmede in de e-mail die appellant nog dezelfde dag in reactie op het telefoongesprek aan de medewerker heeft gezonden. Appellant bevestigt daarin immers zijn “aanvankelijke terughoudendheid”.
Het College acht het niet geloofwaardig dat eiser zich niet zou hebben gerealiseerd dat de antecedenten die zich ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] hebben voorgedaan bij de Nederlandse toezichthouder moesten worden gemeld. Uit de opmerkingen van appellant als vermeld aan het eind van het verslag, dat appellant de kwestie zeer vervelend vindt, dat hij “het vreselijk vindt te realiseren dat het gelazer nu vanuit Curaҫao overvliegt” en dat hij het zich absoluut niet kan permitteren dat hij door DNB wordt afgekeurd, leidt het College veeleer af dat appellant niet wenste dat DNB op de hoogte zou raken van de problemen op Curaҫao en derhalve de antecedenten bewust niet heeft gemeld. Daarbij acht het College voorts van belang dat appellant op 13 oktober 2011, derhalve enkele weken voorafgaand aan het telefoongesprek van 11 november 2011 nog op een zitting is geweest in de procedure die [bedrijfsnaam 2] tegen CBCS had aangespannen in verband met de intrekking van de vergunning en dat appellant blijkens zijn hiervoor reeds genoemde e-mail aan de medewerker van DNB in reactie op het telefoongesprek op dat moment in afwachting was van de uitspraak in die zaak, die immers op 24 november 2011 werd verwacht.
De hiervoor in 4.1 en 4.3 weergegeven grieven falen derhalve.

5.3 Appellant heeft bij de vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] een als curriculum vitae bedoeld stuk ingediend, waarin onder meer is vermeld: “Subsequently he returned to the Netherlands to become General Counsel of DNB and the personal adviser to its President, Dr Wim Duisenberg, who later became President of the European Central Bank. At his recommendation, [naam 2] was invited to become General Counsel of the Central Bank of the Netherlands Antilles.” . Appellant heeft niet weersproken dat hij noch bij DNB, noch bij CBCS de functie van General Counsel heeft bekleed. Ook heeft appellant niet betwist dat hij nimmer de “personal advisor” van Wim Duisenberg is geweest. DNB verwijt appellant dat hij met de inzending van bedoeld stuk de suggestie heeft gewekt dat sprake is geweest van zeer zware juridische functies en derhalve zijn arbeidsverleden rooskleuriger heeft voorgesteld dan in werkelijkheid het geval is geweest. Uit de opmerkingen van appellant tijdens het hiervoor reeds genoemde telefoongesprek van 11 november 2011, het zienswijze gesprek van 20 februari 2012 en de hoorzitting in bezwaar van 12 juni 2012 blijkt dat appellant dit aanvankelijk ook tegenover DNB heeft toegegeven. Appellant heeft bij die gelegenheden immers ten aanzien van de functie van General Counsel aangegeven dat het marketing voor zichzelf betrof en dat het niet verkoopt als er bijvoorbeeld “manusje van alles” zou staan. Ook heeft hij verklaard dat hij beseft dat hij de functie van personal advisor misschien iets te zeer heeft aangedikt. In beroep en in hoger beroep heeft (de gemachtigde van) appellant gesteld dat het maar zeer de vraag is of hij zijn functies bij DNB en CBCS rooskleuriger heeft voorgesteld, aangezien het niet uitgesloten is dat de functie van General Secretary, gelet op het bredere palet aan verantwoordelijkheden dat doorgaans aan deze functie wordt toegekend, naar huidige maatstaven juist als een zwaardere functie dan de General Counsel wordt beschouwd. Het College acht deze stelling onvoldoende onderbouwd, nu daarin niet wordt ingegaan op de inhoud van de functies zoals appellant deze destijds heeft verricht in relatie tot de betekenis die thans, zoals DNB heeft aangevoerd, in het normale spraakgebruik wordt toegekend aan de functieomschrijvingen zoals vermeld in het als curriculum vitae bedoelde stuk. Het College houdt het derhalve ervoor dat appellant in voormeld curriculum vitae zijn arbeidsverleden inderdaad rooskleuriger heeft voorgesteld dan in werkelijkheid het geval is geweest. De hiervoor in 4.5 weergegeven grief faalt.

