21 mei 2014

Openbaar Ministerie actief op het gebied van compliance verplichtingen van trustkantoren

door Ellen Timmer

Niet alleen De Nederlandsche Bank (DNB) houdt zich bezig met de naleving van de Wtt verplichtingen. Uit een bericht van het Openbaar Ministerie blijkt dat een aantal trustkantoren worden onderzocht, waarbij het bij een Amsterdams en Amstelveens trustkantoor gaat om niet-naleving van de verplichtingen tot cliëntenonderzoek.

Inzake de laatstgenoemde twee trustkantoren is door DNB strafrechtelijke aangifte gedaan. De interessante vraag is hoe het OM gaat beoordelen dat niet aan de verplichtingen tot cliëntenonderzoek is voldaan, nu daar geen heldere normen voor zijn. Normaliter is het DNB die toezicht houdt op de naleving van deze verplichtingen en constateert of er al dan niet aan de verplichtingen wordt voldaan. Het is dan ook bijzonder dat het OM schrijft (onderstreping door mij) “Het onderzoek tegen de twee trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam is gestart na een aangifte van DNB, dat de trustkantoren vermoedelijk niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek.

Over de onderzochte trustkantoren staat het volgende in het bericht:

Drie strafrechtelijke onderzoeken naar trustkantoren

De FIOD en Politie hebben vandaag een Amsterdams trustkantoor doorzocht. Het kantoor wordt verdacht van het tientallen keren niet doen van verplicht cliëntenonderzoek. Er is administratie in beslag genomen. Van een trustkantoor in Amstelveen zijn twee directeuren als verdachte gehoord. Ook hier is de verdenking dat zij tientallen keren het cliëntenonderzoek niet hebben uitgevoerd. In de omgeving van Eindhoven is een trustkantoor doorzocht vanwege het niet vrijwillig uitleveren van alle gevraagde informatie aan de belastingdienst. De niet uitgeleverde informatie is nu door de FIOD in beslag genomen. Alle drie de strafrechtelijke onderzoeken staan onder leiding van het Functioneel Parket.

Compliance trustsector
In Nederland zijn circa 289 vergunning houdende trustkantoren, die zich bedrijfsmatig bezig houden met het verlenen van trustdiensten, zoals het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap. Integriteit is hierbij belangrijk. Het is in ieders belang dat de sector schoon blijft en dat de sector niet door criminelen gebruikt kan worden voor witwassen of belastingontduiking. Trustkantoren spelen een wezenlijke rol in het bewaken van de integriteit van de financiële sector in Nederland. Trustkantoren moeten hun bedrijfsvoering zo inrichten dat een integere bedrijfsvoering gewaarborgd is. Deze verplichting hebben zij op grond van Wet Toezicht trustkantoren, de hierop gebaseerde Regeling integere bedrijfsvoering en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) . Een van de belangrijkste onderdelen daarvan is het principe van cliëntonderzoek of customer due diligence (CDD) en het daarbij behorende principe dat een trustkantoor zich ook moet vergewissen van de herkomst van het vermogen en de bestemming van gelden. Wanneer trustkantoren de regels op dit gebied niet naleven, dan worden zij zeer kwetsbaar voor (crimineel) misbruik en wordt de cliënt onzichtbaar voor toezicht en controle door de overheid. Ook tegenover andere onderdelen van de overheid, zoals de Belastingdienst, dienen trustkantoren compliant te zijn. Het niet voldoen aan wettelijke verplichtingen is ongeoorloofd en daar treden wij samen met de toezichthouders tegen op.

Project TCSP
Het onderzoek naar het trustkantoor in de omgeving van Eindhoven komt voort uit het zogenoemde ‘Trust and Company Service Providers’-project (TCSP) van de belastingdienst en het Functioneel Parket. De belastingdienst voert boekenonderzoeken uit bij Trustkantoren om te controleren of trustkantoren ‘compliant’ zijn en de aangiften kloppen. Met het Functioneel Parket het de FIOD zijn afspraken gemaakt over de inzet van het strafrecht voor kantoren die niet voldoen aan verzoeken van de belastingdienst om gegevens uit te leveren.
Bij het trustkantoor in de omgeving van Eindhoven is door de fiscus een boekenonderzoek aangekondigd voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. Het onderzoek heeft ten doel de juistheid en volledigheid van de ingediende aangiften vast te stellen. Om het onderzoek uit te kunnen voeren is het kantoor verplicht om de administratie ter beschikking te stellen van de belastingdienst. Dit kantoor heeft ondanks herhaaldelijke verzoeken geweigerd om delen van de administratie te overhandigen. De FIOD is daarop onder leiding van het Functioneel Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Project Niet-Melders
De onderzoeken naar de trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam zijn onderdeel van het project Niet-Melders, een gezamenlijk project van FIOD, de Nationale Recherche, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), het Bureau Financieel Toezicht (BFT), Belastingdienst Holland Midden/ Belastingdienst, Bureau Toezicht Wwft (BTW), De Nederlandsche Bank (DNB) en het Openbaar Ministerie (OM). De deelnemers aan het project willen dat instellingen hun cliëntonderzoek beter uitvoeren en vaker melding maken van ongebruikelijke transacties. Het niet naleven van de regels werkt ondermijnend, concurrentievervalsend en kan witwassen faciliteren. Daarom pakt de overheid dit aan. Het onderzoek tegen de twee trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam is gestart na een aangifte van DNB, dat de trustkantoren vermoedelijk niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek. De twee aangiften van DNB zijn afkomstig uit een DNB-project waarin een groep trustkantoren zijn gecontroleerd op het doen van CDD.

9 mei 2014

Een nieuw juridisch beroep: de auditor

door Ellen Timmer

De wijziging van de uitvoeringsregeling voor trustkantoren [*] illustreert een ontwikkeling die gaande is in het financiële (toezicht)recht.

Tijdens de internetconsultatie over de nieuwe uitvoeringsregeling voor trustkantoren is dit concept (pdf) aan het publiek voorgelegd. In dat concept wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Uitvoering: dit zijn de mensen die zich binnen de onderneming bezig houden met het primaire proces: degenen die zorgen voor de ‘verkoop’ en voor het verzorgen van de overige primaire activiteiten (zoals het maken van cliëntacceptatiedossiers, het oprichten van rechtspersonen, het voeren van administraties). In het voorstel gaat het over trustkantoren, maar het zou net zo goed over banken, verzekeraars, tussenpersonen, notarissen en ICT-ondernemers kunnen gaan.
  • Compliance: de compliancemedewerkers zijn bezig met de naleving van wet- en regelgeving geldend voor de onderneming. Dit zijn de mensen die alle wet- en regelgeving bij houden, cursussen volgen en de mensen van de uitvoering op de huid zitten.
  • Audit: het voorstel introduceert een nieuwe functie, nl. degenen die de eerste twee categorieën personen moeten controleren, de (interne) “auditfunctie”. Het betreft hier een audit die ziet op naleving van wet- en regelgeving en niet op de financiële verantwoording. Het is dus een juridische audit.

Klein mag niet meer

Het concept als hiervoor beschreven is bij grotere ondernemingen al terug te vinden. Een trend is dat dat overheid een dergelijke scheiding ook aan kleine ondernemingen wil opleggen, wat voor de overheid meteen een mooie mogelijkheid biedt om de ondernemingen die in de ogen van de overheid te klein zijn uit het vak te verwijderen. Bij trustkantoren is die ontwikkeling al in volle gang. In een brief van 27 juni 2013 heeft DNB gevraagd om maatregelen tegen kleine trustkantoren. De Bank vraagt in de brief de Wtt aan te vullen met de eis dat bij trustkantoren er ten minste twee natuurlijke personen optreden als dagelijkse beleidsbepaler. En dat is niet het enige.

De juridische audit in het consultatievoorstel

In de consultatietekst staat in artikel 7 lid 2:

Een trustkantoor draagt er zorg voor dat op onafhankelijke en effectieve wijze een auditfunctie wordt uitgeoefend ten aanzien van haar werkzaamheden en de compliancefunctie. De auditfunctie is gericht op het controleren van de naleving door het trustkantoor van het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek en de uitvoering van de compliancefunctie.

Uit deze tekst blijkt dat deze audit helemaal niets te maken heeft met de financieel getinte audit die accountants uitvoeren.

Vervolgens wordt in de toelichting onder meer het volgende opgemerkt, mensen die van ‘moderne’ toezichtconcepten houden zullen hier van smullen (onderstreping door mij):

Een trustkantoor dient ervoor te zorgen dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie en een auditfunctie worden uitgeoefend. Voor de formulering van dit artikel is ten dele aangesloten bij artikel 21 van het Besluit prudentiële regels Wft waarin de compliancefunctie voor bepaalde financiële ondernemingen is geregeld.
De compliancefunctie is gericht op de naleving door het trustkantoor van de Wet toezicht trustkantoren, de onderhavige regeling en het eigen procedurehandboek. De compliancefunctie is bedoeld voor controle op de dagelijkse gang van zaken. Gebruikelijk zal deze controle intern kunnen worden uitgevoerd door medewerkers van het trustkantoor die niet betrokken zijn of waren bij de te controleren werkzaamheden (onafhankelijkheid) en daartoe voldoende zijn toegerust (effectiviteit). Bij grotere trustkantoren is denkbaar dat een aparte complianceafdeling wordt ingericht waarvan de medewerkers zijn vrijgesteld van commerciële dienstverlening.
De auditfunctie is daarnaast ook gericht op de uitoefening van de compliancefunctie; in zoverre is sprake van controle op controle. Dit is met name van belang waar de compliancefunctie wordt uitgeoefend door medewerkers van het trustkantoor die ook betrokken zijn bij commerciële dienstverlening. Naar gelang de compliancefunctie meer op afstand staat van de uitvoering van werkzaamheden, zal de auditfunctie minder intensief kunnen zijn. Voor de vereiste intensiviteit van de auditfunctie zijn verder de complexiteit en het risicoprofiel van de dienstverlening van belang. Procedures inzake compliance en audit moeten worden opgenomen in het procedurehandboek. Zodoende kan de toezichthouder de voorziene intensiteit en frequentie van de auditfunctie toetsen aan alle omstandigheden. In het procedurehandboek moet verder worden vermeld welke natuurlijke personen de auditfunctie kunnen uitoefenen.
In het derde lid is geregeld dat een trustkantoor de onafhankelijkheid van de compliance- en auditfunctie moet waarborgen. Daartoe dient het trustkantoor in elk geval te voorkomen dat degenen die deze functies uitoefenen hun eigen werk controleren. Ten aanzien van bestuurders van een trustkantoor geldt in dit opzicht een nog strengere regel: zij mogen als eindverantwoordelijken binnen het trustkantoor geen auditfunctie uitoefenen en in de uitoefening van de compliancefunctie mogen zij niet kruiselings elkaars werk controleren. De opsomming van maatregelen in het derde lid is niet limitatief: een trustkantoor zal in voorkomend geval aanvullende maatregelen moeten nemen om te waarborgen dat bij de uitoefening van de compliance- en auditfunctie geen sprake kan zijn van belangenverstrengeling. De toezichthouder kan hierover nadere regels stellen op grond van het zesde lid.
Zoals hiervoor al vermeld moet er voldoende afstand zijn tussen werkzaamheden en controle ter voorkoming van belangenverstrengeling. De compliancefunctie moet op voldoende afstand staan van uitvoering, en de auditfunctie moet op voldoende afstand staan van uitvoering en compliance. Zo zou een middelgroot trustkantoor de compliancefunctie intern kunnen realiseren (uitvoerende medewerkers controleren elkaars werkzaamheden) en de auditfunctie kunnen uitbesteden. Een groot trustkantoor zou ervoor kunnen kiezen ook de auditfunctie intern te beleggen, in een aparte afdeling die los van uitvoering en compliance opereert en direct rapporteert aan het bestuur. Een klein trustkantoor daarentegen zou genoopt kunnen zijn ook de compliancefunctie uit te besteden. In dit laatste geval is van belang de afstand tussen compliance en audit te bewaken. Zo zal de auditfunctie niet mogen worden uitbesteed aan een rechtspersoon die ook de compliancefunctie uitoefent of heeft uitgeoefend, of die deel uitmaakt van dezelfde groep als degene die de compliancefunctie uitoefent of heeft uitgeoefend. In het algemeen zal een trustkantoor de compliance- of auditfunctie niet mogen uitbesteden aan een persoon of rechtspersoon die tevens controle- of adviesdiensten voor dat trustkantoor verricht.
In het vierde lid is geregeld dat de bevindingen van de compliancefunctie en de auditfunctie, waaronder met name gesignaleerde tekortkomingen of gebreken, worden gerapporteerd aan het bestuur. Deze rapportageverplichtingen gelden onafhankelijk van elkaar; bevindingen uit de compliancefunctie moeten dus worden gemeld aan het bestuur ongeacht te rapporteren bevindingen uit de auditfunctie. Deze rapportageverplichtingen zijn voorts te onderscheiden van de verplichting op grond van artikel 11, eerste lid, om de toezichthouder onverwijld te informeren in geval van incidenten. Denkbaar is dat een tekortkoming eerst intern wordt gerapporteerd aan het bestuur op grond van artikel 7, vierde lid, en vervolgens – indien de tekortkoming kwalificeert als incident – door het bestuur wordt gemeld aan de toezichthouder op grond van artikel 11, eerste lid.

Toelichting voor de lezer die niet uit de trust komt:

“de toezichthouder” is de persoon van DNB die bij de ondernemer op bezoek komt om te controleren of de ondernemer het goed heeft gedaan. De toezichthouder is de controleur van de controleur.

Effectiviteit

De toelichting op het consultatievoorstel ronkt van de goede bedoelingen. Maar over de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen is in het consultatievoorstel niets te vinden. Er wordt geen melding gemaakt van wetenschappelijke onderzoeken die zijn gedaan naar de kwaliteit van financiële ondernemingen. Er blijkt ook niet uit of onderzoek is gedaan naar de vraag of procedurehandboeken en cliëntacceptatiesystemen wel enig positief effect sorteren op die kwaliteit. Dus of al het gedoe rondom die procedurehandboeken (waarin voor 90% de wet en de uitvoeringsregeling wordt overgeschreven) wel enige zin heeft, weet niemand. En of het maken van al die cliëntacceptatierapportjes en afvinken van uitgevoerde handelingen wel iets oplevert, is ook niet bekend.

Gouden toekomst

Deze aanpak bij trustkantoren, die vast als model zal dienen voor veel andere sectoren, zal zorgen voor veel juridische werkgelegenheid. Niet alleen bij de betrokken ondernemingen zelf en bij de dienstverleners die actief zijn voor deze ondernemingen.

Universiteiten kunnen hun opleidingsprogramma uitbreiden met een speciale opleiding tot academisch gevormd juridisch auditor. Inmiddels is er alle aanleiding om een speciale richting “compliance” te introduceren bij de juridische faculteiten. Misschien is het nog beter om de juridische faculteiten om te dopen in “financieel-juridische” faculteiten, zodat de accountancy-opleiding kan worden geïntegreerd in de nieuwe financieel-juridische opleidingen.

Binnen het moderne financiële toezicht is de werkgelegenheid gegarandeerd, al is natuurlijk de vraag of er nog voldoende klanten blijven om de kosten van de diensten te betalen.

[*]  Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren

Aanvulling 14 mei 2014
Dit bericht heb ik ook in de LinkedIn groep ‘Trustbase’ geplaatst. Er kan ook via die LinkedIn groep gediscussieerd worden.

 

1 mei 2014

DNB nieuwsbrief voor trustkantoren, april 2014

door Ellen Timmer

DNB heeft een nieuwe editie van de nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht.
Onderwerpen:

  • de betrouwbaarheidstoetsing, tijdig melden van relevante feiten;
  • licht meer doelvennootschappen;
  • onvoldoende functiescheiding;
  • wijzigingen in de regelgeving;
  • trustsector neemt onaanvaardbare risico’s met commanditaire vennootschappen.
29 april 2014

Factsheet geschiktheidstoetsing vergunningverlening trustkantoren is aangepast

door Ellen Timmer

In de nieuwsbrief van 29 april 2014 laat DNB weten dat voor trustkantoren het factsheet over de geschiktheidstoetsing voor de vergunningverlening aangepast. DNB schrijft dat het van belang is hiervan kennis te nemen. De huidige tekst is hier te vinden. Er staat:

Vergunningaanvraag Trustkantoren – geschiktheidstoetsing

Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een trustkantoor is dat de bestuurders, commissarissen en (mede) beleidsbepalers (hierna: bestuurder) geschikt worden geacht om het beroep of bedrijf van trustkantoor uit te oefenen.

Geschiktheid is een zware voorwaarde
Het is de ervaring van DNB dat aanvragers niet altijd geheel op de hoogte zijn van de vereisten ten aanzien van de geschiktheid, terwijl de geschiktheid op het moment van de vergunningaanvraag moet worden aangetoond. Als op het moment van de vergunningaanvraag niet aan deze geschiktheidsvereisten wordt voldaan, zal DNB de vergunningaanvraag moeten afwijzen. Ook in dat geval dient u leges te betalen (in 2014: EUR 3.200,-). DNB adviseert een potentiële aanvrager / bestuurder dan ook om zorgvuldig na te gaan of aan de voorwaarden van geschiktheid wordt voldaan. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de betrouwbaarheidstoets .

Aantonen van geschiktheid
De beoordeling of iemand geschikt is voor de voorgenomen functie vindt plaats op grond van de Beleidsregel geschiktheid 2012. Op grond van deze beleidsregel moet de bestuurder van een trustkantoor aantonen dat hij of zij beschikt over:

* Bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid;
* Leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding; en
* Algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis.

Deze vaardigheden en kennis moeten zijn opgedaan in een relevante werkomgeving gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. De algemene en specifiek vakinhoudelijke kennis moet zijn opgedaan maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetreding. De geschiktheid ten aanzien van de bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden moeten zijn opgedaan maximaal tien jaar voorafgaand aan het moment van aantreden. Minimaal zal een bestuurder kennis en ervaring moeten hebben opgedaan op het gebied van antiwitwas- en terrorisme financiering. Ook de relevante wet- regelgeving moet actief bekend zijn.

Beleidsregel geschiktheid 2012

Meer informatie:

24 april 2014

Hoge Raad over de rol van een trustbestuurder in een joint venture

door Ellen Timmer

Al eerder schreef ik over de uitspraak van de Ondernemingskamer, waarin deze tot het oordeel kwam dat het betrokken trustkantoor (Equity Trust) de door haar opdrachtgevers gegeven instructies te klakkeloos had opgevolgd.

Inmiddels heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in cassatie en is het trustkantoor in het ongelijk gesteld.

Positie statutaire bestuurders bij een joint venture

De Hoge Raad geeft in overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3 de algemene context waarbinnen alle statutair bestuurders (dus ook trustbestuurders) zich dienen te bewegen:

4.2.1  Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.

4.2.2  Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)).
Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren.

4.2.3  Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de joint venture-vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap (vgl. art. 2:239 lid 4 BW en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92). Deze verplichtingen van een bestuurder gelden vanaf het moment van zijn aantreden.

Verwatering

Uit overweging nummer 4.3 blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat de Ondernemingskamer juist heeft geoordeeld. Dat het trustkantoor pas was aangetreden, neemt niet weg dat ook zij nalatig is geweest in de vaststelling en uitvoering van het beleid rondom de eerste verwatering. Het vennootschapsbelang kan meebrengen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder zouden veranderen.

4.3  De ondernemingskamer heeft het vorenstaande niet miskend. Haar oordeel houdt in dat het bestuur, onder wie ook Equity Trust als pas aangetreden bestuurder, nalatig is geweest in de vaststelling en uitvoering van het beleid rondom de eerste verwatering. Naar het oordeel van de ondernemingskamer heeft deze nalatigheid ertoe geleid dat de Vennootschap de controle over haar onderneming blijvend kon verliezen waardoor haar continuïteit in gevaar werd gebracht en zij niet langer een positie kon kiezen die, gezien de tussen haar aandeelhouders ontstane onevenwichtige verhoudingen, voldoende onafhankelijk was. Daarbij heeft de ondernemingskamer acht geslagen op de aard van de Vennootschap als een joint venture die is aangegaan tussen twee gelijkwaardige partners, naderhand aangevuld met een aandeelhouder met een minderheidsbelang. Blijkens de rov. 3.20.1 en 3.20.2 heeft zij onderkend dat het vennootschapsbelang onder de gegeven omstandigheden meebracht dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder zouden veranderen dan in het licht van de omstandigheden was geboden.
Zij heeft geoordeeld dat het bestuur zich geen rekenschap heeft gegeven van het eigen belang van de Vennootschap en van zijn eigen rol en taak hierin. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt daarom.

Pogingen om de verwatering terug te draaien zijn er wel geweest, maar deze zijn mislukt. De Hoge Raad zegt daarover:

4.4.1  Onderdeel 1.4 is onder meer gericht tegen rov. 3.20.2. Daarin verwijt de ondernemingskamer (het bestuur van de) Vennootschap dat ook na 9 juli 2009 is nagelaten consequenties te trekken uit het niet doorgaan van de financiering door Banco Sabadell. Naar het oordeel van de ondernemingskamer had de Vennootschap al het redelijkerwijs mogelijke in het werk moeten stellen om de eerste verwatering volledig te (doen) terugdraaien of de gevolgen daarvan te repareren, bijvoorbeeld door de uitgifte alsnog in overeenstemming te (doen) brengen met een zakelijke ruilverhouding.
Het onderdeel klaagt onder 2.27 over onbegrijpelijkheid van dit oordeel. Het voert daartoe aan dat het bestuur van de Vennootschap wel degelijk heeft getracht om de verwatering (door middel van het ‘Stappenplan’) terug te draaien. Volgens het onderdeel zijn deze pogingen evenwel niet succesvol geweest, doordat de aandeelhouders geen overeenstemming konden bereiken.

4.4.2  Het onderdeel wijst terecht erop dat het bestuur blijkens het onderzoeksverslag (4.4.16–4.4.24 en 10.1.15) heeft gepoogd om de eerste verwatering te doen terugdraaien. Blijkens rov. 3.18 zou het door [A] opgestelde Stappenplan ertoe leiden dat de vordering van Inversiones op Efesyde zou worden afgelost met behulp van een banklening of uit de winst. In de tussentijd zouden de oorspronkelijke verhoudingen tussen de aandeelhouders worden gehandhaafd en zouden de relevante beslissingen door de aandeelhouders unaniem genomen worden. Inversiones heeft dit plan echter afgewezen omdat zij geen directe voldoening in contanten zou ontvangen voor haar vordering op Efesyde. In het licht van deze omstandigheden is het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.20.2 dat ook de door het bestuur ([A] en Equity Trust) uitgewerkte plannen de onzakelijke ruilverhouding als uitgangspunt aanvaardden, onvoldoende gemotiveerd.
Het onderdeel kan evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het oordeel in rov. 3.21 dat de Vennootschap ter zake van de eerste verwatering en de ontwikkelingen onmiddellijk daarna (tot en met 31 augustus 2009) heeft gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, steunt namelijk op verschillende overwegingen. Voor zover het oordeel van de ondernemingskamer betrekking heeft op de gang van zaken rondom de eerste verwatering, berust dit op rov. 3.20.1 (het door bepaalde nalatigheden scheppen van een situatie waarin het mogelijk werd dat de Vennootschap de controle over haar onderneming blijvend kon verliezen en niet langer een eigen, voldoende onafhankelijke positie heeft kunnen kiezen). Voor zover het oordeel van de ondernemingskamer ziet op de ontwikkelingen onmiddellijk daarna (tot en met 31 augustus 2009), berust het mede op rov. 3.19.1 en 3.19.2 (het in augustus 2009 meewerken aan de voorbereiding van besluitvorming, tegen de bezwaren van Holding I in, waardoor de ongelijkheid tussen Inversiones en Holding I nog verder zou worden vergroot). Het oordeel in rov. 3.21 dat de Vennootschap ten tijde van de eerste verwatering en onmiddellijk daarna heeft gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, wordt zelfstandig gedragen door deze overwegingen, die in cassatie niet met vrucht zijn bestreden (zie hiervoor in 4.3 en hierna in 4.7).

Pariteitsbeginsel

Over de vraag of moet worden uitgegaan van een pariteitsbeginsel bij joint ventures overweegt de Hoge Raad:

4.5  Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.25.2–3.27 en betoogt onder meer dat de ondernemingskamer ten onrechte de pariteit van de aandeelhouders (en een noodzaak tot pariteitsherstel) tot premisse heeft genomen, en een abstracte joint venture-gedachte aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd. Daarmee miskent de ondernemingskamer dat het partijen vrij staat om hun joint venture in te richten en dat de keuze om juist niet een aanbiedingsplicht of informatieplicht overeen te komen moet worden gerespecteerd. De omstandigheid dat Equity Trust als bestuurder van de Vennootschap heeft nagelaten om Holding I te informeren over de beoogde overdracht van aandelen C door Invernostra aan Inversiones, kan in de gegeven omstandigheden daarom niet (zonder nadere motivering) als wanbeleid worden aangemerkt, zo stelt het onderdeel.

4.6.1  Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het berust op de lezing dat de ondernemingskamer is uitgegaan van een abstracte joint venture-gedachte of dat de gelijkwaardige verhoudingen tussen de aandeelhouders naar het oordeel van de ondernemingskamer te allen tijde behouden, althans hersteld dienen te worden.
De ondernemingskamer heeft haar oordeel gegeven op basis van de omstandigheden van het onderhavige geval, en daarin ligt niet het oordeel besloten dat de gelijkwaardige verhouding tussen Inversiones en Holding I als aandeelhouders te allen tijde behouden, althans hersteld dient te worden.

4.6.2  Het oordeel van de ondernemingskamer moet aldus worden verstaan dat de omstandigheid dat Holding I en Inversiones hun joint venture hebben opgezet op basis van gelijkwaardigheid en dat deze gelijkwaardigheid is behouden na de toetreding van Invernostra, van belang is in verband met hetgeen voor de aandeelhouders voortvloeit uit art. 2:8 BW. Op grond van deze bepaling waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones zonder deze aandelen aan Holding I aan te bieden of zonder Holding I te informeren. Het oordeel van de ondernemingskamer dat Invernostra en Inversiones, door heimelijk afbreuk te doen aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid, en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van Holding I in acht behoorden te nemen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Met de verwijzing naar de overige omstandigheden van het geval heeft de ondernemingskamer onmiskenbaar het oog op de omstandigheden dat met de toetreding van Invernostra als aandeelhouder de gelijkwaardigheid van Inversiones en Holding I als joint venture-partners was gehandhaafd, dat aan de over te dragen aandelen C specifieke zeggenschapsrechten waren verbonden, en dat sprake was van een conflict tussen Inversiones en Holding I (vgl. rov. 2.14, 2.16, 2.20-2.22, 3.17, 3.19.1, 3.19.2 en 3.26).

4.6.3  Met betrekking tot de vraag of het bestuur van de Vennootschap de beoogde overdracht ter kennis van Holding I had moeten brengen, overweegt de Hoge Raad als volgt. Bij gebreke van een wettelijke of statutaire informatieplicht is het bestuur in beginsel niet gehouden de aandeelhouders te informeren over een door een aandeelhouder beoogde aandelenoverdracht. Dat laat evenwel onverlet dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en dat zij zorgvuldigheid dienen te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (zie hiervoor in 4.2.1–4.2.3).
De ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het belang van de Vennootschap en de verplichting om zorgvuldigheid te betrachten jegens Holding I, in het onderhavige geval meebrachten dat het bestuur gehouden was om Holding I te informeren over de beoogde aandelenoverdracht en om te trachten om de 50/50-verhouding tussen Holding I en Inversiones te (doen) herstellen. Gelet op de aard van de Vennootschap als joint venture die was opgezet als samenwerking tussen twee gelijkwaardige partners, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook heeft de ondernemingskamer dat oordeel in rov. 3.26 en 3.27 voldoende gemotiveerd. Het voorgaande geldt eveneens met betrekking tot haar oordeel dat het nalaten van het bestuur van de Vennootschap om Holding I te informeren onder de omstandigheden van het geval strijdig is met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.
Ten aanzien van Equity Trust getuigt het oordeel van de ondernemingskamer evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Haar oordeel is ook niet onvoldoende gemotiveerd, gelet op haar overwegingen in 3.25 en 3.64.2 dat Equity Trust zich in verband met de ruzie tussen de aandeelhouders bewust afzijdig heeft gehouden van de besluitvorming en steeds de instructies van Inversiones heeft opgevolgd.
De onderdelen falen derhalve.

Trustbestuurders zullen zich ter dege moeten realiseren dat zij een zelfstandige verantwoordelijkheid hebben als statutair bestuurder, ook wanneer zij nog maar net zijn aangetreden.

16 april 2014

Zware kritiek Raad van State op uitbreiding van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsing in het financiële toezicht

door Ellen Timmer

Onlangs heeft de Afdeling advisering van Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2015. Een van de onderwerpen die de Raad aan de orde stelt is de voorgenomen uitbreiding van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis voor ondernemingen die vergunninghouder zijn op grond van onder meer de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt op dit punt (nog) niet aangepast.

De kritiek van de Raad is vernietigend:

  • de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis wordt uitgebreid naar een zeer ruime en niet helder gedefinieerde groep personen;
  • de overheid trekt taken naar zich toe (beoordelen van een ruime kring van personen die geen ‘beleidsbepaler’ zijn), zonder dat is aangegeven dat is nagedacht over de consequenties daarvan, de Raad schrijft heel diplomatiek dat “de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden“.

Hierna volgt de complete passage die op het onderwerp betrekking heeft.

2. Uitbreiding geschiktheids- en betrouwbaarheidseis

Ingevolge artikel 3:9 Wft dient de betrouwbaarheid van personen die het beleid van de financiële onderneming (mede) bepalen buiten twijfel te staan. (zie noot 2) Ingevolge artikel 3:8 Wft dient voor personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen tevens vast te staan dat zij daartoe geschikt zijn. (zie noot 3)

Het voorgestelde artikel I, onderdelen S en T, breidt de kring van personen op wie de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis van toepassing is uit naar alle ‘personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar met zetel in Nederland, die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ In de toelichting wordt hierover opgemerkt dat ‘door te verlangen dat personen verantwoordelijk voor medewerkers die het risicoprofiel van de financiële onderneming wezenlijk (kunnen) beïnvloeden, geschikt en betrouwbaar zijn, kan beter worden tegengegaan dat onder hun verantwoordelijkheid risico’s worden genomen die de stabiliteit van en het vertrouwen in de financiële sector in gevaar brengen.’ (zie noot 4)

De Afdeling merkt hierover het volgende op.

a. Kring van personen
Het onderhavige voorstel breidt de kring van personen die onder het bereik van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen uit tot personen […] ‘die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ Daarbij leidt de Afdeling uit de toelichting af dat het begrip ‘werkzaamheden die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming’ ruim moet worden opgevat. Zo wordt in de toelichting opgemerkt dat ‘voor de bepaling van de activiteiten die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming, niet alleen moet worden gekeken naar de financiële risico’s van deze activiteiten maar ook naar de niet-financiële risico’s. Ook niet-financiële risico’s, zoals juridische, reputatie- en IT-risico’s, kunnen immers een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van een onderneming.’ (zie noot 5)

Wie onder de reikwijdte van deze uitbreiding vallen, wordt in het voorstel niet nader omschreven. (zie noot 6) Ziet de Afdeling het goed dan wordt de kring van personen die na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel aan een betrouwbaarheids- en geschiktheidseis wordt onderworpen aanmerkelijk vergroot. Het betreft immers een ieder die binnen een bank of verzekeraar verantwoordelijkheid draagt voor personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden. Er is geen beperking aangebracht ten aanzien van het niveau binnen de organisatie waar de verantwoordelijke werkzaam is; het kan aldus zowel een ‘lagere’ afdelingsmanager als het hoofd compliance betreffen. Aldus is, zo meent de Afdeling, sprake van een discrepantie tussen de tekst van het voorstel en de toelichting waarin onder meer wordt opgemerkt dat slechts ongeveer 650 personen verantwoordelijk zijn voor werkzaamheden die het risicoprofiel wezenlijk kunnen beïnvloeden. (zie noot 7) De Afdeling meent dat in dit verband de tekst van het voorstel en de toelichting met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

De Afdeling merkt vervolgens op dat in het systeem van de Wft maar ook van het Burgerlijk Wetboek, het een interne aangelegenheid van de financiële instelling is om in de eigen organisatie te bewerkstelligen dat voor de onderneming relevante risico’s worden beheerst. De wet stelt in dat verband eisen aan de onderneming als zodanig. (zie noot 8) Het bestuur van de instelling is voor de naleving daarvan verantwoordelijk. De Afdeling merkt op dat met de uitbreiding van de door de overheid opgelegde geschiktheidseis het toezicht zodanig uitgebreid wordt dat op de overheid een veel verder strekkende verantwoordelijkheid dan thans komt te rusten. De overheid trekt immers de beoordeling van de geschiktheid (vaardigheden, kennis en professioneel gedrag) van medewerkers onder het niveau van de (dagelijks) beleidsbepalers, mede aan zich.

De wet vereist dat personen die binnen de reikwijdte van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen bij voortduring aan die eisen voldoen. Die continue verantwoordelijkheid geldt de onderneming en betreft, zoals hierboven opgemerkt, ook de overheid die met het voorstel die verantwoordelijkheid breder aan zich trekt. De Afdeling merkt op dat een verdergaande verantwoordelijkheid voor de overheid ook met zich kan brengen dat de overheid (in de praktijk De Nederlandsche Bank) ook breder aanspreekbaar wordt op de (continue) invulling van die verantwoordelijkheid.

De Afdeling is, mede in het licht van hetgeen zij onder 1. heeft opgemerkt, van oordeel dat door het voorstel de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de onderneming en de verantwoordelijkheid van de overheid substantieel verschuift. Daarnaast merkt de Afdeling op dat de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden. Zij adviseert in de toelichting de uitbreiding van het geschiktheids- en betrouwbaarheidseis dragend te motiveren en zo nodig het voorstel aan te passen.

16 april 2014

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake aanwijzing, inhoudend dat “onbetrouwbare” bestuurder diende af te treden

door Ellen Timmer

Onlangs heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een geschil tussen een beleidsbepaler en DNB over een aanwijzing inzake een “onbetrouwbare” bestuurder. In de uitspraak wordt wordt het geschil als volgt samengevat, waarbij met “[bedrijfsnaam 1]” het trustkantoor wordt aangeduid:

Bij besluit van 8 maart 2012 (het primaire besluit) heeft DNB aan [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1]) een aanwijzing gegeven tot het volgen van een gedragslijn dat appellant het beleid van [bedrijfsnaam 1] niet meer kan bepalen of mede bepalen.
Deze aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten, te weten: de door de Centrale Bank van Curaҫao en Sint Maarten (hierna: CBCS) aan de op Curaҫao gevestigde trustkantoor [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3]) opgelegde boetes van 19 mei 2008 en 17 december 2009, het niet onmiddellijk aan DNB melden van deze boetebesluiten, het niet onmiddellijk aan DNB melden van het besluit van CBSC van 14 juli 2010 tot intrekking van de aan [bedrijfsnaam 3] verleende vergunning en het verstrekken van onjuiste informatie ter gelegenheid van zowel de op 18 juli 2011 bij DNB ingediende vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]) als het op 11 november 2011 met een medewerker van DNB gevoerde telefoongesprek. Appellant is bestuurder van zowel [bedrijfsnaam 1] als [bedrijfsnaam 3] en was tevens beoogd bestuurder van [bedrijfsnaam 2].

Uit de uitspraak leid ik af dat de beleidsbepaler (en dus kennelijk niet het trustkantoor) bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing. Dat bezwaar is door DNB ongegrond verklaard. Vervolgens verloor het trustkantoor het beroep bij de rechtbank. Daarbij is met name van belang dat bepaalde informatie niet aan DNB is verstrekt. De rechtbank overweegt onder meer:

Dat het Gerecht in eerste aanleg van Curaҫao bij uitspraak van 20 december 2011 de intrekking van de vergunning heeft vernietigd, welke uitspraak door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaҫao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 25 april 2012 is bevestigd (…) DNB heeft immers niet de intrekking van de vergunning van [bedrijfsnaam 2] aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd, maar het niet melden van die als toezichtsantecedent te kwalificeren intrekking. (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB, gelet op het vorenoverwogene, zowel het niet melden van deze antecedenten als de boetes zelf aan eiser als beleidsbepaler mogen toerekenen. Dat geldt evenzeer voor het verstrekken van onjuiste informatie over zijn arbeidsverleden. Voorts heeft DNB hieraan redelijkerwijs de gevolgtrekking kunnen verbinden dat eiser gedragingen heeft vertoond die er blijk van geven dat het hem in relevante mate ontbreekt aan eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid en openheid als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel, zodat de betrouwbaarheid van eiser niet langer buiten twijfel stond als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Wtt. DNB was dan ook bevoegd de in geding zijnde aanwijzing te geven.

Het trustkantoor gaat in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College honoreert de bezwaren van het trustkantoor niet. Hierna geef ik de volledige overwegingen van het College weer (onderstreping van bepaalde passages door mij):

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Het College is van oordeel dat DNB, in reactie op de in 4.1 weergegeven grief van appellant, terecht heeft aangevoerd dat niet relevant is of [bedrijfsnaam 2] meerdere bestuurders had en hoe de verantwoordelijkheden intern waren geregeld. Appellant was als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] verantwoordelijk voor het melden van de aan [bedrijfsnaam 2] opgelegde boetes alsmede van het besluit van CBCS om de vergunning van [bedrijfsnaam 2] in te trekken. Daarnaast is volgens DNB ten aanzien van appellant sprake van twee andere toezichtantecedenten, te weten het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige informatie bij de vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 3] en tijdens een telefoongesprek met een medewerker van DNB op 11 november 2011. Daarop zal hierna worden ingegaan. Vervolgens zal, evenals de rechtbank heeft gedaan, worden beoordeeld of DNB hierop de gegeven aanwijzing heeft mogen baseren.

5.2 Ten aanzien van de stelling van appellant dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de wijze waarop het telefoongesprek van 11 november 2011 is verlopen in het midden heeft gelaten, maar vervolgens wel conclusies heeft getrokken uit de wijze waarop het gesprek is verlopen, overweegt het College als volgt. De wijze waarop het gesprek is verlopen, acht het College wel van belang voor de daaraan te verbinden conclusies. Anders dan appellant heeft aangevoerd, acht het College het echter niet aannemelijk dat het door de betreffende medewerker van DNB opgestelde verslag van het op 11 november 2011 met appellant gevoerde telefoongesprek daarvan een onwaarachtige weergave vormt. Ter zitting heeft DNB in dit verband verklaard dat het verslag meteen na afronding van het telefoongesprek is opgemaakt. De datum van 13 december 2011 die bovenaan het verslag is vermeld, is de datum waarop dit exemplaar is afgedrukt.
Uit dit verslag blijkt dat de medewerker van DNB verschillende keren aan appellant heeft gevraagd of hij over informatie beschikte die voor DNB van belang kan zijn bij de beoordeling van zijn deskundigheid en betrouwbaarheid en dat appellant hierop steeds ontkennend heeft geantwoord. Pas nadat de medewerker erop had gewezen dat DNB door CBCS was geïnformeerd over een aantal met [bedrijfsnaam 2] verband houdende toezichtantecedenten is appellant daarop ingegaan. In het verslag is voorts vermeld dat de medewerker van DNB aan het eind van het telefoongesprek heeft opgemerkt dat hij het betreurt dat appellant aan het begin van het gesprek niet direct de openheid heeft betracht die jegens DNB als toezichthouder verwacht mag worden. Aan het eind van het verslag heeft de medewerker van DNB de opmerking toegevoegd dat appellant op de gestelde vragen steeds zeer terughoudend reageerde en dat pas na herhaaldelijk doorvragen concrete antwoorden werden verkregen. Dat appellant pas openheid van zaken heeft gegeven nadat de medewerker hem had gewezen op de van CBCS verkregen informatie, vindt bevestiging in hetgeen appellant in het kader van het hoger beroep heeft aangevoerd, als onder 4.3 weergegeven, alsmede in de e-mail die appellant nog dezelfde dag in reactie op het telefoongesprek aan de medewerker heeft gezonden. Appellant bevestigt daarin immers zijn “aanvankelijke terughoudendheid”.
Het College acht het niet geloofwaardig dat eiser zich niet zou hebben gerealiseerd dat de antecedenten die zich ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] hebben voorgedaan bij de Nederlandse toezichthouder moesten worden gemeld. Uit de opmerkingen van appellant als vermeld aan het eind van het verslag, dat appellant de kwestie zeer vervelend vindt, dat hij “het vreselijk vindt te realiseren dat het gelazer nu vanuit Curaҫao overvliegt” en dat hij het zich absoluut niet kan permitteren dat hij door DNB wordt afgekeurd, leidt het College veeleer af dat appellant niet wenste dat DNB op de hoogte zou raken van de problemen op Curaҫao en derhalve de antecedenten bewust niet heeft gemeld. Daarbij acht het College voorts van belang dat appellant op 13 oktober 2011, derhalve enkele weken voorafgaand aan het telefoongesprek van 11 november 2011 nog op een zitting is geweest in de procedure die [bedrijfsnaam 2] tegen CBCS had aangespannen in verband met de intrekking van de vergunning en dat appellant blijkens zijn hiervoor reeds genoemde e-mail aan de medewerker van DNB in reactie op het telefoongesprek op dat moment in afwachting was van de uitspraak in die zaak, die immers op 24 november 2011 werd verwacht.
De hiervoor in 4.1 en 4.3 weergegeven grieven falen derhalve.

5.3 Appellant heeft bij de vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] een als curriculum vitae bedoeld stuk ingediend, waarin onder meer is vermeld: “Subsequently he returned to the Netherlands to become General Counsel of DNB and the personal adviser to its President, Dr Wim Duisenberg, who later became President of the European Central Bank. At his recommendation, [naam 2] was invited to become General Counsel of the Central Bank of the Netherlands Antilles.” . Appellant heeft niet weersproken dat hij noch bij DNB, noch bij CBCS de functie van General Counsel heeft bekleed. Ook heeft appellant niet betwist dat hij nimmer de “personal advisor” van Wim Duisenberg is geweest. DNB verwijt appellant dat hij met de inzending van bedoeld stuk de suggestie heeft gewekt dat sprake is geweest van zeer zware juridische functies en derhalve zijn arbeidsverleden rooskleuriger heeft voorgesteld dan in werkelijkheid het geval is geweest. Uit de opmerkingen van appellant tijdens het hiervoor reeds genoemde telefoongesprek van 11 november 2011, het zienswijze gesprek van 20 februari 2012 en de hoorzitting in bezwaar van 12 juni 2012 blijkt dat appellant dit aanvankelijk ook tegenover DNB heeft toegegeven. Appellant heeft bij die gelegenheden immers ten aanzien van de functie van General Counsel aangegeven dat het marketing voor zichzelf betrof en dat het niet verkoopt als er bijvoorbeeld “manusje van alles” zou staan. Ook heeft hij verklaard dat hij beseft dat hij de functie van personal advisor misschien iets te zeer heeft aangedikt. In beroep en in hoger beroep heeft (de gemachtigde van) appellant gesteld dat het maar zeer de vraag is of hij zijn functies bij DNB en CBCS rooskleuriger heeft voorgesteld, aangezien het niet uitgesloten is dat de functie van General Secretary, gelet op het bredere palet aan verantwoordelijkheden dat doorgaans aan deze functie wordt toegekend, naar huidige maatstaven juist als een zwaardere functie dan de General Counsel wordt beschouwd. Het College acht deze stelling onvoldoende onderbouwd, nu daarin niet wordt ingegaan op de inhoud van de functies zoals appellant deze destijds heeft verricht in relatie tot de betekenis die thans, zoals DNB heeft aangevoerd, in het normale spraakgebruik wordt toegekend aan de functieomschrijvingen zoals vermeld in het als curriculum vitae bedoelde stuk. Het College houdt het derhalve ervoor dat appellant in voormeld curriculum vitae zijn arbeidsverleden inderdaad rooskleuriger heeft voorgesteld dan in werkelijkheid het geval is geweest. De hiervoor in 4.5 weergegeven grief faalt.

5.4 Appellant betoogt tevergeefs dat DNB zich een eigen oordeel had dienen te vormen over de achterliggende feiten en omstandigheden van de aan [bedrijfsnaam 2] opgelegde boetes. Het College overweegt dat appellant genoemde antecedenten niet aan DNB heeft gemeld, waarmee hij DNB de mogelijkheid heeft onthouden om deze antecedenten destijds te beoordelen en daarbij eventuele volgens appellant belangrijke achterliggende feiten en omstandigheden te betrekken. Naar DNB heeft aangevoerd zijn het niet melden van de boetes alsmede het niet melden van de intrekking van de vergunning de belangrijkste redenen geweest voor het geven van de aanwijzing. Het College is van oordeel dat DNB bij haar besluitvorming tevens de jegens [bedrijfsnaam 2] genomen boetebesluiten heeft mogen betrekken. Appellant en [bedrijfsnaam 2] hebben daartegen immers geen bezwaar gemaakt, zodat DNB zonder nader onderzoek heeft mogen aannemen dat het opleggen van die boetes rechtmatig is geweest. De hierop betrekking hebbende grief (zie hiervoor 4.6) faalt.

5.5 Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van appellant niet langer buiten twijfel stond. Het betoog van appellant dat de antecedenten, die zich ten aanzien van hem hebben voorgedaan, te maken hebben met onvoldoende geschiktheid en niet met zijn betrouwbaarheid faalt. DNB heeft in dit verband terecht gewezen op de definitie van “betrouwbaarheid” in artikel 1 van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing en de daarbij behorende toelichting, alsmede op het belang dat er ten aanzien van invloedrijke personen bij trustkantoren geen twijfel mag bestaan over hun betrouwbaarheid. De rechtbank is hierop ingegaan in r.o. 6.5 en 7.2 van de bestreden uitspraak en heeft daarmee naar het College begrijpt het argument van appellant, dat het niet melden van de antecedenten ten onrechte is beoordeeld in de sfeer van betrouwbaarheid, verworpen. Het College is van oordeel dat het enkele feit dat in de bestreden uitspraak niet alle argumenten van eiser uitvoerig zijn besproken niet betekent dat de rechtbank daaraan geen aandacht zou hebben geschonken. Voorts heeft DNB in haar verweerschrift terecht aangevoerd dat uit de bestreden uitspraak geenszins volgt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door zelf argumenten aan te dragen. De hierop betrekking hebbende grieven (zie 4.2, 4.6 en 4.7) falen.

5.6 Het College overweegt ten slotte naar aanleiding van de in 4.4 weergegeven grief het volgende. Hoewel DNB onweersproken heeft gesteld dat de door appellant bedoelde, in het informatiebulletin van mei 2013 beschreven procedure, in het najaar van 2011 nog niet bestond, is het College van oordeel dat het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming voor de hand zou hebben gelegen om appellant, vóórdat het voorgenomen besluit tot het geven van een aanwijzing werd genomen, te doen horen, opdat appellant in dat stadium zijn visie ten aanzien van de door DNB geconstateerde antecedenten had kunnen geven. Het College verbindt hier evenwel geen conclusies aan, nu appellant de geconstateerde antecedenten niet heeft ontkend en voorts nadat het voorgenomen besluit tot het geven van een aanwijzing was genomen, alsnog is uitgenodigd voor een (zienswijze)gesprek, dat op 20 februari 2012 heeft plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag heeft appellant zijn visie ten aanzien van de geconstateerde antecedenten kunnen geven en is appellant uitvoerig op de diverse omstandigheden ingegaan, hetgeen verweerder betrokken heeft bij het (definitieve) besluit van 8 maart 2012 tot het geven van een aanwijzing. De grief faalt derhalve.

Uit de uitspraak blijkt dat het correct en volledig verstrekken van informatie essentieel is voor de beoordeling van beleidsbepalers en dat een aanwijzing kan worden gebruikt om te bereiken dat een beleidsbepaler vertrekt bij een trustkantoor. Voorts behoort DNB in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van een dergelijke aanwijzing de beleidsbepaler vooraf te horen.

Aanvulling 17 april 2014
Overigens vraag ik me af waarom deze procedure is gevoerd tussen de beleidsbepaler en DNB. Uiteraard heeft de beleidsbepaler een belang vanwege de negatieve beoordeling. Maar ook het trustkantoor heeft een belang, aangezien de aanwijzing tot het trustkantoor gericht is. Dit punt wil ik op een ander moment eens nader gaan bekijken.

Aanvulling 29 april 2014
Op de pagina waar de nieuwsbrief van DNB van vandaag naar verwijst wordt ook melding gemaakt van bovenstaande uitspraak. DNB verwijst naar dit bericht van 10 april 2014:

Aanwijzing tot heenzending beleidsbepaler trustkantoor onherroepelijk
Nieuwsbericht 10 april 2014

Het College van beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler van een trustkantoor niet langer buiten twijfel staat en dat DNB in redelijkheid aan het trustkantoor de aanwijzing heeft gegeven dat deze persoon het beleid van het trustkantoor niet meer (mede) kan bepalen.
Hoger beroep tegen uitspraak Rb Rotterdam, waarbij het beroep tegen een door DNB gegeven aanwijzing ongegrond is verklaard. De aan een onderneming van appellant gegeven aanwijzing betreft het volgen van de gedragslijn dat appellant het beleid van die onderneming niet meer kan bepalen of mede bepalen. De aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten dat zich volgens DNB ten aanzien van appellant heeft voorgedaan.

7 april 2014

Trustkantoren in antwoorden op kamervragen

door Ellen Timmer

De afgelopen tijd is de sector van de trustkantoren in antwoorden op kamervragen aan bod geweest:

  • Antwoord op vragen van de leden Van Ojik en Klaver (beiden GroenLinks) en Omtzigt (CDA), door de Tweede Kamer ontvangen op 12 maart 2014
  • Antwoord op vragen van de leden Van Ojik, Klaver (beiden GroenLinks) en Omtzigt (CDA), door de Tweede Kamer ontvangen op 18 maart 2014

In beide antwoorden wordt een uiteenzetting gegeven inzake de voor trustkantoren geldende integriteitsregelgeving.

7 april 2014

Bedrijfsleven financiert DNB maar heeft geen zeggenschap over de begroting van DNB

door Ellen Timmer

Prof. mr. Danny Busch maakt zich zorgen over het nieuwe systeem van financiering van DNB en AFM met ingang van 2015, zo blijkt uit dit bericht. Hij schrijft onder meer:

Het verdwijnen van financiële prikkels bij de overheid leidt er mogelijk toe dat er geen reden meer is voor de toezichthouders om kritisch te kijken naar de inzet van de middelen

De auteur constateert terecht dat het een vreemde zaak is dat invloed van degenen die de kosten moeten betalen op de bedrijfsvoering van de toezichthouders ontbreekt. Al eerder las ik berichten, waarin auteurs zich afvragen of de kosten van algemene voorlichting door DNB en AFM wel voor rekening van de vergunninghouders moeten komen.

Tags:
21 maart 2014

Nieuwe Wwft-meldplicht zonder relatie met witwassen/terrorismefinanciering

door Ellen Timmer

Door middel van de gewijzigde indicatoren introduceert de Nederlandse overheid een verplichting tot melding van transacties, zonder dat sprake hoeft te zijn van een vermoeden van witwassen of terrorismefinanciering. Zie hierover mijn artikel op mijn algemene weblog en het bericht op dit weblog inzake de nieuwe indicatoren voor trustkantoren.

De hiervoor genoemde gewijzigde indicatoren maken onderdeel uit van een consultatie die ik op dit weblog ook al heb aangekondigd. Aan die consultatie heb ik meegedaan; ik heb vragen gesteld over deze nieuwe meldplicht zonder relatie met witwassen of terrorismefinanciering.

Tags: