Archive for ‘Vaktechniek’

11 december 2013

Wijziging Wtt op grond van de Wijzigingswet financiële markten 2014

door Ellen Timmer

De Wijzigingswet financiële markten 2014, die ook wijzigingen van de Wtt bevat, is op 19 november jl. door de Eerste Kamer aangenomen en onlangs in het Staatsblad verschenen. De inwerkingtreding kan binnenkort worden verwacht.
Meer vindplaatsen in dit eerdere bericht.

Aanvulling 27 januari 2014

De wijzigingen zijn op 1 januari 2014 in werking getreden. De wijzigingsbepaling luidt als volgt:

ARTIKEL XIV
De Wet toezicht trustkantoren wordt als volgt gewijzigd:

A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:
c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die:
1°. een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een rechtspersoon;
3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een rechtspersoon;
4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust is; of
5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust; tenzij die rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/334/EG van de Raad (PbEU 2004, L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;

2. Onderdeel d wordt als volgt gewijzigd:
a. Subonderdeel 1 komt te luiden:
1°. het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap in opdracht van een rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon die niet tot dezelfde groep behoort als degene die bestuurder of vennoot is;.
b. In subonderdeel 2 vervalt «als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt» en wordt «tot dezelfde groep behorende» vervangen door: tot dezelfde groep als die rechtspersoon of vennootschap behorende.
c. In subonderdeel 4 wordt «een, niet tot dezelfde groep als waarvan het trustkantoor deel uitmaakt behorende» vervangen door: een niet tot dezelfde groep behorende.
d. In subonderdeel 5 wordt «een vennootschap, die tot dezelfde groep behoort als waarvan het trustkantoor deel uit maakt» vervangen door: een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als degene die gebruik maakt van de vennootschap.

B
In artikel 2a wordt «artikel 2, eerste, tweede of derde lid,» telkens vervangen door: de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels,.

C
In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 2, derde lid» vervangen door: artikel 2a, eerste lid.

D
Artikel 10, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt na «begrepen» ingevoegd «regels omtrent het al dan niet op verzoek verstrekken van gegevens door trustkantoren, alsmede» en wordt «, zodanig dat» vervangen door: alsmede die ertoe strekken dat.

2. De onderdelen a en b komen te luiden:
a. het trustkantoor cliëntenonderzoek verricht dat het trustkantoor onder meer in staat stelt de identiteit te kennen van de cliënt en de uiteindelijk belanghebbende of over informatie te beschikken waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is;
b. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap, de trust of de vennootschap waarvan het trustkantoor gebruikmaakt in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 5°;.

3. In onderdeel e wordt «de uiteindelijk belanghebbende» vervangen door «de cliënt of de uiteindelijk belanghebbende» en wordt de punt aan het eind van subonderdeel 4° vervangen door een puntkomma.

4. Onderdeel f komt te luiden:
f. het trustkantoor bij het bemiddelen bij de verkoop van een vennootschap in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 3°, de identiteit kent van de koper en de verkoper en van de uiteindelijk belanghebbende van de koper en de verkoper;.

5. Onderdeel h wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:
h. het trustkantoor kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden;
i. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien niet wordt voldaan aan onderdeel a.

9 december 2013

“Vereenvoudigde” vaststelling jaarrekening bij doelvennootschappen

door Ellen Timmer

Ook doelvennootschappen in de vorm van een bv kunnen met de “vereenvoudigde” vaststelling van de jaarrekening op grond van het nieuwe (flex-)bv recht (artikel 210 lid 5 BW2) te maken krijgen, nl. in die situaties dat de enig aandeelhouder van de doelvennootschap directeur is van de doelvennootschap. Dit kan zich ook in een holdingsituatie voordoen (==> holding is enig aandeelhouder én directeur van de deelneming).
Gevolg van het nieuwe artikel 210 lid 5 BW2 is dat het opmaken van de jaarrekening door de directie (dient binnen elf maanden te gebeuren) meteen “vaststelling” oplevert zodat de publicatiestukken binnen acht dagen daarna dienen te worden gedeponeerd. In veel nieuwe bv-statuten is artikel 210 lid 5 BW2 overgenomen, omdat er notarissen zijn die zich de gevolgen van de toepasselijkheid van deze bepaling niet realiseren.
Inmiddels is er reparatiewetgeving aangekondigd. Over de vraag of die reparatiewet een oplossing biedt en over het begrip “opmaken” in de zin van BW2 wordt op mijn flex-bv weblog gediscussieerd door notaris Wessel Bossen en accountant Anton Dieleman. Voor de liefhebbers.

28 november 2013

Wtt geldt niet voor VvE bestuurders

door Ellen Timmer

Uit een bericht op Vastgoed Management Nederland blijkt dat VvE-bestuurders van de Wtt zullen worden vrijgesteld:

Beheer en bestuur van VvE’s niet binnen reikwijdte Wet Toezicht Trustkantoren (WTT)!
26-11-2013

VGM NL bereikt doorbraak met betrekking tot vergunningplicht.
Naar aanleiding van berichten die ons vanuit de leden bereikten over een mogelijke vergunningplicht voor de externe professionele bestuurder of beheerder van VvE’s is het bestuur in contact getreden met De Nederlandsche Bank, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Meerdere gesprekken hebben ertoe geleid dat is vastgesteld dat het beheren en besturen van VvE’s niet binnen de reikwijdte van de Wet Toezicht Trustkantoren (WTT) valt. Men is thans doende met het opstellen van een zogenaamd vrijstellingsbesluit op de wet.
Het VGM NL bestuur is zeer content dat zij dit resultaat voor haar leden heeft kunnen bereiken. In de bijlage treft u een notitie aan die voortgang, stand van zaken en praktijk nader beschrijft.

Op de site van VGM is een notitie te vinden waarin dit wordt toegelicht.

Tags:
27 november 2013

“Transacties beter monitoren”, bericht DNB over uitkomst onderzoek naar transactiemonitoring

door Ellen Timmer

In het bericht van 18 november jl. maakt DNB de uitkomsten van het onderzoek naar transactiemonitoring bekend.

Transacties beter monitoren
Nieuwsbericht 18 november 2013

Het themaonderzoek ‘Ongoing due diligence’ bij trustkantoren is onlangs afgerond. De belangrijkste conclusies.

Van maart tot november heeft DNB het themaonderzoek ‘Ongoing due diligence’ uitgevoerd bij trustkantoren, banken en verzekeraars. In dit project heeft DNB onderzocht hoe bovenstaande organisaties de integriteitsrisico’s van hun cliënten monitoren.

Trustkantoren
Op basis van potentiële risico’s heeft DNB tien trustkantoren gevraagd een vragenlijst in te vullen om een beter beeld te krijgen van de mogelijke kwetsbaarheden in de cliënt- en transactiemonitoring. De uitkomsten laten zien dat trustkantoren voldoende scoren op de onderdelen ‘het actueel houden van cliëntgegevens’ en ‘screening tegen de sanctielijsten’, maar onvoldoende scoren op de onderdelen ‘monitoren van transacties’ en ‘detecteren en melden van ongebruikelijke transacties’.
De uitkomsten waren voor DNB aanleiding om nader onderzoek te doen bij de trustkantoren, waarbij is gesproken met het bestuur en direct betrokkenen, zoals accountmanagers en compliance medewerkers.

Lage aantal meldingen
Trustkantoren melden te weinig ongebruikelijke transacties. Volgens de branchevereniging Holland Quaestor wordt het lage aantal meldingen onder meer veroorzaakt door de dubbele belangen die trustbestuurders hier dikwijls bij hebben: zij moeten ongebruikelijke transacties melden, maar zijn tegelijkertijd vaak bestuurder van de organisatie die deze ongebruikelijke transactie heeft uitgevoerd. Ook denken sommige trustkantoren dat bij het melden van ongebruikelijke transacties direct afscheid moet worden genomen van de klant.

Transactiemonitoring onvoldoende
Verder laten de uitkomsten zien dat de transactiemonitoring vaak onvoldoende werkt. De wijze en diepgang van de monitoring sluiten niet altijd aan bij het risicoprofiel van de cliënt. Dit heeft ook zijn weerslag op het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties. Als een trustkantoor de transactie niet als ongebruikelijk herkent, kan hij deze ook niet melden.

Regels
Omdat DNB de onderzoeksresultaten zorgelijk vindt, heeft zij deze op 2 oktober 2013 besproken met de branchevereniging, Holland Quaestor. Voor de branchevereniging zijn de resultaten aanleiding om met de trustkantoren striktere regels af te spreken voor het monitoren van transacties en het detecteren van ongebruikelijke transacties.

Formele maatregelen
Naast het nog geven van guidance heeft DNB ook actief moeten handhaven. De tekortkomingen bij drie van de twaalf onderzochte trustkantoren waren dermate ernstig dat dit tot formele maatregelen heeft geleid.

Inmiddels zijn er naar aanleiding van dit bericht kamervragen gesteld door Merkies (SP).

27 november 2013

Onderzoek DNB naar CV-structuren nog niet afgerond

door Ellen Timmer

Al eerder maakte DNB bekend onderzoek te zullen instellen naar CV-structuren. Uit het bericht van DNB van 19 november jl. blijkt dat dit onderzoek nog niet is afgerond. In het bericht staat dat DNB verwacht het onderzoek eind december a.s. af te ronden. Aangekondigd wordt dat DNB in de volgende nummers van de Nieuwsbrief Trustkantoren aandacht zal besteden aan de uitkomsten van het onderzoek en de ‘good practices’ zal delen met de sector.

20 november 2013

DNB-nieuwsbrief voor trustkantoren, editie 19 november 2013

door Ellen Timmer

DNB publiceerde gisteren een nieuwsbrief voor trustkantoren met als onderwerpen:

  • CV-project onderzoekt risico’s commanditaire vennootschappen > zie hierover eerder dit bericht op dit weblog
  • Functiescheiding bij kleine trustkantoren onder de loep > zie hierover eerder dit bericht op dit weblog
  • Transacties beter monitoren
  • Consultatie nieuwe Regeling integere bedrijfsvoering > zie hierover eerder dit bericht op dit weblog
5 november 2013

Bank moet dienstverlening aan klein trustkantoor voortzetten

door Ellen Timmer

In een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam komt aan de orde of ING de dienstverlening aan een klein trustkantoor mag stopzetten. Gelet op de belangrijke maatschappelijke rol die banken hebben en de specifieke omstandigheden stond het ING in het onderhavige geval niet vrij om de relatie met het trustkantoor op te zeggen.

Onderstaand de belangrijkste overwegingen van de Rechtbank:

4.3. Bij de beoordeling van dit geschil is niet alleen van belang dat het hier gaat om een duurovereenkomst waarbij een opzegmogelijkheid is overeengekomen, maar moeten ook de overige omstandigheden van dit specifieke geval, zoals de aard en inhoud van de Overeenkomst en de (maatschappelijke) positie van partijen, worden betrokken.
Hierbij dient enerzijds tot uitgangspunt dat het voor rechts- en natuurlijke personen voor hun functioneren en voortbestaan van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem.
Anderzijds moet de maatschappelijke positie van banken in ogenschouw worden genomen, waarbij van de banken de grootst mogelijke integriteit wordt verwacht, mede op grond van de thans geldende wet- en regelgeving op het gebied van financieel toezicht. Daarnaast kunnen financiële en andere bedrijfsmatige belangen van de bank een rol spelen. De maatschappelijke positie van de bank brengt echter ook mee dat zij rekening houdt met de belangen van de individuele klant en een relatie met die klant slechts op grond van goede redenen en met toepassing van de vereiste zorgvuldigheid opzegt.

4.4. Lagrey heeft in de eerste plaats gesteld dat het voor haar voortbestaan noodzakelijk is dat zij kan bankieren bij een van de grote Nederlandse (systeem-) banken, te weten ING, SNS, Rabobank of ABN/AMRO. ING heeft dat betwist en aangevoerd dat Lagrey voor haar bankzaken terecht zal kunnen bij een van de andere 837 banken die Nederland rijk is en dat zij bovendien niet is aangewezen op een systeembank. Aan ING kan worden toegegeven dat het op grond van de thans geldende regelgeving (zoals het onder 2.2. aangehaalde besluit), anders dan Lagrey heeft gesteld, strikt genomen voor Lagrey niet verplicht is om een rekening aan te houden bij een Nederlandse (systeem-)bank. Lagrey heeft echter (ondersteund door de onder 2.14 genoemde e-mails) wel voldoende aannemelijk gemaakt dat het beschikken over een relatie met een zodanige bank (althans een bank van vergelijkbaar ‘niveau’) voor haar bedrijfsvoering van essentieel belang is en dat bij gebreke daaraan het risico op verlies van klanten reëel is. Verder heeft Lagrey (met de berichten genoemd onder 2.12, 2.15 en 2.16) voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment niet terecht kan bij de andere ‘grote’ Nederlandse banken. ING heeft weliswaar aangevoerd dat BNP Parisbas Nederland een gelijkwaardige bank is die voor Lagrey en haar klanten acceptabel zou kunnen zijn, maar deze optie is eerder niet ter sprake geweest of onderzocht en als zodanig thans onvoldoende concreet om daarvan in dit kort geding uit te gaan, zoals Lagrey terecht heeft betoogd.

4.5. Vast staat dat Lagrey beschikt over een vergunning van DNB en dat geen sprake is van kredietverstrekking door ING aan Lagrey, maar alleen van het ter beschikking stellen van (overige) bancaire diensten. Daarnaast heeft ING de stelling van Lagrey, dat zij sinds het bestaan van de Overeenkomst met ING op geen enkele wijze jegens ING tekort is geschoten, niet weersproken. Evenmin is gesteld of gebleken dat in concreto sprake zou zijn van onzorgvuldigheden of tekortkomingen in de bedrijfsvoering van Lagrey die integriteitsrisico’s met zich zouden brengen en/of dat Lagrey zich niet zou houden aan de bestaande wet- en regelgeving, waardoor ING mogelijk in de problemen zou kunnen komen bij het voldoen aan de aan haar te stellen eisen op dat gebied.

4.6. De gronden die ING heeft aangevoerd voor de beëindiging van de Overeenkomst zijn dan ook niet specifiek gebaseerd op de handel en wandel van Lagrey, maar op een algemene beleidswijziging die inhoudt dat ING niet langer zaken wenst te doen met trustkantoren van een beperkte omvang. ING wenst daarmee vooruit te lopen op (de uitkomst van) het door DNB aangekondigde onderzoek (2.17) en verscherpte regelgeving, waarbij in de R.I.B. strengere eisen zullen worden gesteld aan trustkantoren met betrekking tot ‘audit en compliance’ (toetsing/controle en naleving van de regels), zodat beter dan nu kan worden gegarandeerd dat de uitvoerende en controlerende functies in deze branche gescheiden zullen zijn. Als zij de dienstverlening aan de kleinere trustkantoren zou voortzetten zou dat volgens ING onaanvaardbaar hoge kosten voor haar meebrengen, wil zij aan de voor de bank geldende (nationale en internationale) eisen blijven voldoen.

4.7. Hoezeer ook de wens van ING om integriteitsrisico’s zoveel mogelijk uit te sluiten legitiem is, in de gegeven omstandigheden levert deze wens – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – niet zonder meer een zwaarwegende grond op voor opzegging van de Overeenkomst met Lagrey. Van belang daarbij is dat ING na een aantal gesprekken, waarbij ook de achtergrond en bekwaamheden van de directeuren van Lagrey (beiden fiscaal jurist en eerder werkzaam geweest in de trust- of aanverwante branche) ter sprake zijn gekomen, eind 2011 met Lagrey in zee is gegaan, terwijl ook toen al de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten), alsmede de WTT en daarop gebaseerde en mee verwante regelgeving – waarnaar ING in dit verband specifiek heeft verwezen – aan de orde waren. Zoals gezegd bestaan geen concrete aanwijzingen dat Lagrey in het licht van die regelgeving een risico vormt, of dat zij niet in staat zou zijn om aan de toekomstige aangescherpte regelgeving te voldoen. Mocht dat te zijner tijd alsnog het geval blijken te zijn, dan ontstaat een nieuwe situatie. Voorshands bestaat onvoldoende grond om daarop vooruit te lopen. Overigens heeft ING de stelling van Lagrey dat ING wel bereid is met de afzonderlijke klanten van Lagrey een individuele bancaire relatie te onderhouden, niet weersproken, hetgeen erop wijst dat ING een integriteitsrisico bij de betrokken doelvennootschappen thans kennelijk niet aanwezig acht.

4.8. De stelling van ING dat voortzetting van de Overeenkomst in het kader van de toekomstige audit- en compliancevereisten onevenredig hoge kosten met zich zou brengen heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Lagrey niet, althans onvoldoende, inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij eventuele hogere kosten niet zou kunnen doorbelasten aan Lagrey. Bovendien wegen mogelijke extra kosten in de gegeven omstandigheden en tegen de achtergrond van de zorgplicht van ING in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van Lagrey bij voortzetting van de relatie.

4.9. Samengevat luidt de conclusie dat Lagrey voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat opzegging van de Overeenkomst door ING ertoe zal leiden dat Lagrey haar onderneming niet langer zal kunnen uitoefenen – en Lagrey dus bij voortzetting van de relatie een zeer groot belang heeft – terwijl Lagrey op geen enkele wijze tekort geschoten is jegens ING en DNB, noch concrete aanwijzingen bestaan dat Lagrey een integriteitsrisico vormt voor ING en/of ING voor onevenredig hoge kosten zal plaatsen, zodat het belang van ING bij een beëindiging van de relatie met Lagrey op dit moment relatief beperkt is en een zwaarwegende grond voor opzegging van de overeenkomst vooralsnog niet aan de orde is. Daar komt bij dat ING eind 2011 weloverwogen een relatie met Lagrey is aangegaan en (nog) geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan een voortzetting van de Overeenkomst niet langer van ING zou kunnen worden gevergd. Lagrey heeft er in dit verband nog terecht op gewezen dat ING niet haar relaties met de gehele trustbranche heeft beëindigd, maar alleen die met de kleinere kantoren, terwijl, anders dan ING heeft betoogd, onvoldoende aannemelijk is dat de grote kantoren per definitie minder risico’s opleveren. Ook uit de in de nieuwsberichten van DNB genoemde onderzoeken (aangehaald bij 2.6. en 2.7) blijkt dat vooralsnog niet, nu daarin niet is vermeld wat de omvang van de onderzochte kantoren is, noch hoe de risico’s bij kleinere kantoren zich verhouden tot die bij grotere ondernemingen.

4.10. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en na afweging van de betrokken belangen, kan dan worden geconcludeerd dat voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de stellingen van Lagrey – dat geen zwaarwegende grond voor opzegging van de Overeenkomst bestaat en dat de gevolgen van de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn – zal honoreren. Daarmee voldoet de vordering van Lagrey aan het criterium genoemd onder 4.1. Op grond van hetgeen ING heeft aangevoerd, waarbij een wijziging in de omstandigheden in de nabije toekomst niet valt uit te sluiten, en het feit dat het hier een kort gedingprocedure betreft, zal veroordeling van ING beperkt blijven tot het meest subsidiair gevorderde, nakoming van de Overeenkomst voor een periode van (tenminste) twee jaar. Nu ING ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft toegezegd zich ook zonder dwangsommen aan een eventuele veroordeling te zullen houden, wordt aan de veroordeling geen dwangsom verbonden.

 

Aanvulling 15 november 2013
Over deze uitspraak is op 14 november jl. ook een artikel op Scherp in Ondernemingsrecht verschenen.

Aanvulling 4 juni 2019
Helaas is het artikel dat ik op 15 november 2013 meldde verdwenen.

29 oktober 2013

DNB Leidraad WWFT en SW

door Ellen Timmer

Onlangs verscheen op de site van DNB een bericht over de nieuwe versie van de DNB Leidraad WWFT en SW (pdf) van oktober 2013.
Deze leidraad is ook vertaald in het Engels.

Op een andere geactualiseerde pagina verstrekt DNB informatie over de rol van de FATF.

8 oktober 2013

Wijziging van de Wet toezicht trustkantoren in het voorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014”

door Ellen Timmer

Al eerder berichtte ik over het voorstel tot wijziging van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), als opgenomen in het wetsvoorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014″.
Inmiddels is de Wijzigingswet financiële markten 2014 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt het voorstel bij de Eerste Kamer. Liefhebbers van wetten lezen, kunnen de definitieve tekst van het artikel over de Wtt, artikel XIV van het wetsvoorstel, lezen aan het slot van mijn eerdere bericht.

Aanvulling 11 december 2013
De Wijzigingswet financiële markten 2014 is op 19 november jl. door de Eerste Kamer aangenomen en onlangs in het Staatsblad verschenen. De inwerkingtreding kan binnenkort worden verwacht. Meer informatie over de Wijzigingswet financiële markten 2014:

7 oktober 2013

DNB onderzoekt functiescheiding bij kleine trustkantoren

door Ellen Timmer

In een nieuwsbericht van 3 oktober jl. laat DNB weten functiescheiding bij kleine trustkantoren te gaan onderzoeken.

Aankondiging themaonderzoek ‘functiescheiding bij kleine trustkantoren’
DNB start dit najaar een themaonderzoek naar de wijze waarop kleine trustkantoren de functiescheiding (tussen functies met een uitvoerend en controlerend karakter) hebben opgezet en hoe deze in de praktijk wordt toegepast. Het hebben van functiescheiding is een essentiele beheersmaatregel om integriteitsrisico’s binnen de trustdienstverlening het hoofd te bieden. Op grond van de Regeling Integere Bedrijfsvoering is deze functiescheiding bovendien verplicht.
Tijdens het onderzoek zullen toezichthouders van DNB diverse kleine trustkantoren bezoeken. Na afronding van het onderzoek informeert DNB de trustsector over de uitkomsten via de DNB Nieuwsbrief Trustkantoren.