5.4 Appellant betoogt tevergeefs dat DNB zich een eigen oordeel had dienen te vormen over de achterliggende feiten en omstandigheden van de aan [bedrijfsnaam 2] opgelegde boetes. Het College overweegt dat appellant genoemde antecedenten niet aan DNB heeft gemeld, waarmee hij DNB de mogelijkheid heeft onthouden om deze antecedenten destijds te beoordelen en daarbij eventuele volgens appellant belangrijke achterliggende feiten en omstandigheden te betrekken. Naar DNB heeft aangevoerd zijn het niet melden van de boetes alsmede het niet melden van de intrekking van de vergunning de belangrijkste redenen geweest voor het geven van de aanwijzing. Het College is van oordeel dat DNB bij haar besluitvorming tevens de jegens [bedrijfsnaam 2] genomen boetebesluiten heeft mogen betrekken. Appellant en [bedrijfsnaam 2] hebben daartegen immers geen bezwaar gemaakt, zodat DNB zonder nader onderzoek heeft mogen aannemen dat het opleggen van die boetes rechtmatig is geweest. De hierop betrekking hebbende grief (zie hiervoor 4.6) faalt.

5.5 Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van appellant niet langer buiten twijfel stond. Het betoog van appellant dat de antecedenten, die zich ten aanzien van hem hebben voorgedaan, te maken hebben met onvoldoende geschiktheid en niet met zijn betrouwbaarheid faalt. DNB heeft in dit verband terecht gewezen op de definitie van “betrouwbaarheid” in artikel 1 van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing en de daarbij behorende toelichting, alsmede op het belang dat er ten aanzien van invloedrijke personen bij trustkantoren geen twijfel mag bestaan over hun betrouwbaarheid. De rechtbank is hierop ingegaan in r.o. 6.5 en 7.2 van de bestreden uitspraak en heeft daarmee naar het College begrijpt het argument van appellant, dat het niet melden van de antecedenten ten onrechte is beoordeeld in de sfeer van betrouwbaarheid, verworpen. Het College is van oordeel dat het enkele feit dat in de bestreden uitspraak niet alle argumenten van eiser uitvoerig zijn besproken niet betekent dat de rechtbank daaraan geen aandacht zou hebben geschonken. Voorts heeft DNB in haar verweerschrift terecht aangevoerd dat uit de bestreden uitspraak geenszins volgt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door zelf argumenten aan te dragen. De hierop betrekking hebbende grieven (zie 4.2, 4.6 en 4.7) falen.

5.6 Het College overweegt ten slotte naar aanleiding van de in 4.4 weergegeven grief het volgende. Hoewel DNB onweersproken heeft gesteld dat de door appellant bedoelde, in het informatiebulletin van mei 2013 beschreven procedure, in het najaar van 2011 nog niet bestond, is het College van oordeel dat het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming voor de hand zou hebben gelegen om appellant, vóórdat het voorgenomen besluit tot het geven van een aanwijzing werd genomen, te doen horen, opdat appellant in dat stadium zijn visie ten aanzien van de door DNB geconstateerde antecedenten had kunnen geven. Het College verbindt hier evenwel geen conclusies aan, nu appellant de geconstateerde antecedenten niet heeft ontkend en voorts nadat het voorgenomen besluit tot het geven van een aanwijzing was genomen, alsnog is uitgenodigd voor een (zienswijze)gesprek, dat op 20 februari 2012 heeft plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag heeft appellant zijn visie ten aanzien van de geconstateerde antecedenten kunnen geven en is appellant uitvoerig op de diverse omstandigheden ingegaan, hetgeen verweerder betrokken heeft bij het (definitieve) besluit van 8 maart 2012 tot het geven van een aanwijzing. De grief faalt derhalve.

Uit de uitspraak blijkt dat het correct en volledig verstrekken van informatie essentieel is voor de beoordeling van beleidsbepalers en dat een aanwijzing kan worden gebruikt om te bereiken dat een beleidsbepaler vertrekt bij een trustkantoor. Voorts behoort DNB in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van een dergelijke aanwijzing de beleidsbepaler vooraf te horen.

Aanvulling 17 april 2014
Overigens vraag ik me af waarom deze procedure is gevoerd tussen de beleidsbepaler en DNB. Uiteraard heeft de beleidsbepaler een belang vanwege de negatieve beoordeling. Maar ook het trustkantoor heeft een belang, aangezien de aanwijzing tot het trustkantoor gericht is. Dit punt wil ik op een ander moment eens nader gaan bekijken.

Aanvulling 29 april 2014
Op de pagina waar de nieuwsbrief van DNB van vandaag naar verwijst wordt ook melding gemaakt van bovenstaande uitspraak. DNB verwijst naar dit bericht van 10 april 2014:

Aanwijzing tot heenzending beleidsbepaler trustkantoor onherroepelijk
Nieuwsbericht 10 april 2014

Het College van beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler van een trustkantoor niet langer buiten twijfel staat en dat DNB in redelijkheid aan het trustkantoor de aanwijzing heeft gegeven dat deze persoon het beleid van het trustkantoor niet meer (mede) kan bepalen.
Hoger beroep tegen uitspraak Rb Rotterdam, waarbij het beroep tegen een door DNB gegeven aanwijzing ongegrond is verklaard. De aan een onderneming van appellant gegeven aanwijzing betreft het volgen van de gedragslijn dat appellant het beleid van die onderneming niet meer kan bepalen of mede bepalen. De aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten dat zich volgens DNB ten aanzien van appellant heeft voorgedaan.

7 april 2014

Trustkantoren in antwoorden op kamervragen

door Ellen Timmer

De afgelopen tijd is de sector van de trustkantoren in antwoorden op kamervragen aan bod geweest:

  • Antwoord op vragen van de leden Van Ojik en Klaver (beiden GroenLinks) en Omtzigt (CDA), door de Tweede Kamer ontvangen op 12 maart 2014
  • Antwoord op vragen van de leden Van Ojik, Klaver (beiden GroenLinks) en Omtzigt (CDA), door de Tweede Kamer ontvangen op 18 maart 2014

In beide antwoorden wordt een uiteenzetting gegeven inzake de voor trustkantoren geldende integriteitsregelgeving.

7 april 2014

Bedrijfsleven financiert DNB maar heeft geen zeggenschap over de begroting van DNB

door Ellen Timmer

Prof. mr. Danny Busch maakt zich zorgen over het nieuwe systeem van financiering van DNB en AFM met ingang van 2015, zo blijkt uit dit bericht. Hij schrijft onder meer:

Het verdwijnen van financiële prikkels bij de overheid leidt er mogelijk toe dat er geen reden meer is voor de toezichthouders om kritisch te kijken naar de inzet van de middelen

De auteur constateert terecht dat het een vreemde zaak is dat invloed van degenen die de kosten moeten betalen op de bedrijfsvoering van de toezichthouders ontbreekt. Al eerder las ik berichten, waarin auteurs zich afvragen of de kosten van algemene voorlichting door DNB en AFM wel voor rekening van de vergunninghouders moeten komen.

Tags:
21 maart 2014

Nieuwe Wwft-meldplicht zonder relatie met witwassen/terrorismefinanciering

door Ellen Timmer

Door middel van de gewijzigde indicatoren introduceert de Nederlandse overheid een verplichting tot melding van transacties, zonder dat sprake hoeft te zijn van een vermoeden van witwassen of terrorismefinanciering. Zie hierover mijn artikel op mijn algemene weblog en het bericht op dit weblog inzake de nieuwe indicatoren voor trustkantoren.

De hiervoor genoemde gewijzigde indicatoren maken onderdeel uit van een consultatie die ik op dit weblog ook al heb aangekondigd. Aan die consultatie heb ik meegedaan; ik heb vragen gesteld over deze nieuwe meldplicht zonder relatie met witwassen of terrorismefinanciering.

Tags:
20 maart 2014

Hoe zat het ook al weer met domicilie. Over wettelijke verplichtingen van degene die bedrijfsmatig domicilie verleent

door Ellen Timmer

De overheid houdt het zorgvuldig geheim, maar domicilieverlening is tegenwoordig een zwaar gereguleerde bezigheid. In Nederland bestaan momenteel drie soorten domicilie:

[a] Domicilieverlening in de zin van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). In die wet wordt domicilieverlening gedefinieerd als:

het in opdracht van een niet tot dezelfde groep behorende rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, ter beschikking stellen van het adres of het postadres [*] aan een andere rechtspersoon of vennootschap, indien bepaalde bijkomende werkzaamheden [**] wordt verricht ten behoeve van die rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een, tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon

Belanghebbenden dienen er op te letten dat er zeer snel sprake is van bijkomende werkzaamheden, met name “het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of het verlenen van bijstand”. De toepasselijkheid van de Wtt heeft grote gevolgen: de ondernemer die deze domiciliediensten verleent dient bij De Nederlandsche Bank een vergunning aan te vragen en dient als vergunninghouder aan een groot aantal eisen te voldoen. Zie voor meer informatie de DNB-pagina over de Wtt.

[b] Domicilieverlening in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De definitie is hier: het beroeps- of bedrijfsmatig een adres of postadres ter beschikking stellen. Dit is ruimer dan de Wtt, waar naar adres en postadres op grond van de Handelsregisterwet [*] wordt verwezen. Zie voor meer informatie over de Wwft de site van FIU-Nederland. Overigens valt op dat domicilieverleners niet als Wwft-melder bij FIU-Nederland worden genoemd. De toezichthouder is het Bureau Toezicht Wwft van de belastingdienst. Zie voor informatie de site van de belastingdienst.

[c] Overige domicilieverlening, dat wil zeggen domicilieverlening die niet onder [a] of [b] valt en dus niet gereguleerd is.

Door de gebrekkige informatievoorziening vrees ik dat er de nodige domicilieverleners buiten de trust(kantoren)sector zijn die niet van hun wettelijke verplichtingen op de hoogte zijn. Zij komen er pas achter als een overheidstoezichthouder of opsporingsinstantie vanwege onderzoek naar strafbare feiten de domicilieverlener op het spoor komt.

[*] Adres of postadres bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel c, en 14, eerste lid, onderdeel c, van de Handelsregisterwet 2007.

[**] In de wet wordt het volgende genoemd:

i) het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of het verlenen van bijstand, met uitzondering van het verrichten van receptiewerkzaamheden;
ii) het verstrekken van belastingadvies of het verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden;
iii) het verrichten van werkzaamheden in verband met het opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening of het voeren van administraties;
iv) het werven van een bestuurder voor een rechtspersoon of vennootschap;
v) andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bijkomende werkzaamheden.

20 maart 2014

Voorstel tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wwft

door Ellen Timmer

Op 14 maart jl. is de consultatie inzake het Wijzigingsbesluit financiële markten 2015 gestart. Onderdeel daarvan is wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Dat besluit is ook voor trustkantoren relevant, onder meer omdat daarin de indicatoren voor melding van ongebruikelijke transacties in de zin van de Wwft zijn opgenomen. Voor trustkantoren [*] worden de indicatoren volgens het voorstel:

# Een transactie waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme.
#Een transactie van of ten behoeve van een (rechts)persoon die woonachtig of gevestigd is of zijn zetel heeft in een op grond van artikel 9 van de wet aangewezen staat.
#Een transactie voor een bedrag van € 15.000 of meer, betaald aan of door tussenkomst van de instelling in contanten, met cheques aan toonder, een vooraf betaald betaalinstrument (prepaid card) of soortgelijke betaalmiddelen.

Zie voor meer informatie over de wijzigingen van het Uitvoeringsbesluit dit bericht, waaraan ik ook een pdf bestand heb toegevoegd met de teksten over het Uitvoeringsbesluit.

[*] Als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 10, van de Wtt

Tags:
21 januari 2014

Bericht FIU-Nederland naar aanleiding van de relatiedag voor trustkantoren op 10 oktober 2013

door Ellen Timmer

Op 14 januari 2014 schreef FIU-Nederland op de site dat op 10 oktober 2013 samen met Holland Quaestor een relatiedag is georganiseerd voor de trustkantoren. De dag stond in het teken van de meldketen, het herkennen en melden van ongebruikelijke transacties in het kader van de Wwft en de rol van de trustkantoren in het bestrijden van witwassen en financiering van terrorisme. De volgende personen hebben een bijdrage geleverd:

Hennie Verbeek-Kusters (FIU-Nederland)
Robbert Springorum (FIU-Nederland)
Andre Nagelmaker (Holland Quaestor)
Saskia Dirkzwager (ministerie van financiën)
Arthur Sonneville (DNB)
Sonja Corstanje (FIU-Nederland)
Fokko Jan Hoevers (FIU-Nederland)
Ton Konings (FIOD)
Dop Kruimel (Officier van Justitie)

Naar aanleiding van die dag heeft FIU-Nederland een informatieblad uitgebracht, waarin een kort verslag van de dag wordt gedaan. Iedere spreker heeft in het informatieblad kort aangegeven wat de highlights van zijn/haar presentatie waren. Daarnaast worden vragen beantwoord.

In het informatieblad staat een link naar de presentaties, die het helaas niet doet. Ik heb dit via het contactformulier aan FIU-Nederland gemeld, wellicht dat dit nog wordt aangepast.

Aanvulling 22 januari 2014:  vandaag kon ik via een andere internetverbinding met de ipad wel bij de presentaties. Dus misschien ligt het aan onze firewall op kantoor dat ik er op kantoor niet bij kan.

9 januari 2014

Nieuwe Wwft-leidraad van DNB

door Ellen Timmer

DNB heeft deze maand een nieuwe versie van de eigen leidraad Wwft en Sanctiewet gepubliceerd, lees dit bericht of download de leidraad.
Voorafgaand aan het uitbrengen van de leidraad is een openbare consultatie gehouden, in dit document (pdf) worden de reacties weergegeven en hoe DNB er mee is omgegaan.

Helaas heeft DNB niet de moeite genomen om in detail aan te geven op welke punten de huidige leidraad is gewijzigd ten opzichte van de vorige. Een markup versie ten opzichte van de vorige leidraad en een goed overzicht zouden prettig zijn geweest. Niet alle gebruikers van de leidraad zullen de consultatie hebben gevolgd.

7 januari 2014

Weet wat je zegt, zeg alles wat je weet? Artikel door AFM-auteurs over de meldplicht betrouwbaarheid

door Ellen Timmer

Drie bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) werkzame auteurs hebben voor het jaarboek Compliance een artikel geschreven over de verplichtingen van financiële ondernemingen om relevante feiten en omstandigheden voor beoordeling van de betrouwbaarheid van hun beleidsbepalers te melden aan de toezichthouder. De inhoud van dit artikel is ook voor trustkantoren relevant.
Een introductie van het artikel is op de AFM-site te vinden.

20 december 2013

Bericht DNB over naleving van Wwft en Sanctiewet door door ondernemingen die onder toezicht van DNB staan

door Ellen Timmer

Op 19 december jl. heeft DNB op de site een bericht geplaatst over naleving van Wwft en Sanctiewet door ondernemingen die onder toezicht van DNB staan, onder meer trustkantoren. Opmerkelijk is dat het bericht betrekking heeft op een grotere groep ondernemingen die onder DNB-toezicht staan, maar dat de meeste voorbeelden betrekking hebben op banken.
Hierna volgt de tekst zoals nu op de site van DNB staat:

Q&A Beoordeling Ongoing Due Diligence Proces (WWFT en SW)

Vraag:

Hoe beoordeelt DNB het “ongoing due diligence” proces bij instellingen in het kader van de WWFT en RTSW?

Antwoord:

Ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) dient een instelling een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen. Verder dient een instelling ingevolge de Regeling Toezicht Sanctiewet 1977 (RTSW) ook administratieve organisatie en interne controle maatregelen te hebben om de sanctieregelgeving te kunnen naleven. Bij de beoordeling van dit ongoing due diligence proces bij instellingen in het kader van de WWFT en de RTSW kijkt DNB naar de volgende onderwerpen:

  • hoe worden de gegevens van cliënten actueel gehouden (periodieke review);
  • hoe worden de transacties gemonitord;
  • hoe worden ongebruikelijke transacties gedetecteerd; en
  • hoe vindt de screening tegen de sanctielijsten plaats.

Proces van periodieke review

Ingevolge artikel 3 leden 2(d) en 8 WWFT dient een instelling voortdurende controle op de zakelijke relatie uit te oefenen en ervoor te zorgen dat de gegevens van de cliënt, de uiteindelijke belanghebbende en andere personen waar gegevens over zijn verzameld, actueel gehouden worden. Daarnaast volgt uit artikel 14 lid 4 Besluit Prudentiele Regels (Bpr) dat de instelling over procedures en maatregelen beschikt met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, onder meer om afwijkende transactiepatronen te kunnen detecteren. Hieruit volgt eveneens dat cliënten en door de cliënt afgenomen producten of diensten gemonitord moeten worden.

De instelling actualiseert hiertoe op basis van risicogebaseerde en adequate maatregelen, periodiek de informatie over de cliënt en, indien nodig, het risicoprofiel van de cliënt. In het beleid en de procedures wordt bepaald op welk wijze en hoe vaak deze actualisering plaatsvindt. Er is daarbij een duidelijke cyclus per risicocategorie of klantensoort, bijvoorbeeld hoog risico minstens 1 keer per jaar, midden risico minstens 1 keer per 2 tot 5 jaar, en laag risico binnen 5 jaar of op basis van een goed omschreven ‘event driven review’. Er zijn ook controlemomenten en signalen benoemd wanneer de cliënt gereviewd zal worden.

Voorbeelden van elementen in een adequaat proces

  • De bank heeft het klantenbestand gekoppeld aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hierdoor kunnen bepaalde klantgegevens up-to-date gehouden worden en kunnen wijzigingen in klantgegevens, die aanleiding kunnen zijn voor een cliëntreview, sneller worden gesignaleerd.
  • Bij zoekopdrachten naar externe signalen over cliënten (‘bad press’) worden checks op de naam van de cliënt uitgevoerd in combinatie met andere zoektermen zoals bijvoorbeeld ‘fraude’ en ‘witwassen’.
  • Bij de periodieke review wordt gekeken naar het rekeningverloop van het afgelopen jaar.

Voorbeelden van tekortkomingen in het proces

  • Er is geen of nauwelijks aandacht voor laag risico cliënten, ook niet bij wijzigingen.
  • Uitkomsten uit de transactiemonitoring of externe signalen zijn geen aanleiding om de cliënt te reviewen.
  • Het onderzoek naar externe signalen schiet tekort waardoor reviews niet (tijdig) plaatsvinden.
  • De periodieke review van cliënten en het monitoren van transacties worden beschouwd als twee afzonderlijke processen in plaats van complementaire processen, waardoor bij de periodieke review niet naar het transactieverleden wordt gekeken.

Proces van transactiemonitoring

Ingevolge artikelen 2a, 3 lid 2(d), 9 lid 3 WWFT en artikel 14 lid 4 Bpr monitort de instelling de transacties van cliënten. De instelling heeft procedures en processen om de rekeningen, activiteiten en/of transacties van cliënten te monitoren om inzicht te krijgen en te houden in de aard en achtergrond van cliënten en hun financieel gedrag en om afwijkende transactiepatronen, zoals ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die naar hun aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme, te detecteren. Er is hiertoe een efficiënt systeem (handmatig of geautomatiseerd) om te controleren of alle opmerkelijke en mogelijke ongebruikelijke transacties worden gedetecteerd . Het systeem heeft een duidelijke uitgebreide lijst van business rules die op gedefinieerde momenten en bij wetswijzigingen worden herzien. Het van elke cliënt opgestelde risicoprofiel werkt door in de monitoring van de transacties en activiteiten van de cliënt.

Voorbeelden van elementen in een adequaat proces

  • De bank stelt een risicoprofiel op van een klant en per (soort) klantenrisicoprofiel wordt een transactieprofiel opgesteld.
  • De bank beschikt over goed doordachte gedifferentieerde scenario’s en business rules, waaronder op de (soort) cliënt afgestemde limieten.
  • De bank is een lerende organisatie die op basis van ervaringen van haarzelf en anderen (bijvoorbeeld creditcardmaatschappijen) de scenario’s en rules verfijnt.
  • De bank test periodiek de effectiviteit van het transactiemonitoringsproces en verricht trendanalyses. De uitkomsten van de trendanalyses worden verwerkt in scenario’s en rules.

Voorbeelden van tekortkomingen in het proces

  • De bank hanteert hoge transactielimieten voor de business rules, en de business rules richten zicht voornamelijk op contante transacties.
  • De bank neemt hoog risico landen, waaronder de landen op de waarschuwingslijst van de FATF, niet mee bij de transactiemonitoring.
  • Er is onvoldoende capaciteit om alerts te beoordelen en er is geen toegang tot oudere, reeds onderzochte of gesloten alerts.
  • Bij een decentrale monitoring wordt er niet zorg gedragen voor adequate kennis over de Nederlandse markt, hebben medewerkers geen toegang tot alle informatie, vindt geen check plaats op de kwaliteit van de monitoring, of wordt geen zorg gedragen voor een adequate training met betrekking tot transactiemonitoring.
  • Er is geen frequente, helder geagendeerde monitoring.

Proces van detecteren van ongebruikelijke transacties

Ingevolge art 2(a), 16 en 23 WWFT is de instelling verplicht ongebruikelijke transacties te melden aan de FIU-NL. De instelling heeft hiertoe een uitgebreide lijst van relevante indicatoren of red flags opgesteld en aan medewerkers ter beschikking gesteld teneinde ongebruikelijke transacties te kunnen detecteren. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die naar hun aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.

Voorbeeld van een element in een adequaat proces

  • De bank heeft beleid ontwikkeld omtrent het verwerken van ontvangen doormeldingen van FIU-NL in het klantenrisicoprofiel.

Voorbeeld van een tekortkoming in het proces

  • De enige indicatoren die aan medewerkers ter beschikking zijn gesteld, zijn verwijzingen naar de objectieve en subjectieve indicatoren die op grond van het Uitvoeringsbesluit WWFT zijn aangewezen.

Proces van sanctiescreening

Ingevolge artikel 2 van de RTSW dient de instelling maatregelen te hebben getroffen ter naleving van de sanctieregelgeving op het gebied van de administratieve organisatie en interne controle. De instelling heeft de sanctieregelgeving en het interne sanctiebeleid vertaald naar passende procedures en maatregelen (ook gericht op de jurisdicties waar de instelling opereert). Bij het screenen tegen de sanctielijsten worden alle namen en andere relevante gegevens van natuurlijke personen en rechtspersonen die in de klantendossier staan (inclusief uiteindelijk belanghebbende, gemachtigde, begunstigde, etc.) gecontroleerd tegen de EU en Nederlandse sanctielijsten. Het screenen van relaties gebeurt bij acceptatie, periodiek en/of bij wijziging klantenbestand en sanctielijsten.

Voorbeelden van elementen in een adequaat proces

  • De bank maakt voor de screening van haar relaties niet uitsluitend gebruik van de sanctielijsten maar gebruikt tevens eigen lijsten die zij aan de hand van voor haar relevante criteria heeft samengesteld, zoals bijvoorbeeld voor bepaalde regio’s, plaatsnamen, havensteden, scheepsnamen en relaties waarvan afscheid is genomen.
  • De bank heeft duidelijk beleid omtrent alle gesanctioneerde landen en medewerkers zijn op de hoogte van ontwikkelingen in de sanctieregelgeving.

Voorbeelden van tekortkomingen in het proces

  • Personen en entiteiten die op de suppressie lijsten staan, worden niet periodiek of bij wijzigingen in de (EU of Nederlandse) sanctielijsten gescreend.
  • Er worden geen actuele sanctielijsten gebruikt.