3 januari 2013

Bijeenkomst Compliance Platform Trustkantoren op 24 januari 2013, thema: De consequenties voor de trustbranche van de flex-bv en wet bestuur & toezicht

door Compliance Platform Trustkantoren

Op donderdag 24 januari 2013 zal er weer een bijeenkomst van het Compliance Platform zijn. Bijeenkomsten van het Compliance Platform kunnen worden bijgewoond door een ieder die zich met compliance in de trustsector bezighoudt. Er is gelegenheid van gedachten te wisselen over een actueel onderwerp naar aanleiding van een inleiding door een spreker.
Ellen Timmer, advocaat bij Pellicaan Advocaten zal ons het een en ander vertellen over de “De consequenties voor de trustbranche van de Flex BV en de wet bestuur & toezicht
Er zal voldoende gelegenheid zijn om vragen te stellen en tijdens de borrel, na afloop, kan er genetwerkt worden.
Het Amsterdamse kantoor van Pellicaan Advocaten is zo vriendelijk om ons 24 januari a.s. gastvrijheid te verlenen.

Ontvangst: 16.00 uur
Aanvang presentatie: 16.30 uur

Locatie:
Pellicaan Advocaten
Queens Towers
Wilhelminatoren Delflandlaan 1
1062 EA Amsterdam
Routebeschrijving (pdf)

Er wordt van iedereen een bijdrage van E 5.—gevraagd, zodat we de spreekster alsmede degene die de faciliaire ondersteuning biedt, op passende wijze kunnen bedanken.
Kunnen jullie uiterlijk 20 januari a.s. per mail laten weten of jullie bij de bijeenkomst op 24 januari a.s. aanwezig zullen zijn, in verband met de organisatie? Mochten jullie nog compliance officers kennen dan wel mensen die zich bezighouden met compliance in de trust-sector en die ook geinteresseerd zijn om de bijeenkomst bij te wonen, dan kunnen jullie de contact-gegevens aan mij doorsturen, zodat zij alsnog een uitnodiging kunnen ontvangen.

Dan nog iets anders: Ellen Timmer heeft een website gemaakt voor het Compliance Platform: https://complianceplatformtrustkantoren.wordpress.com/ Ik zou jullie willen aanraden hierop een e-mail abonnement te nemen. Via deze weg kunnen jullie dan in de toekomst een vooraankondiging krijgen van de bijeenkomsten van het compliance platform alsmede eventuele andere berichten.

Ik hoop jullie allen de 24e te zien!

Hartelijke groet,
Marianne van Rappard

Tags:
20 december 2012

Trustkantoren onderschatten risico’s bij consultancydiensten

door Ellen Timmer

Onder de titel “Trustkantoren onderschatten risico’s bij consultancydiensten” heeft DNB op 3 december 2012 een bericht verspreid over de cliëntendossiers van trustkantoren. Het bericht luidt:

Nieuwsbericht
Datum 3 december 2012

Trustkantoren moeten extra aandacht besteden aan het cliëntendossier van de consultancydoelvennootschappen.

In 2012 heeft DNB thematisch onderzoek gedaan naar zogenoemde consultancydoelvennootschappen. De toezichthouder heeft juist voor deze doelvennootschappen gekozen omdat bij consultancy de waarde van de geleverde prestatie doorgaans moeilijk is in te schatten en daarmee gevoelig is voor witwassen. Verder is er vaak sprake van internationale structuren waarbij middels re-invoicing de geldstroom bewust wordt verlegd naar andere jurisdicties. 
 
Resultaten van het themaonderzoek
Voor dit onderzoek heeft DNB in 2012 negen trustkantoren bezocht. Daaruit komt naar voren dat bij zes van de negen trustkantoren de bedrijfsvoering tekort schiet ten aanzien van de dienstverlening aan consultancydoelvennootschappen. De geconstateerde tekortkomingen zijn met name: onvoldoende kennis omtrent het doel van de structuur, een ontoereikende analyse van de integriteitrisico’s en een gebrekkige monitoring van de herkomst en bestemming van middelen. Naar aanleiding hiervan heeft DNB bij de betreffende trustkantoren passende handhavingsmaatregelen getroffen.  
 
Groeiend risico
Uit de instelling specifieke informatie (ISI) rapportage blijkt het aantal consultancydoelvennootschappen bij trustkantoren te groeien van 153 in 2011 naar 247 in 2012. Gezien deze toename vormen consultancydiensten een groeiend risico binnen de trustsector.   
  
Aanbeveling DNB
Op basis van de onderzoeksresultaten benadrukt DNB dat trustkantoren extra aandacht moeten besteden aan het cliëntendossier van deze consultancydoelvennootschappen en extra kritisch moeten zijn bij de clientacceptatie van toekomstige clienten’. Dit geldt overigens ook voor consultancycliënten die het trustkantoor bedient via een doorstroomvennootschap, ook wel inhouse vennootschap genoemd.

FATF-rapport over consultancydiensten
Ook in het FATF rapport van oktober 2010 ‘Money Laundering using Trust and Company Service Providers’ wordt misbruik van fictieve consultancy entiteiten genoemd om gelden weg te sluizen dan wel illegaal verkregen gelden wit te wassen.  In hetzelfde rapport worden betalingen van consultancy fees aangeduid als ‘Money Laundering Indicators’. (Pagina 48 van het rapport)
Wat zijn consultancydoelvennootschappen?
Dit zijn: Doelvennootschappen waar sprake is van betalingen voor verleende diensten in het kader van een specifieke kennis of vaardigheid van de doelvennootschap, hetzij aan natuurlijke personen, hetzij aan een entiteit, waarbij door de doelvennootschap veelal gebruik gemaakt wordt van de diensten van een specialist die de diensten namens de doelvennootschap uitvoert, gezien de specifieke kennis of vaardigheden die benodigd zijn om de betreffende dienst uit te voeren.

Reactie van de pers

Boeiend is de wijze waarop de pers op dit soort berichten reageert. Het is meestal grote stappen, snel thuis, vooral als het over de koppen boven de berichten gaat.

Neem bijvoorbeeld BNR, die het artikel voorziet van de kop “Witwassen is koud kunstje in Nederland”. ElsevierFiscaal citeert een artikel uit het FD dat als kop heeft “Mogelijke witwaspraktijken trustkantoren”. Deze suggestieve koppen staan boven artikelen die verder grotendeels navertellen wat er in het bericht van DNB staat. Dit type berichtgeving blijf ik merkwaardig vinden, aangezien de activiteiten van trustkantoren niet verschillen van de activiteiten van andere ondernemers door middel van rechtspersonen. Wat de trustkantoren doen met de door hen beheerde rechtspersonen (“doelvennootschappen”) zou veiliger en veel minder riskant moeten zijn, dan wat in de rest van het bedrijfsleven gebeurt, vanwege de verplichtingen die de financiële toezichtwetgeving aan trustkantoren oplegt en vanwege het toezicht door DNB. Dat soort boodschappen dringen echter niet bij de journalisten en beleidsmakers door.

4 december 2012

Zet alvast in de agenda: 24 januari 2013 bijeenkomst Compliance Platform Trustkantoren vanaf 16:00 uur

door Compliance Platform Trustkantoren

Op donderdagmiddag 24 januari 2013 zal vanaf 16:00 uur een bijeenkomst van het Compliance Platform Trustkantoren plaats vinden. Zet het in de agenda. Nadere informatie volgt zo spoedig mogelijk.

4 december 2012

Nieuwsbrief DNB met als thema’s toetsingsgesprekken kandidaat-bestuurders, consultancydiensten, groei sector, procedurehandboek

door Ellen Timmer

DNB heeft vandaag een nieuwsbrief verspreid. Onderwerpen van het decembernummer:

2 november 2012

Overheid mag niet op “fishing expedition” gaan om aan informatie over bestuursrechteljke overtredingen te komen

door Ellen Timmer

Bestuursorganen hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht ruime mogelijkheden om informatie in te winnen over mogelijke overtredingen van bestuursrechtelijke verplichtingen. Dit biedt de mogelijkheid om ook bij ‘derden’, personen of instellingen die zelf niet bij een overtreding betrokken zijn, informatie in te winnen. Onlangs kwam in een zaak tegen de Nederlandse staat aan de orde of de Staat op ‘fishing expedition’ mag gaan om aan informatie te komen. De rechter was van oordeel dat aan de Staat geen onbeperkte inlichtingenbevoegdheden toekomen en overweegt (eiseres is de partij, een onderzoeksbureau, bij informatie werd opgevraagd; onderstreping door mij):

De wettelijke verplichting van eiseres om – als derde – haar medewerking te verlenen aan de Staat bij de uitoefening van diens bevoegdheden vindt zijn begrenzing in het hiervoor genoemde evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de Staat met deze beginselen in strijd handelt door thans van eiseres een lijst te verlangen van haar opdrachtgevers binnen de sector waarop het onderzoek van de Staat is gericht. Vaststaat immers dat nog niet bekend is of en zo ja tegen welke van deze ondernemingen een vermoeden van overtreding van het kartelverbod bestaat. Artikel 5:20 Awb biedt naar voorlopig oordeel de Staat niet de mogelijkheid bij derden willekeurig gegevens op te vragen op basis waarvan dan vervolgens beoordeeld kan worden of er toezichthoudende bevoegdheden zullen worden ingezet. Medewerking kan door de Staat van een derde worden verlangd bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het ligt derhalve niet op de weg van eiseres om de Staat van een lijst met namen van haar opdrachtgevers te voorzien, aan de hand van welke lijst de Staat dan vervolgens kan gaan bekijken welke van deze ondernemingen hij verder bij het onderzoek kan betrekken. Dat het voor de Staat bezwaarlijk is om de bedoelde informatie bij de betrokken ondernemingen op te vragen omdat deze ondernemingen nog niet weten dat zij onderwerp zijn van het onderzoek maakt dat niet anders. Dat is immers een omstandigheid die voor rekening en risico komt van de Staat. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid dat informatie bij de hiervoor bedoelde ondernemingen zal verdwijnen voordat de Staat daar beschikking over heeft weten te krijgen.

De uitspraak illustreert dat de overheid wel ruime bevoegdheden heeft, maar dat deze bevoegdheden zorgvuldig dienen te worden ingezet.

NB Dit artikel verscheen eerder op mijn algemene weblog.

2 november 2012

Aanpassing DNB-internetpagina’s over trustkantoren

door Ellen Timmer

Blijkens een bericht van DNB zijn een aantal internetpagina’s over trustkantoren op de website van DNB aangepast. Hierna volgt het overzicht dat DNB geeft, met de links naar de gewijzigde pagina’s.

  • Trustkantoren – overzicht markttoegang – nieuw
  • Introductie Trustkantoren – gewijzigd
  • Wat is een Trustkantoor – gewijzigd
  • Wat is een trustdienst? – nieuw
  • Doorstroomvennootschap of inhouse-vennootschap – Wtt – nieuw
  • Termijn voor behandeling vergunningaanvraag trustkantoor – gewijzid
  • Vereisten voor een vergunning van een trustkantoor – gewijzigd
  • Begrip bemiddelen Wet Toezicht Trustkantoren – gewijzigd
  • Groepsbegrip onder de Wet Toezicht Trustkantoren – gewijzigd
  • Indienen stukken vergunning trustkantoor – gewijzigd
  • Vragen over de aanvraag van een vergunning voor trustkantoren – gewijzigd
  • Kosten aanvraag vergunning trustkantoor – gewijzigd 
  • Register trustkantoren – gewijzigd
11 oktober 2012

Antwoord op kamervragen met informatie over de regelgeving voor trustkantoren

door Ellen Timmer

Onderstaand de antwoorden op kamervragen inzake een trustkantoor, waarbij ook de regelgeving inzake trustkantoren aan de orde komt.

Vragen van het lid Braakhuis (GroenLinks) aan de staatssecretaris en de minister van Financiën over de betrokkenheid van een Nederlands trustkantoor bij illegale houtkap (ingezonden 1 juni 2012).

Antwoord van minister De Jager (Financiën), mede namens de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (ontvangen 5 oktober 2012)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2867

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het artikel «Greenpeace zet trustkantoor onder druk vanwege illegale houtkap in Indonesië»1 en de notitie «Onregelmatigheden bij de Nederlandse holdingmaatschappijen van APP die worden beheerd door trustkantoor ANT» van Profundo voor De Nederlandsche Bank (DNB)?

Wat vindt u ervan dat een Nederlands trustkantoor betrokken is bij illegale houtkap?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9

Vindt u dat DNB voldoende heeft opgetreden in deze? Vindt u dat DNB voldoende zicht heeft op de UBO’s (Ultimate Benficial Owner) van Paper Excellence en Bentoning Holding?

Is het toezicht van DNB in deze in overeenstemming met artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht trustkantoren, waarin trustkantoren worden verplicht «de identiteit (te kennen) van de uiteindelijk belanghebbende of over informatie (te beschikken) waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is»?

Kunt u aangeven of het feit dat de holdings in Nederland zijn gevestigd ook betekent dat zij onder de Nederlandse regelgeving vallen en dat betrokkenheid bij illegale houtkap dus onwettig is? Bent u van mening dat genoemd artikel waarin is bepaald dat trustkantoren kennis moeten hebben «van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap» (artikel 10, eerste lid, onderdeel b) en «van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort» (artikel 10, eerste lid, onderdeel c) van toepassing is?

Deelt u de mening dat door het loskoppelen van eigendom en financiering de holdingmaatschappij zich ten onrechte onttrekt aan de in het Burgerlijk Wetboek vastgelegde verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te maken, die de buitenwereld meer inzicht zou bieden in de gezamenlijke inkomsten, uitgaven, bezittingen en schulden van de dochterbedrijven van de holdingmaatschappij? Vindt u ook dat het Burgerlijk Wetboek (Boek 2, artikel 396, eerste lid) aangepast zou moeten worden om deze onwenselijke situatie te voorkomen?

Deelt u de mening dat een tweede gevolg van het loskoppelen van het eigendom (in handen van de holdingmaatschappij) en het leeuwendeel van de financiering van de acht pulp- en papierfabrieken (door Bentoning Holding en haar dochters) is, dat er hier sprake lijkt te zijn van misbruik van de belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met Canada, Maleisië en Indonesië, waarin is opgenomen dat dividendbetalingen zwaarder belast worden dan interestbetalingen?

Kunt u aangeven of de «vriendelijke» lening van US$ 17,5 miljoen, die de holdingmaatschappij leende van de Chinese Ningbo Bank International tegen een rente van slechts 0,01%, in overeenstemming is met de Nederlandse financiële toezichtsregels?

Bent u van mening dat de betrokken in Nederland gevestigde financiële holdings in deze voldoen aan de substance-eisen die voor hen gelden?

Mede in het licht van het op mijn verzoek lopende substance-onderzoek, bent u bereid om naar aanleiding van deze vragen actie te ondernemen? Zo ja, welke?

Antwoord 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9

Door wettelijke geheimhoudingsverplichtingen voor de Belastingdienst en De Nederlandsche Bank (DNB) kan ik op de bijzonderheden van dit individuele geval niet zonder meer ingaan. Ik verwijs in dit verband naar de brief die ik uw Kamer mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 16 mei 2012 stuurde (Kamerstukken II 2011/12; 33 003, nr. 83). Evenwel zal ik hierna de verscheidene aspecten van deze zaak, zoals in de vragen aan de orde gesteld, in algemene zin inhoudelijk behandelen.

Sinds de invoering van de Wet toezicht trustkantoren in 2004 heeft overleg tussen wetgever en toezichthouder geleid tot voortdurende aanscherping van de regulering van trustkantoren. In dit overleg wordt mede acht geslagen op het maatschappelijk debat over trustkantoren.

DNB houdt toezicht op de naleving van de Wet toezicht trustkantoren. Artikel 10 van die wet is uitgewerkt in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren van DNB. Daarin is aangegeven op welke manier een trustkantoor een integere bedrijfsvoering moet waarborgen. DNB houdt dus toezicht op de bedrijfsvoering van het trustkantoor, niet op de uiteindelijk belanghebbenden van cliënten of doelvennootschappen van het trustkantoor (vraag 3). Bij de beoordeling van de bedrijfsvoering van het trustkantoor controleert DNB of deze zodanig is ingericht dat een trustkantoor, onder meer, kennis heeft van de uiteindelijk belanghebbende en de herkomst van het vermogen van de doelvennootschap, alsmede van de relevante delen van de structuur van de groep waartoe de doelvennootschap behoort en het doel waarmee die structuur is opgezet. Verder moet een trustkantoor beschikken over gegevens die ten grondslag liggen aan de herkomst en bestemming van middelen van de doelvennootschap en beoordelen of hieraan integriteitsrisico’s zijn verbonden. Daarnaast dient het trustkantoor te weten met welk doel gebruik wordt gemaakt van zijn dienstverlening. DNB ziet hier zowel in haar lopend toezicht als middels themaonderzoeken op toe: zo concentreerde DNB zich in 2011 met een themaonderzoek op trustkantoren die diensten verlenen aan operationele doelvennootschappen. Dit is toegelicht in de ZBO-verantwoording van DNB over het jaar 2011, beschikbaar via: www.dnb.nl/binaries/ZBO-verantwoording%202011_tcm46–270513.pdf (vragen 4 en 5).

In Nederland gevestigde ondernemingen vallen civielrechtelijk onder de Nederlandse wet- en regelgeving voor zover zij naar Nederlands recht zijn opgericht (vraag 5). Voorts is de Nederlandse strafwet van toepassing op een ieder – ongeacht de vraag of een bedrijf in Nederland is gevestigd – die zich in Nederland schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit. Het kan tevens gaan om strafbare feiten die voor een deel in Nederland worden gepleegd, en voor een deel in het buitenland. Te denken valt aan de via de Wet op de economische delicten gesanctioneerde invoer zonder (juiste) vergunning van bepaalde door bijvoorbeeld het CITES-verdrag beschermde boomsoorten. Daarnaast kan er in verband daarmee onder omstandigheden sprake zijn van witwassen of heling.

Verder is het Nederlandse strafrecht van toepassing op Nederlanders en op Nederlandse bedrijven die zich in het buitenland schuldig maken aan het plegen van strafbare feiten. Daartoe is meestal wel vereist dat de gedragingen waaraan zij zich schuldig maken in het betreffende buitenland eveneens strafbaar zijn. De bewijsvoering in dit soort zaken is overigens complex gezien het internationale karakter ervan.

Over de toepasselijkheid van jaarrekeningvoorschriften op grond van het Burgerlijk Wetboek (vraag 6) kan ik het volgende opmerken. Ten algemene zullen holdings doorgaans zowel een enkelvoudige jaarrekening van de holdingmaatschappij zelf moeten opstellen, als een geconsolideerde jaarrekening waarbij ook de financiële informatie van alle dochters is meegenomen. Holdings kunnen net als alle andere rechtspersonen die een jaarrekening moeten opstellen, vrijstellingen hebben van jaarrekeningvoorschriften: kleine rechtspersonen hoeven slechts een beperkte balans en toelichting te publiceren (artikel 2:396 Burgerlijk Wetboek (BW)) en ook middelgrote rechtspersonen kennen enkele vrijstellingen (artikel 2:397 BW). Een rechtspersoon moet de vraag of hij klein of middelgroot is, beoordelen op geconsolideerde grondslag. Dat betekent dat bij de waarde van de criteria aan de hand waarvan de omvang van de rechtspersoon bepaald wordt – activa, netto-omzet en aantal werknemers – ook de waarden moeten worden meegeteld van de groepsmaatschappijen die in de consolidatie zouden moeten worden betrokken, als de rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening zou moeten opmaken. Een holding die op geconsolideerde basis groot is, zal dus een volledige enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen en publiceren, ook al is de holding zelf klein. Alleen als de holding op geconsolideerd niveau klein is, hoeft zij geen geconsolideerde jaarrekening op te stellen, maar alleen haar eigen enkelvoudige jaarrekening. Als een onderneming op twee opeenvolgende jaren voldoet aan de criteria van een middelgrote of grote rechtspersonen, mag zij de vrijstellingen voor kleine respectievelijk middelgrote rechtspersonen niet meer toepassen.

Aldus is er voldoende transparantie ten aanzien van vermogen en resultaat van de holding en haar dochters. Ik zie dan ook geen reden voor aanpassing van het Burgerlijk Wetboek, te meer omdat het Burgerlijk Wetboek in lijn is met de vierde en zevende vennootschapsrichtlijn van de EU (richtlijnen 78/660/EEG, Pb 1978 L 222/11 en 83/349/EEG, Pb 1983 L 193/1).

Vraag 7 over vermeend misbruik van belastingverdragen lijkt voort te komen uit de Profundo-notitie waaruit is op te maken dat de onderzoekers vermoeden dat het uiteindelijke belang in twee in Nederland gevestigde vennootschappen in handen is van één familie. Van deze twee vennootschappen zou de ene de aandelen bezitten in een aantal buitenlandse vennootschappen terwijl de andere vennootschap vorderingen op diezelfde buitenlandse vennootschappen heeft.

Daargelaten dat ik niet kan ingaan op de posities van een individuele belastingplichtige, vind ik het onjuist te reageren op vermoedens.

Wel kan ik in het algemeen aangeven dat belastingplichtigen het recht hebben zelf te kiezen voor financiering met vreemd vermogen of met eigen vermogen. Het staat de betrokken belastingplichtigen dus ook vrij via één concernvennootschap eigen vermogen en via een andere vreemd vermogen te verstrekken. Betrokken overheden verbinden met hun nationale regelgeving en met verdragen fiscale gevolgen aan die keuze en kunnen daarmee aangeven welke financieringsvormen zij ongewenst vinden. Toepassing van het desbetreffende verdrag en het nationale recht in beide betrokken staten kan er toe leiden dat de belastingdruk op dividenden zwaarder is dan op interest.

Een «vriendelijke lening» zoals bedoeld in vraag 8 zou onder Nederlandse financiële toezichtsregels worden beoordeeld in het licht van prudentiële en integriteitsregels inzake ondermeer leningen aan gerelateerde partijen en het tegengaan van belangenverstrengeling. De Nederlandse financiële toezichtsregels zijn echter in beginsel niet van toepassing op instellingen buiten Nederland. Verder is er geen financieel toezichtsregel die zich ertegen verzet dat ondernemingen in Nederland geld lenen tegen een laag rentetarief. Overigens blijkt uit de beschikbare informatie niet dat de bedoelde Chinese bank op de Nederlandse markt actief is geweest in strijd met regels inzake markttoegang in de Wet op het financieel toezicht. Zodoende zijn er geen aanwijzingen dat de bedoelde lening in strijd zou zijn met de Nederlandse financiële toezichtsregels.

Tenslotte heb ik bij brief van 25 juni 2012 (Kamerstukken II 2011/12; 25 087 nr. 32) uitvoering gegeven aan de motie van de leden Braakhuis en Groot (Kamerstukken II 2011/12; 33 003, nr. 62) om de Nederlandse substance-eisen (vragen 9 en 10) tegen het licht te houden. In die brief ben ik uitgebreid ingegaan op de plaats en functie van substance-eisen in de verdragen en ons nationale recht.

10 oktober 2012

‘Bemiddelen’ in de Wtt, toelichting DNB

door Ellen Timmer

Inmiddels is er een korte toelichting op het begrip ‘bemiddelen’ verschenen op de website van DNB. Deze toelichting, geplaatst op http://www.toezicht.dnb.nl/2/50-226567.jsp, luidt op dit moment:

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd zodat als trustdienst wordt aangemerkt, naast de verkoop van rechtspersonen tevens het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen.

Artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 3°, Wtt bepaalt dat als trustdienst wordt aangemerkt, naast de verkoop van rechtspersonen, het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen. Omdat dergelijke dienstverlening naar haar aard risico’s met zich brengt, en trustkantoren dergelijke diensten betrekkelijk vaak verlenen, is bemiddeling bij de verkoop van rechtspersonen onder de reikwijdte van de wet gebracht. Dit betekent dat een ieder die zich bezig houdt met deze activiteiten een vergunningaanvraag voor het zijn van trustkantoor bij DNB moet indienen.

Onder bemiddelen in de zin van dit artikel wordt verstaan het als tussenpersoon werkzaam bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. Er moet dus sprake zijn van meer dan slechts het met elkaar in contact brengen van partijen; de bemiddelaar verricht werkzaamheden om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Een enkele doorverwijzing zal dan ook in beginsel niet gelden als bemiddeling.

Zie over dit onderwerp ook mijn eerdere bericht.

Tags:
10 oktober 2012

Het begrip doorstroomvennootschap volgens DNB

door Ellen Timmer

De opvatting van DNB over het begrip ‘doorstroomvennootschap’ zoals per 1 juli 2012 in de Wtt is opgenomen, is bekend gemaakt door middel van een factsheet.

Doorstroomvennootschap of inhouse-vennootschap – Wet Toezicht Trustkantoren

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd waardoor als trustdienst wordt aangemerkt het ten behoeve van een cliënt gebruikmaken van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor. 

Artikel 1, onderdeel d, subonderdeel 5, Wtt beschouwt het ten behoeve van de cliënt gebruik maken van een vennootschap, die tot dezelfde groep behoort als waarvan het trustkantoor deel uit maakt als een kwalificerende trustdienst.

Tot 1 juli 2012 waren diensten nog gedefinieerd als diensten gericht op of verleend aan een vennootschap waarvan een derde eigenaar (uiteindelijk belanghebbende) is. Voor de bestrijding van witwassen en financieren van terrorisme is echter ook de praktijk van de zogenoemde doorstroomvennootschappen van belang. Dit zijn vennootschappen die, vooral om fiscale redenen, worden gebruikt om gelden te ontvangen en uit te keren. De eigendom van een doorstroomvennootschap is niet van belang nu, zoals de naam al aangeeft, uiteindelijk geen resultaat in de vennootschap achterblijft. Voor deze praktijk wordt dan ook vaak gebruik gemaakt van vennootschappen die eigendom zijn van of behoren tot dezelfde groep als het trustkantoor, de zogenaamde inhouse-vennootschappen.

10 oktober 2012

Toelichting DNB op het groepsbegrip onder de Wet toezicht trustkantoren

door Ellen Timmer

In een factsheet van 9 oktober 2012 licht DNB het groepsbegrip in de Wtt nader toe.

Het begrip ‘groep’ wordt gedefinieerd als een economische eenheid waarin rechtspersonen, vennootschappen en natuurlijke personen organisatorisch zijn verbonden. Dit begrip is onder meer van belang om te bepalen of er sprake is van een trustdienst in de zin van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt).

Op grond van artikel 1, onderdeel d, Wtt worden bepaalde activiteiten slechts als trustdienst gekwalificeerd indien deze buiten de omgeving van een groep worden verricht. Daarnaast wordt op grond van artikel 1, onderdeel d, sub 5, Wtt een activiteit juist als een trustdienst beschouwd indien ten behoeve van een cliënt gebruik wordt gemaakt van een vennootschap, die tot dezelfde groep behoort als waarvan het trustkantoor deel uit maakt. 
  
Het begrip groep staat gedefinieerd in artikel 1, onderdeel f, Wtt als een economische eenheid waarin rechtspersonen, vennootschappen en natuurlijke personen organisatorisch zijn verbonden. Hierbij is aangesloten bij de definitie in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De definitie van groep in artikel 1, onderdeel f, Wtt  is echter breder dan de BW-definitie, omdat ook natuurlijke personen tot de groep kunnen behoren. 
  
Een aanwijzing dat een natuurlijke persoon tot een bepaalde groep behoort, is dat hij zijn werkzaamheden (nagenoeg) uitsluitend voor die groep verricht of een gekwalificeerde deelneming houdt in een rechtspersoon of vennootschap die tot die groep behoort. Artikel 1, onderdeel g, van de Wtt definieert het begrip gekwalificeerde deelneming namelijk als een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het geplaatste aandelenkapitaal of een daarmee vergelijkbaar belang, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare zeggenschap.

Tags: