Archive for ‘Vaktechniek’

19 februari 2013

DNB doet in 2013 onderzoek naar doorstroomvennootschappen

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB over onderzoek naar doorstroomvennootschappen.

Datum 15 februari 2013

Begin 2013 is DNB een themaonderzoek gestart naar doorstroomvennootschappen bij trustkantoren. De cliënten van doorstroomvennootschappen, ook wel ‘inhouse’-vennootschappen genoemd, vallen namelijk sinds 1 juli 2012 onder de Wtt.

Start themaonderzoek doorstroomvennootschappen

Sinds 1 juli 2012 vallen de doorstroomvennootschappen binnen de reikwijdte van de Wtt en daarmee binnen het toezicht van DNB, omdat aan de cliënten van deze doorstroomvennootschappen en de transacties die daarmee gepaard gaan integriteitsrisico’s zijn verbonden. Deze risico’s zijn voor DNB voldoende aanleiding om begin 2013 het themaonderzoek ‘Doorstroomvennootschappen bij trustkantoren’ te starten.

In dit onderzoek kijkt DNB naar de dienstverlening aan cliënten via doorstroomvennootschappen en in het bijzonder naar consultancydiensten, waar DNB in 2012 uitvoerig onderzoek naar heeft gedaan, leningen en royalties. Binnen één doorstroomvennootschap worden vaak verschillende cliënten bedient en zijn er dus meerdere geldstromen. Dit bemoeilijkt de monitoring van de geldstromen alsook het inzicht in de onderbouwing van de transacties, wat doorstroomvennootschappen tot een risicovolle trustdienst maakt.    Van de trustkantoren wordt verwacht dat ze de clientacceptatiedossiers voor de cliënten in de doorstroomvennootschapen op gelijke wijze inrichten als voor bestaande Wtt-klanten. DNB zal bij onvoldoende naleving van de normen bij doorstroomvennootschappen direct handhavend kunnen optreden.

Doorstroomvennootschap

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd waardoor als trustdienst wordt aangemerkt het ten behoeve van een cliënt gebruikmaken van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor.    De wettelijke verplichtingen zien niet alleen op bestaande trustkantoren. Ook andere  partijen, onder meer belastingadviseurs en juridisch adviesbureaus, die voor hun cliënten gebruik maken van deze zogenoemde inhouse- of doorstroomvennootschappen zijn verplicht een trustvergunning aan te vragen. Een voorbeeld van een doorstroomvennootschap bij een niet-trustkantoor is de belastingadviseur die zijn cliënt een royaltystructuur adviseert en tevens aanbiedt dat de cliënt voor deze structuur gebruik kan maken van een vennootschap van de belastingadviseur.

Eisen aan de bedrijfsvoering

De wettelijke eisen die gelden voor de dienstverlening aan cliënten door middel van een eigen doorstroomvennootschap zijn vergelijkbaar met de Wtt-normen zoals die gelden voor doelvennootschappen van trustkantoren. Zo bepaalt de wet dat het trustkantoor moet voldoen aan de ‘ken-uw-klant’ eisen  en de verdere vereisten voor cliëntacceptatie; zoals kennis van het doel van de  dienstverlening aan de cliënt en de herkomst en bestemming van de middelen. Tot slot zal het trustkantoor ook een individuele risicoanalyse moeten maken van de cliënt.

Aandacht voor Meldingen Ongebruikelijke Transacties

DNB besteedt in 2013 extra aandacht aan het wijzen van trustkantoren op de verplichting om Meldingen Ongebruikelijke Transacties (MOT) te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU). Ook voor ongebruikelijke transacties van cliënten in doorstroomvennootschappen geldt dat trustkantoren deze moeten melden aan FIU-Nederland. DNB verwijst voor extra informatie, uitleg over de meldindicatoren en FAQ over MOT-meldingen naar de website van FIU-Nederland.

19 februari 2013

Wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013 in werking getreden

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB over de wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013.

Datum 5 februari 2013

Op 1 januari 2013 is een wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) in werking getreden die strekt tot aanvulling en verbetering van de wet. DNB vindt het belangrijk dat instellingen bijdragen aan een schone sector en zich niet inlaten met financieel economische criminaliteit. De aanpassingen van de WWFT verduidelijken onder andere het cliëntenonderzoek, waardoor doelgerichter toezicht kan plaatsvinden.

Aanpassingen cliëntenonderzoek

De meeste wijzigingen betreffen een verduidelijking van de bepalingen over het cliëntenonderzoek. De WWFT bepaalt nu duidelijker dat de instelling de uiteindelijk belanghebbende altijd geïdentificeerd moet hebben, maar dat de verificatie risicogebaseerd kan plaatsvinden. Tevens bepaalt de wet dat de instelling de verzamelde informatie over de cliënt actueel moet houden. Ook zijn nu expliciete bepalingen opgenomen voor het identificeren en verifiëren van de vertegenwoordiger, de personenvennootschap en de trust. Een groot deel van de aangescherpte bepalingen waren al in de DNB Leidraad WWFT/SW opgenomen en zijn daarom al gangbare praktijk voor de banken en de levensverzekeraars. Met andere woorden, de wet is explicieter geworden.

Vereisten voor PEP’s

Een nieuw vereiste is dat de instelling niet alleen van de cliënt, maar nu ook van de uiteindelijk belanghebbende moet controleren of deze een politiek prominent persoon (politically-exposed person, PEP) is. Ook nieuw is het vereiste dat PEP’s die in Nederland wonen maar een niet-Nederlandse nationaliteit hebben, onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Voor levensverzekeraar is er echter een uitzondering gemaakt voor deze extra maatregelen voor buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen.    Door de nieuwe maatregelen die voor PEP’s zijn gaan gelden, dienen instellingen over het algemeen hun systemen aan te passen. DNB heeft daarom besloten tot 1 april 2013 een zekere coulance te betrachten bij het handhaven van die gewijzigde bepalingen die een materiele aanpassing van de systemen vereisen.

Monitoring en melden ongebruikelijke transacties

De WWFT stelt nu ook expliciet dat instellingen aandacht moeten besteden aan ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die naar hun aard een hoger risico inhouden. Ook moeten instellingen maatregelen te treffen ter voorkoming van risico’s die samenhangen met het gebruik van nieuwe technologieën. Een verdere wijziging betreft de bepaling dat de meldtermijn voor ongebruikelijke transacties weer onverwijld is geworden. Dit was overigens al zo onder de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties die in 2008 is ingetrokken bij de inwerkingtreding van de WWFT.

WWFT thema-onderzoeken

DNB start in 2013 weer diverse thema-onderzoeken waarbij DNB onder meer zal kijken naar de naleving van de WWFT. Instellingen die in deze thema-onderzoeken betrokken worden, zijn bijkantoren van in Nederland gevestigde buitenlandse banken waarbij aandacht zal worden besteed aan controles van het betalingsverkeer en correspondentrelaties, en banken en levensverzekeraars waarbij de voortdurende controle van klanten en monitoring van activiteiten aan de orde zal komen.

Tags: , ,
7 februari 2013

Presentatie “De consequenties voor de trustbranche van de flex-bv en wet bestuur & toezicht” 24 januari 2013

door Ellen Timmer

Degenen die belangstelling hebben voor mijn powerpoint presentatie van 24 januari jl. “De consequenties voor de trustbranche van de flex-bv en wet bestuur & toezicht” (zie het bericht over de bijeenkomst) kunnen deze via onderstaande links downloaden:

Tags:
7 februari 2013

Europese Commissie kondigt nieuwe antiwitwasverordening aan, “Bestrijding van witwassen van geld: nieuwe uitdagingen vergen strengere regels”

door Ellen Timmer

Onderstaand het persbericht van de Europese Commissie van 5 februari 2013:

Bestrijding van witwassen van geld: nieuwe uitdagingen vergen strengere regels

De Commissie heeft vandaag twee voorstellen goedgekeurd om de bestaande Europese regels in de strijd tegen witwassen van geld en geldovermakingen te verstrengen. Witwaspraktijken en terrorismefinanciering vormen bedreigingen die voortdurend van gedaante veranderen en de regels daarvoor moeten dan ook regelmatig aangepast worden.

Michel Barnier, commissaris voor Interne Markt en Diensten, hierover: “De Unie staat internationaal in de frontlijn bij het bestrijden van witwassen van misdaadgeld. Dergelijke geldstromen kunnen de stabiliteit en de reputatie van de financiële sector beschadigen terwijl terrorisme de grondvesten van onze samenleving aantast. Naast de strafrechtelijke benadering is het ook mogelijk witwaspraktijken een halt toe te roepen met een preventieve aanpak via het financiële stelsel. Wij willen duidelijke regels voorstellen om banken, juristen en accountants en alle beroepscategorieën die hierbij betrokken zijn, tot meer waakzaamheid aan te zetten.”

Cecilia Malmström, commissaris voor Binnenlandse Zaken, zegt: “Misdaadgeld mag in onze economie geen plaats krijgen, of het nu afkomstig is van drugs, illegale wapenhandel of mensenhandel. Wij moeten ervoor zorgen dat de georganiseerde misdaad niet de kans krijgt zijn geld wit te wassen in het bankenstelsel of in de goksector. Om vooral in tijden van crisis de legale economie te beschermen, mogen er in de wet geen mazen zijn waarlangs criminele of terroristische organisaties kunnen wegglippen. Onze banken mogen nooit dienen als witwasmachines voor maffiageld of om de financiering van terrorisme mogelijk te maken.”

Het vandaag goedgekeurde pakket van maatregelen is een aanvulling op andere acties die de Commissie heeft ondernomen of gepland in de strijd tegen misdaad, corruptie en belastingontduiking. Het pakket omvat:

• een richtlijn tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

• een verordening inzake informatie die bij geldovermakingen moet worden gevoegd om een vlotte traceerbaarheid van deze geldovermakingen te verzekeren.

Deze twee voorstellen zijn volledig in overeenstemming met de jongste aanbevelingen [1] van de financiële actiegroep (Financial Action Task Force – FATF) (zie MEMO/12/246), de mondiale autoriteit in de strijd tegen witwassen van geld en terrorismefinanciering, en zorgen ervoor dat op een aantal gebieden nieuwe ruimte komt voor toepassing van de best mogelijke regels om witwaspraktijken en financiering van terrorisme tegen te gaan.

De twee voorstellen gaan in het bijzonder uit van een beter afgestemde en meer gerichte risicobenadering.

De nieuwe richtlijn bevat volgende elementen:

• zij zorgt voor duidelijker en meer samenhangende regels in de lidstaten

• door de invoering van een duidelijk mechanisme om de uiteindelijke begunstigden te identificeren. Daarnaast zullen ondernemingen verplicht worden informatie bij te houden over de identiteit van de personen die in werkelijkheid achter de vennootschap staan.

• door meer duidelijkheid en transparantie te brengen in de regels betreffende cliëntenonderzoek, zodat er passende controles en procedures worden ingevoerd waardoor ondernemingen de cliënten met wie zij zaken doen, beter kennen en beter begrijpen om welk soort activiteiten het gaat. Hierbij moet wel duidelijk worden gemaakt dat vereenvoudigde procedures niet verkeerd mogen worden begrepen alsof zij daarmee volledig vrijgesteld zouden zijn van maatregelen op het gebied van cliëntenonderzoek.

• en door ruimer gebruik van de bepalingen inzake politiek prominente personen (namelijk personen die wegens de politieke functie die zij bekleden, sterker blootgesteld zijn aan het risico voor corruptie), zodat de regeling nu ook betrekking heeft op “binnenlandse” (in EU-lidstaten wonende) (naast “buitenlandse”) politiek prominente personen en op deze personen in internationale organisaties. Het gaat onder meer om staats- of regeringsleiders, parlementsleden en rechters van de hoogste rechtscolleges.

• de richtlijn krijgt een breder toepassingsgebied om nieuwe dreigingen en zwakke punten te kunnen aanpakken

• door bijvoorbeeld de toepassing te verruimen tot de goksector (terwijl de vroegere richtlijn alleen gold voor casino’s) en door een uitdrukkelijke vermelding van fiscale misdrijven.

• voor de strijd tegen witwassen van geld gelden de strengste regels

• omdat de voorschriften verder gaan dan die van de FATF en binnen het toepassingsgebied nu alle personen vallen die goederen leveren of diensten verstrekken voor een contante betaling van 7 500 EUR of meer. Volgens een aantal belanghebbenden was de huidige drempel van 15 000 EUR immers niet toereikend. Deze personen vallen nu onder de richtlijn en het zal dus nodig zijn voor hen cliëntenonderzoek te verrichten, bewijsstukken te bewaren, interne controles uit te voeren en verslagen over verdachte transacties op te stellen. Hierbij zij vermeld dat de richtlijn voor minimale harmonisering zorgt en lidstaten maatregelen kunnen nemen die verder gaan dan deze drempel.

• de richtlijn versterkt de samenwerking tussen de verschillende financiële inlichtingeneenheden, die tot taak hebben de verslagen over verdachte transacties op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die zij ontvangen, te analyseren en te verspreiden onder de bevoegde autoriteiten.

De twee voorstellen voorzien in een versterking van de sanctiebevoegdheden van de autoriteiten die met deze taken belast zijn, door de invoering van een reeks minimale principes bijvoorbeeld om strengere bestuursrechtelijke sancties op te leggen, en door hen te verplichten tot coördinatie in geval van grensoverschrijdend optreden.

Achtergrond:

Naast de publicatie van een herziene reeks internationale normen in februari 2012 (IP/12/357) is de Commissie met de invoering van de noodzakelijke veranderingen snel overgegaan tot een update van het Europese regelgevingskader. Gelijklopend daarmee is de Commissie gestart met de herziening van de derde antiwitwasrichtlijn en daarbij is gebleken dat het bestaande regelgevingskader moest worden geactualiseerd om alle vastgestelde tekortkomingen te verhelpen.

De voorgestelde actualisering van de wetgeving moet nog volgens de normale wetgevingsprocedure worden goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van ministers.

Voor nadere informatie:

http://ec.europa.eu/internal_market/company/financial-crime/index_en.htm.

[1] http://www.fatf-gafi.org/

De Europese Commissie verwijst naar een pagina waar de voorstellen en een toelichting zijn te vinden:

05.02.2013

The Commission adopts two proposals to update and improve the EU’s existing legal framework designed to protect the financial system against money laundering and terrorist financing.

20 december 2012

Trustkantoren onderschatten risico’s bij consultancydiensten

door Ellen Timmer

Onder de titel “Trustkantoren onderschatten risico’s bij consultancydiensten” heeft DNB op 3 december 2012 een bericht verspreid over de cliëntendossiers van trustkantoren. Het bericht luidt:

Nieuwsbericht
Datum 3 december 2012

Trustkantoren moeten extra aandacht besteden aan het cliëntendossier van de consultancydoelvennootschappen.

In 2012 heeft DNB thematisch onderzoek gedaan naar zogenoemde consultancydoelvennootschappen. De toezichthouder heeft juist voor deze doelvennootschappen gekozen omdat bij consultancy de waarde van de geleverde prestatie doorgaans moeilijk is in te schatten en daarmee gevoelig is voor witwassen. Verder is er vaak sprake van internationale structuren waarbij middels re-invoicing de geldstroom bewust wordt verlegd naar andere jurisdicties. 
 
Resultaten van het themaonderzoek
Voor dit onderzoek heeft DNB in 2012 negen trustkantoren bezocht. Daaruit komt naar voren dat bij zes van de negen trustkantoren de bedrijfsvoering tekort schiet ten aanzien van de dienstverlening aan consultancydoelvennootschappen. De geconstateerde tekortkomingen zijn met name: onvoldoende kennis omtrent het doel van de structuur, een ontoereikende analyse van de integriteitrisico’s en een gebrekkige monitoring van de herkomst en bestemming van middelen. Naar aanleiding hiervan heeft DNB bij de betreffende trustkantoren passende handhavingsmaatregelen getroffen.  
 
Groeiend risico
Uit de instelling specifieke informatie (ISI) rapportage blijkt het aantal consultancydoelvennootschappen bij trustkantoren te groeien van 153 in 2011 naar 247 in 2012. Gezien deze toename vormen consultancydiensten een groeiend risico binnen de trustsector.   
  
Aanbeveling DNB
Op basis van de onderzoeksresultaten benadrukt DNB dat trustkantoren extra aandacht moeten besteden aan het cliëntendossier van deze consultancydoelvennootschappen en extra kritisch moeten zijn bij de clientacceptatie van toekomstige clienten’. Dit geldt overigens ook voor consultancycliënten die het trustkantoor bedient via een doorstroomvennootschap, ook wel inhouse vennootschap genoemd.

FATF-rapport over consultancydiensten
Ook in het FATF rapport van oktober 2010 ‘Money Laundering using Trust and Company Service Providers’ wordt misbruik van fictieve consultancy entiteiten genoemd om gelden weg te sluizen dan wel illegaal verkregen gelden wit te wassen.  In hetzelfde rapport worden betalingen van consultancy fees aangeduid als ‘Money Laundering Indicators’. (Pagina 48 van het rapport)
Wat zijn consultancydoelvennootschappen?
Dit zijn: Doelvennootschappen waar sprake is van betalingen voor verleende diensten in het kader van een specifieke kennis of vaardigheid van de doelvennootschap, hetzij aan natuurlijke personen, hetzij aan een entiteit, waarbij door de doelvennootschap veelal gebruik gemaakt wordt van de diensten van een specialist die de diensten namens de doelvennootschap uitvoert, gezien de specifieke kennis of vaardigheden die benodigd zijn om de betreffende dienst uit te voeren.

Reactie van de pers

Boeiend is de wijze waarop de pers op dit soort berichten reageert. Het is meestal grote stappen, snel thuis, vooral als het over de koppen boven de berichten gaat.

Neem bijvoorbeeld BNR, die het artikel voorziet van de kop “Witwassen is koud kunstje in Nederland”. ElsevierFiscaal citeert een artikel uit het FD dat als kop heeft “Mogelijke witwaspraktijken trustkantoren”. Deze suggestieve koppen staan boven artikelen die verder grotendeels navertellen wat er in het bericht van DNB staat. Dit type berichtgeving blijf ik merkwaardig vinden, aangezien de activiteiten van trustkantoren niet verschillen van de activiteiten van andere ondernemers door middel van rechtspersonen. Wat de trustkantoren doen met de door hen beheerde rechtspersonen (“doelvennootschappen”) zou veiliger en veel minder riskant moeten zijn, dan wat in de rest van het bedrijfsleven gebeurt, vanwege de verplichtingen die de financiële toezichtwetgeving aan trustkantoren oplegt en vanwege het toezicht door DNB. Dat soort boodschappen dringen echter niet bij de journalisten en beleidsmakers door.

4 december 2012

Nieuwsbrief DNB met als thema’s toetsingsgesprekken kandidaat-bestuurders, consultancydiensten, groei sector, procedurehandboek

door Ellen Timmer

DNB heeft vandaag een nieuwsbrief verspreid. Onderwerpen van het decembernummer:

2 november 2012

Overheid mag niet op “fishing expedition” gaan om aan informatie over bestuursrechteljke overtredingen te komen

door Ellen Timmer

Bestuursorganen hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht ruime mogelijkheden om informatie in te winnen over mogelijke overtredingen van bestuursrechtelijke verplichtingen. Dit biedt de mogelijkheid om ook bij ‘derden’, personen of instellingen die zelf niet bij een overtreding betrokken zijn, informatie in te winnen. Onlangs kwam in een zaak tegen de Nederlandse staat aan de orde of de Staat op ‘fishing expedition’ mag gaan om aan informatie te komen. De rechter was van oordeel dat aan de Staat geen onbeperkte inlichtingenbevoegdheden toekomen en overweegt (eiseres is de partij, een onderzoeksbureau, bij informatie werd opgevraagd; onderstreping door mij):

De wettelijke verplichting van eiseres om – als derde – haar medewerking te verlenen aan de Staat bij de uitoefening van diens bevoegdheden vindt zijn begrenzing in het hiervoor genoemde evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de Staat met deze beginselen in strijd handelt door thans van eiseres een lijst te verlangen van haar opdrachtgevers binnen de sector waarop het onderzoek van de Staat is gericht. Vaststaat immers dat nog niet bekend is of en zo ja tegen welke van deze ondernemingen een vermoeden van overtreding van het kartelverbod bestaat. Artikel 5:20 Awb biedt naar voorlopig oordeel de Staat niet de mogelijkheid bij derden willekeurig gegevens op te vragen op basis waarvan dan vervolgens beoordeeld kan worden of er toezichthoudende bevoegdheden zullen worden ingezet. Medewerking kan door de Staat van een derde worden verlangd bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het ligt derhalve niet op de weg van eiseres om de Staat van een lijst met namen van haar opdrachtgevers te voorzien, aan de hand van welke lijst de Staat dan vervolgens kan gaan bekijken welke van deze ondernemingen hij verder bij het onderzoek kan betrekken. Dat het voor de Staat bezwaarlijk is om de bedoelde informatie bij de betrokken ondernemingen op te vragen omdat deze ondernemingen nog niet weten dat zij onderwerp zijn van het onderzoek maakt dat niet anders. Dat is immers een omstandigheid die voor rekening en risico komt van de Staat. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid dat informatie bij de hiervoor bedoelde ondernemingen zal verdwijnen voordat de Staat daar beschikking over heeft weten te krijgen.

De uitspraak illustreert dat de overheid wel ruime bevoegdheden heeft, maar dat deze bevoegdheden zorgvuldig dienen te worden ingezet.

NB Dit artikel verscheen eerder op mijn algemene weblog.

2 november 2012

Aanpassing DNB-internetpagina’s over trustkantoren

door Ellen Timmer

Blijkens een bericht van DNB zijn een aantal internetpagina’s over trustkantoren op de website van DNB aangepast. Hierna volgt het overzicht dat DNB geeft, met de links naar de gewijzigde pagina’s.

  • Trustkantoren – overzicht markttoegang – nieuw
  • Introductie Trustkantoren – gewijzigd
  • Wat is een Trustkantoor – gewijzigd
  • Wat is een trustdienst? – nieuw
  • Doorstroomvennootschap of inhouse-vennootschap – Wtt – nieuw
  • Termijn voor behandeling vergunningaanvraag trustkantoor – gewijzid
  • Vereisten voor een vergunning van een trustkantoor – gewijzigd
  • Begrip bemiddelen Wet Toezicht Trustkantoren – gewijzigd
  • Groepsbegrip onder de Wet Toezicht Trustkantoren – gewijzigd
  • Indienen stukken vergunning trustkantoor – gewijzigd
  • Vragen over de aanvraag van een vergunning voor trustkantoren – gewijzigd
  • Kosten aanvraag vergunning trustkantoor – gewijzigd 
  • Register trustkantoren – gewijzigd
11 oktober 2012

Antwoord op kamervragen met informatie over de regelgeving voor trustkantoren

door Ellen Timmer

Onderstaand de antwoorden op kamervragen inzake een trustkantoor, waarbij ook de regelgeving inzake trustkantoren aan de orde komt.

Vragen van het lid Braakhuis (GroenLinks) aan de staatssecretaris en de minister van Financiën over de betrokkenheid van een Nederlands trustkantoor bij illegale houtkap (ingezonden 1 juni 2012).

Antwoord van minister De Jager (Financiën), mede namens de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (ontvangen 5 oktober 2012)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2867

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het artikel «Greenpeace zet trustkantoor onder druk vanwege illegale houtkap in Indonesië»1 en de notitie «Onregelmatigheden bij de Nederlandse holdingmaatschappijen van APP die worden beheerd door trustkantoor ANT» van Profundo voor De Nederlandsche Bank (DNB)?

Wat vindt u ervan dat een Nederlands trustkantoor betrokken is bij illegale houtkap?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9

Vindt u dat DNB voldoende heeft opgetreden in deze? Vindt u dat DNB voldoende zicht heeft op de UBO’s (Ultimate Benficial Owner) van Paper Excellence en Bentoning Holding?

Is het toezicht van DNB in deze in overeenstemming met artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren, waarin trustkantoren worden verplicht «de identiteit (te kennen) van de uiteindelijk belanghebbende of over informatie (te beschikken) waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is»?

Kunt u aangeven of het feit dat de holdings in Nederland zijn gevestigd ook betekent dat zij onder de Nederlandse regelgeving vallen en dat betrokkenheid bij illegale houtkap dus onwettig is? Bent u van mening dat genoemd artikel waarin is bepaald dat trustkantoren kennis moeten hebben «van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap» (artikel 10, eerste lid, onderdeel b) en «van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort» (artikel 10, eerste lid, onderdeel c) van toepassing is?

Deelt u de mening dat door het loskoppelen van eigendom en financiering de holdingmaatschappij zich ten onrechte onttrekt aan de in het Burgerlijk Wetboek vastgelegde verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te maken, die de buitenwereld meer inzicht zou bieden in de gezamenlijke inkomsten, uitgaven, bezittingen en schulden van de dochterbedrijven van de holdingmaatschappij? Vindt u ook dat het Burgerlijk Wetboek (Boek 2, artikel 396, eerste lid) aangepast zou moeten worden om deze onwenselijke situatie te voorkomen?

Deelt u de mening dat een tweede gevolg van het loskoppelen van het eigendom (in handen van de holdingmaatschappij) en het leeuwendeel van de financiering van de acht pulp- en papierfabrieken (door Bentoning Holding en haar dochters) is, dat er hier sprake lijkt te zijn van misbruik van de belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met Canada, Maleisië en Indonesië, waarin is opgenomen dat dividendbetalingen zwaarder belast worden dan interestbetalingen?

Kunt u aangeven of de «vriendelijke» lening van US$ 17,5 miljoen, die de holdingmaatschappij leende van de Chinese Ningbo Bank International tegen een rente van slechts 0,01%, in overeenstemming is met de Nederlandse financiële toezichtsregels?

Bent u van mening dat de betrokken in Nederland gevestigde financiële holdings in deze voldoen aan de substance-eisen die voor hen gelden?

Mede in het licht van het op mijn verzoek lopende substance-onderzoek, bent u bereid om naar aanleiding van deze vragen actie te ondernemen? Zo ja, welke?

Antwoord 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9

Door wettelijke geheimhoudingsverplichtingen voor de Belastingdienst en De Nederlandsche Bank (DNB) kan ik op de bijzonderheden van dit individuele geval niet zonder meer ingaan. Ik verwijs in dit verband naar de brief die ik uw Kamer mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 16 mei 2012 stuurde (Kamerstukken II 2011/12; 33 003, nr. 83). Evenwel zal ik hierna de verscheidene aspecten van deze zaak, zoals in de vragen aan de orde gesteld, in algemene zin inhoudelijk behandelen.

Sinds de invoering van de Wet toezicht trustkantoren in 2004 heeft overleg tussen wetgever en toezichthouder geleid tot voortdurende aanscherping van de regulering van trustkantoren. In dit overleg wordt mede acht geslagen op het maatschappelijk debat over trustkantoren.

DNB houdt toezicht op de naleving van de Wet toezicht trustkantoren. Artikel 10 van die wet is uitgewerkt in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren van DNB. Daarin is aangegeven op welke manier een trustkantoor een integere bedrijfsvoering moet waarborgen. DNB houdt dus toezicht op de bedrijfsvoering van het trustkantoor, niet op de uiteindelijk belanghebbenden van cliënten of doelvennootschappen van het trustkantoor (vraag 3). Bij de beoordeling van de bedrijfsvoering van het trustkantoor controleert DNB of deze zodanig is ingericht dat een trustkantoor, onder meer, kennis heeft van de uiteindelijk belanghebbende en de herkomst van het vermogen van de doelvennootschap, alsmede van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort en het doel waarmee die structuur is opgezet. Verder moet een trustkantoor beschikken over gegevens die ten grondslag liggen aan de herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap en beoordelen of hieraan integriteitsrisico’s zijn verbonden. Daarnaast dient het trustkantoor te weten met welk doel gebruik wordt gemaakt van zijn dienstverlening. DNB ziet hier zowel in haar lopend toezicht als middels themaonderzoeken op toe: zo concentreerde DNB zich in 2011 met een themaonderzoek op trustkantoren die diensten verlenen aan operationele doelvennootschappen. Dit is toegelicht in de ZBO-verantwoording van DNB over het jaar 2011, beschikbaar via: www.dnb.nl/binaries/ZBO-verantwoording%202011_tcm46–270513.pdf (vragen 4 en 5).

In Nederland gevestigde ondernemingen vallen civielrechtelijk onder de Nederlandse wet- en regelgeving voor zover zij naar Nederlands recht zijn opgericht (vraag 5). Voorts is de Nederlandse strafwet van toepassing op een ieder – ongeacht de vraag of een bedrijf in Nederland is gevestigd – die zich in Nederland schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit. Het kan tevens gaan om strafbare feiten die voor een deel in Nederland worden gepleegd, en voor een deel in het buitenland. Te denken valt aan de via de Wet op de economische delicten gesanctioneerde invoer zonder (juiste) vergunning van bepaalde door bijvoorbeeld het CITES-verdrag beschermde boomsoorten. Daarnaast kan er in verband daarmee onder omstandigheden sprake zijn van witwassen of heling.

Verder is het Nederlandse strafrecht van toepassing op Nederlanders en op Nederlandse bedrijven die zich in het buitenland schuldig maken aan het plegen van strafbare feiten. Daartoe is meestal wel vereist dat de gedragingen waaraan zij zich schuldig maken in het betreffende buitenland eveneens strafbaar zijn. De bewijsvoering in dit soort zaken is overigens complex gezien het internationale karakter ervan.

Over de toepasselijkheid van jaarrekeningvoorschriften op grond van het Burgerlijk Wetboek (vraag 6) kan ik het volgende opmerken. Ten algemene zullen holdings doorgaans zowel een enkelvoudige jaarrekening van de holdingmaatschappij zelf moeten opstellen, als een geconsolideerde jaarrekening waarbij ook de financiële informatie van alle dochters is meegenomen. Holdings kunnen net als alle andere rechtspersonen die een jaarrekening moeten opstellen, vrijstellingen hebben van jaarrekeningvoorschriften: kleine rechtspersonen hoeven slechts een beperkte balans en toelichting te publiceren (artikel 2:396 Burgerlijk Wetboek (BW)) en ook middelgrote rechtspersonen kennen enkele vrijstellingen (artikel 2:397 BW). Een rechtspersoon moet de vraag of hij klein of middelgroot is, beoordelen op geconsolideerde grondslag. Dat betekent dat bij de waarde van de criteria aan de hand waarvan de omvang van de rechtspersoon bepaald wordt – activa, netto-omzet en aantal werknemers – ook de waarden moeten worden meegeteld van de groepsmaatschappijen die in de consolidatie zouden moeten worden betrokken, als de rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening zou moeten opmaken. Een holding die op geconsolideerde basis groot is, zal dus een volledige enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen en publiceren, ook al is de holding zelf klein. Alleen als de holding op geconsolideerd niveau klein is, hoeft zij geen geconsolideerde jaarrekening op te stellen, maar alleen haar eigen enkelvoudige jaarrekening. Als een onderneming op twee opeenvolgende jaren voldoet aan de criteria van een middelgrote of grote rechtspersonen, mag zij de vrijstellingen voor kleine respectievelijk middelgrote rechtspersonen niet meer toepassen.

Aldus is er voldoende transparantie ten aanzien van vermogen en resultaat van de holding en haar dochters. Ik zie dan ook geen reden voor aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, te meer omdat het Burgerlijk Wetboek in lijn is met de vierde en zevende vennootschapsrichtlijn van de EU (richtlijnen 78/660/EEG, Pb 1978 L 222/11 en 83/349/EEG, Pb 1983 L 193/1).

Vraag 7 over vermeend misbruik van belastingverdragen lijkt voort te komen uit de Profundo-notitie waaruit is op te maken dat de onderzoekers vermoeden dat het uiteindelijke belang in twee in Nederland gevestigde vennootschappen in handen is van één familie. Van deze twee vennootschappen zou de ene de aandelen bezitten in een aantal buitenlandse vennootschappen terwijl de andere vennootschap vorderingen op diezelfde buitenlandse vennootschappen heeft.

Daargelaten dat ik niet kan ingaan op de posities van een individuele belastingplichtige, vind ik het onjuist te reageren op vermoedens.

Wel kan ik in het algemeen aangeven dat belastingplichtigen het recht hebben zelf te kiezen voor financiering met vreemd vermogen of met eigen vermogen. Het staat de betrokken belastingplichtigen dus ook vrij via één concernvennootschap eigen vermogen en via een andere vreemd vermogen te verstrekken. Betrokken overheden verbinden met hun nationale regelgeving en met verdragen fiscale gevolgen aan die keuze en kunnen daarmee aangeven welke financieringsvormen zij ongewenst vinden. Toepassing van het desbetreffende verdrag en het nationale recht in beide betrokken staten kan er toe leiden dat de belastingdruk op dividenden zwaarder is dan op interest.

Een «vriendelijke lening» zoals bedoeld in vraag 8 zou onder Nederlandse financiële toezichtsregels worden beoordeeld in het licht van prudentiële en integriteitsregels inzake ondermeer leningen aan gerelateerde partijen en het tegengaan van belangenverstrengeling. De Nederlandse financiële toezichtsregels zijn echter in beginsel niet van toepassing op instellingen buiten Nederland. Verder is er geen financieel toezichtsregel die zich ertegen verzet dat ondernemingen in Nederland geld lenen tegen een laag rentetarief. Overigens blijkt uit de beschikbare informatie niet dat de bedoelde Chinese bank op de Nederlandse markt actief is geweest in strijd met regels inzake markttoegang in de Wet op het financieel toezicht. Zodoende zijn er geen aanwijzingen dat de bedoelde lening in strijd zou zijn met de Nederlandse financiële toezichtsregels.

Tenslotte heb ik bij brief van 25 juni 2012 (Kamerstukken II 2011/12; 25 087 nr. 32) uitvoering gegeven aan de motie van de leden Braakhuis en Groot (Kamerstukken II 2011/12; 33 003, nr. 62) om de Nederlandse substance-eisen (vragen 9 en 10) tegen het licht te houden. In die brief ben ik uitgebreid ingegaan op de plaats en functie van substance-eisen in de verdragen en ons nationale recht.

10 oktober 2012

‘Bemiddelen’ in de Wtt, toelichting DNB

door Ellen Timmer

Inmiddels is er een korte toelichting op het begrip ‘bemiddelen’ verschenen op de website van DNB. Deze toelichting, geplaatst op http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-226567.jsp, luidt op dit moment:

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd zodat als trustdienst wordt aangemerkt, naast de verkoop van rechtspersonen tevens het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen.

Artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 3°, Wtt bepaalt dat als trustdienst wordt aangemerkt, naast de verkoop van rechtspersonen, het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen. Omdat dergelijke dienstverlening naar haar aard risico’s met zich brengt, en trustkantoren dergelijke diensten betrekkelijk vaak verlenen, is bemiddeling bij de verkoop van rechtspersonen onder de reikwijdte van de wet gebracht. Dit betekent dat een ieder die zich bezig houdt met deze activiteiten een vergunningaanvraag voor het zijn van trustkantoor bij DNB moet indienen.

Onder bemiddelen in de zin van dit artikel wordt verstaan het als tussenpersoon werkzaam bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. Er moet dus sprake zijn van meer dan slechts het met elkaar in contact brengen van partijen; de bemiddelaar verricht werkzaamheden om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Een enkele doorverwijzing zal dan ook in beginsel niet gelden als bemiddeling.

Zie over dit onderwerp ook mijn eerdere bericht.

Tags: