Archive for ‘Vaktechniek’

4 juli 2013

FATF-publicaties voor juridische beroepsbeoefenaren en over “Politically Exposed Persons”

door Ellen Timmer

Legal Professionals

Op 25 juni jl. heeft de FATF bekend gemaakt dat het rapport “Money Laundering and Terrorist Financing Vulnerabilities of Legal Professionals” is vastgesteld. Het rapport is in pdf-vorm ter beschikking gesteld.

Aan dit rapport is niet meegewerkt door internationale advocatenorganisatiede CC BE, de “Council of Bars & Law Societies of Europe“, aangezien de CC BE het niet eens was met de gekozen aanpak. Zie daarover mijn eerdere bericht en de daar genoemde bronnen.

De aankondiging op de FATF-site is hieronder weergegeven:

Money Laundering and Terrorist Financing Vulnerabilities of Legal Professionals

Criminals seek out the involvement of legal professionals in their ML/TF activities, sometimes because a legal professional is required to complete certain transactions, and sometimes to access specialised legal and notarial skills and services which could assist the laundering of the proceeds of crime and the funding of terrorism.

The report identifies a number of ML/TF methods that commonly employ or, in some countries, require the services of a legal professional. Inherently these activities pose ML/TF risk. When clients seek to misuse the legal professional’s services in these areas, even law abiding legal professionals may be vulnerable. The methods are:

  • misuse of client accounts
  • purchase of real property
  • creation of trusts and companies
  • management of trusts and companies
  • managing client affairs and making introductions
  • undertaking certain litigation
  • setting up and managing charities

The report also describes red flag indicators of ML/TF which may be useful to legal professionals, self-regulatory bodies (SRBs), competent authorities and law enforcement agencies.

In this report, over 100 case studies referring to these and other ML/TF methods were taken into account. Some of these case studies show that not all legal professionals are undertaking client due diligence (CDD) when required. Even where due diligence is obtained, if the legal professional lacks understanding of the ML/TF vulnerabilities and red flag indicators, they are less able to use that information to prevent the misuse of their services.

The report also challenges the perception sometimes held by criminals, and at times supported by claims from legal professionals themselves, that legal professional privilege or professional secrecy would lawfully enable a legal professional to continue to act for a client who was engaging in criminal activity and/or prevent law enforcement from accessing information to enable the client to be prosecuted.

Politically Exposed Persons

Voorts heeft de FATF ook zijn licht laten schijnen over de PEP’s, de “Politically Exposed Persons”. Over dat onderwerp werd onlangs de “FATF Guidance: Politically Exposed Persons (Recommendations 12 and 22)” uitgebracht. Zie voor de aankondiging deze pagina; het rapport (pdf) is hier te vinden.

Tags: ,
4 juli 2013

Bericht DNB over doorstroomvennootschappen

door Ellen Timmer

Vandaag heeft DNB een nieuwsbrief uitgebracht waarin onder meer het nieuwe fenomeen doorstroomvennootschappen aan de orde komt. DNB schrijft:

Doorstroomvennootschappen van trustkantoren onderzocht door DNB

Nieuwsbericht
Datum 4 juli 2013

DNB constateert grote integriteitsrisico’s bij trustkantoren die Ubo-Ubo structuren in combinatie met adviesdiensten of handelsactiviteiten mogelijk maken via eigen doorstroomvennootschappen. Dienstverlening via deze structuren vergroot de risico’s op het witwassen van geld door cliënten.

Dit voorjaar heeft DNB onderzoek gedaan bij vier trustkantoren naar de dienstverlening via zogenoemde doorstroomvennootschappen. Doorstroomvennootschappen (of inhouse-vennootschappen) zijn vennootschappen die tot dezelfde groep behoren als het trustkantoor en gebruikt worden voor de dienstverlening aan klanten. Deze vorm van dienstverlening valt sinds juli 2012 onder de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) en daarmee onder het toezicht van DNB.

Uit het onderzoek blijkt dat trustkantoren deze doorstroomvennootschappen voor zeer verschillende vormen van dienstverlening gebruiken. Van diensten voor bedrijven die rechten op intellectueel eigendom en image rights exploiteren tot diensten voor consultancybureaus. Handels- en financieringsactiviteiten, zoals het uit- en doorlenen van een door de cliënt verstrekte lening of eenmalige financiële transacties, zijn ook diensten die trustkantoren via doorstroomvennootschappen hun cliënten aanbieden.

Risicostructuren
In een aantal gevallen blijkt deze vorm van dienstverlening een verhoogde kans op integriteitrisico’s met zich mee te brengen, zo constateert DNB. Bijvoorbeeld in geval een doorstroomvennootschap diensten afneemt van een cliënt, en deze vervolgens aan een onderneming van diezelfde cliënt levert; ook wel ultimate beneficial owner (UBO) genoemd. Deze zogenaamde ‘ubo-ubo structuren’ worden vooral gebruikt voor consultancy diensten en handelsactiviteiten.

Een praktijkvoorbeeld hiervan is een structuur waarbij de cliënt, een vennootschap, de doorstroomvennootschap inhuurde voor het doen van internationaal marktonderzoek op het gebied van telecommunicatie. De doorstroomvennootschap huurde vervolgens een buitenlandse vennootschap in om dit marktonderzoek feitelijk uit te voeren. Vervolgens bleek dat de UBO van deze buitenlandse vennootschap ook de UBO en/of directeur van de cliënt was, die in eerste instantie de doorstroomvennootschap inhuurde voor het uitvoeren van het betreffende marktonderzoek. In een dergelijke situatie is het voor een trustkantoor lastig om vast te stellen of het marktonderzoek daadwerkelijk en tegen een redelijke prijs wordt uitgevoerd, en of de structuur niet gebruikt wordt voor bijvoorbeeld het witwassen van geld.

Verplichting
Trustkantoren zijn bij deze dienstverlening verplicht op grond van artikel 16a Regeling interne bedrijfsvoering Wtt (Rib), vast te stellen of, net als bij ‘reguliere’ consultancy doelvennootschappen, de geleverde consultancy diensten daadwerkelijk zijn geleverd én of de afgesproken prijs redelijk is. Dit is noodzakelijk om de integriteitsrisico’s te beperken.

DNB heeft de betreffende trustkantoren gewezen op de geconstateerde verhoogde integriteitrisico’s en ziet er op toe dat zij passende maatregelen nemen om deze risico’s op te sporen en te beperken. Bijvoorbeeld door deze klanten regelmatiger te monitoren en hun cliëntendossiers vaker te reviewen. Een aantal trustkantoren heeft inmiddels afscheid genomen van klanten met dergelijke hoog risicostructuren. Wanneer de betreffende trustkantoren onvoldoende maatregelen nemen zal DNB handhavend optreden.

3 juli 2013

Nieuwe Richtsnoeren Wwft voor belastingadviseurs

door Ellen Timmer

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) heeft bekend gemaakt dat er overleg is met de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) over nieuwe Richtsnoeren ter uitvoering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

De NOB heeft al Richtsnoeren vastgesteld. Dit zijn de Richtsnoeren van 24 juni 2013, “Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) voor belastingadviseurs“. Deze richten zich uitsluitend op belastingadviseurs.

Naar verwachting zal er te zijner tijd een versie van NOB en NBA gezamenlijk verschijnen.

De NOB schrijft:

Berichtdatum: 28-06-2013

De NOB heeft in samenspraak met het RB en de werkgroep Fraude van de NBA de Richtsnoeren voor de interpretatie van de WWFT voor belastingadviseurs en accountants geactualiseerd. Deze Richtsnoeren zullen voor leden van de NBA de status van een NBA-Handreiking krijgen na goedkeuring door het bestuur van de NBA en consultatie van de leden. Gezien het belang voor de praktijk heeft de NOB besloten de richtsnoeren voor belastingadviseurs alvast te publiceren. Mogelijk dat naar aanleiding van de procedure bij de NBA tot het aanbrengen van wijzigingen besloten wordt. In dat geval zal een nieuwe versie worden uitgebracht.

Tags:
3 juni 2013

DNB jaagt op ‘virtuele trustkantoren’

door Ellen Timmer

Vandaag verscheen een bericht in het AD onder de titel “DNB jaagt op wegsluiskantoren“. Dit artikel is ook door De Telegraaf en RTL-Z overgenomen. Wat de aanleiding voor het artikel is, wordt niet duidelijk. In het artikel wordt gemeld dat het om iets meer dan tien ondernemingen gaat, “maar vermoedelijk verdwijnen via deze instellingen jaarlijks miljoenen euro’s uit het zicht van autoriteiten“.

De activiteiten van DNB zijn gebaseerd op de wijziging van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) per 1 juli 2012, op grond waarvan het begrip “trustkantoren” is verruimd met de zgn. “virtuele trustkantoren”, een hoogst merkwaardige term. Over dit begrip schreef ik het artikel “Virtuele trustkantoren bestaan niet”. Voorts bespreek ik in een ander artikel een nota (parlementaire geschiedenis) waarin dit begrip aan de orde komt. Zie voorts de nieuwsbrief van DNB van juli 2012, onder het kopje “virtuele trustkantoren”.

27 mei 2013

The anti-money laundering system in the context of globalisation: a Panopticon built on quicksand? (proefschrift)

door Ellen Timmer

In 2011 verscheen het proefschrift van mevrouw Liliya Gelemerova, “The anti-money laundering system in the context of globalisation: a Panopticon built on quicksand?“. Uit het proefschrift blijkt dat de customer due diligence van de antiwitwaswetgeving niet goed functioneert. Zie hierover het persbericht van de universiteit van Tilburg. Inmiddels is de pdf-versie van dit proefschrift bekend gemaakt, zodat iedereen van het proefschrift kan kennis nemen.

Tags:
23 mei 2013

Nieuwe leidraad Wwft door rijksoverheid

door Ellen Timmer

Het ministerie van financiën heeft een geactualiseerde Wwft leidraad gepubliceerd. Via deze pagina is het zonder enige toelichting te vinden. Vreemd is dat dit bericht niet door de rijksoverheid wordt bekend gemaakt.

Ik kwam het voor het eerst tegen in een bericht van AccountancyNieuws van 22 mei 2013. Bij FIU Nederland is dit nieuws nog niet te vinden en staat nog de oude leidraad uit 2011.

Het illustreert het eerder door mij gesignaleerde gebrekkige informatiebeleid van de rijksoverheid.

Tags:
16 mei 2013

Nieuwe wijzigingen van de Wet toezicht trustkantoren in aantocht

door Ellen Timmer

Gisteren is door de minister van financiën een voorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014” bekend gemaakt. Van dit voorstel maakt ook een wijziging van de Wtt deel uit. Het voorstel inzake de Wtt luidt:

ARTIKEL XIV

De Wet toezicht trustkantoren wordt als volgt gewijzigd:

A
Artikel 1, onderdeel c, komt te luiden:

c. uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die:

1°. een belang houdt van meer dan 25 procent in het kapitaal van een rechtspersoon;
2°. meer dan 25 procent van de stemrechten kan uitoefenen in de algemene vergadering van een rechtspersoon;
3°. feitelijk zeggenschap kan uitoefenen in een rechtspersoon;
4°. begunstigde van 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust is; of
5°. een bijzondere zeggenschap heeft over 25 procent of meer van het vermogen van een rechtspersoon of een trust;

tenzij die rechtspersoon een vennootschap is die is onderworpen aan openbaarmakingvereisten als bedoeld in Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/334/EG van de Raad (PbEU 2004, L 390) of aan voorschriften van een internationale organisatie die gelijkwaardig zijn aan die richtlijn;.

B
In artikel 2a wordt “artikel 2, eerste, tweede of derde lid,” telkens vervangen door: de bij of krachtens de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 10, eerste lid, gestelde regels,.

C
In artikel 9, eerste lid, onderdeel b, wordt “artikel 2, derde lid” vervangen door: artikel 2a, eerste lid.

D
Artikel 10, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In de aanhef wordt “, zodanig dat” vervangen door: die ertoe strekken dat.

2. De onderdelen a en b komen te luiden:

a. het trustkantoor cliëntenonderzoek verricht dat het trustkantoor onder meer in staat stelt de identiteit te kennen van de cliënt en de uiteindelijk belanghebbende of over informatie te beschikken waaruit blijkt dat er geen uiteindelijk belanghebbende is;
b. het trustkantoor kennis heeft van de herkomst en de bestemming van de gelden van de doelvennootschap, de trust of de vennootschap waarvan het trustkantoor gebruikmaakt in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 5°;.

3. In onderdeel e wordt “de uiteindelijk belanghebbende” vervangen door “de cliënt of de uiteindelijk belanghebbende” en wordt de punt aan het eind van subonderdeel 4° vervangen door een puntkomma.

4. Onderdeel f komt te luiden:

f. het trustkantoor bij het bemiddelen bij de verkoop van een vennootschap in de zin van artikel 1, onderdeel d, onder 3°, de identiteit kent van de koper en de verkoper en van de uiteindelijk belanghebbende van de koper en de verkoper;.

5. Onderdeel h wordt vervangen door twee onderdelen, luidende:

h. het trustkantoor kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden;
i. door het trustkantoor geen dienst wordt verleend, indien niet wordt voldaan aan onderdeel a.

Dit wordt als volgt toegelicht in de memorie van toelichting:

g. wijzigingen Wtt
De inhoudelijke wijzigingen van de Wet toezicht trustkantoren hebben betrekking op de definitie van het begrip ‘Uiteindelijk belanghebbende’ en de formulering van de grondslag voor nadere regels inzake integere bedrijfsvoering. Deze wijzigingen houden verband met de recente uitbreiding van de reikwijdte van de wet en de voorziene aanscherping van de regels inzake integere bedrijfsvoering voor trustkantoren.

(…)

ARTIKEL XIV
A
De definitie van uiteindelijk belanghebbende in artikel 1, onderdeel c, wordt opnieuw vastgesteld in verband met de verruiming van de reikwijdte van deze bepaling. Thans is deze definitie nog gericht op de doelvennootschap, overeenkomstig de reikwijdte van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), zoals die tot 1 juli 2012 gold. Sinds die datum vallen ook het gebruik van een vennootschap ten behoeve van een cliënt en het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen onder deze wet. In de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren zijn per diezelfde datum regels gesteld met betrekking tot het onderzoek dat trustkantoren moeten uitvoeren naar de uiteindelijk belanghebbenden van partijen die betrokken zijn bij die dienstverlening. De voorgestelde herziening van de definitie van uiteindelijk belanghebbende strekt ertoe, die regels beter te laten aansluiten bij de Wtt. Voor de formulering is aangesloten bij de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

B en C
De wijzigingen in de artikelen 2a en 9 strekken tot herstel van enkele omissies. De vrijstelling en ontheffing op grond van artikel 2a moeten, naast de vergunningplicht, kunnen zien op alle overige verplichtingen bij of krachtens deze wet gesteld. Daartoe wordt voorgesteld ook te verwijzen naar artikel 10, eerste lid, op grond waarvan regels worden gesteld met het oog op een integere bedrijfs- voering. Voorts wordt in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, ten onrechte verwezen naar artikel 2, derde lid, waar verwezen had moeten worden naar artikel 2a, eerste lid. Met de onderhavige wijziging wordt deze fout hersteld.

D
Artikel 10, eerste lid, bevat de grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels ten behoeve van een integere bedrijfsvoering. Daarbij wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van regels die binnen de reikwijdte van die grondslag vallen. Deze bepaling is uitgewerkt in de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren. Die regeling is per 1 juli 2012 aangevuld met regels gerelateerd aan de diensten die per diezelfde datum onder de reikwijdte van de Wtt zijn gebracht. Om hiervan blijk te geven wordt voorgesteld die regels te benoemen in de opsomming in artikel 10 van de Wtt. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt te verduidelijken dat een trustkantoor in algemene zin kennis heeft van het doel van zijn dienstverlening en onderzoekt of aan die dienstverlening integriteitsrisico’s zijn verbonden. Dit sluit aan bij de huidige praktijk.

7 mei 2013

Negatief betrouwbaarheidsoordeel DNB inzake beleidsbepaler (uitspraak Rechtbank Rotterdam)

door Ellen Timmer

De Rechtbank Rotterdam oordeelt in een uitspraak van 28 maart 2013 dat DNB in redelijkheid aan trustkantoor Y de aanwijzing heeft kunnen gegeven dat de heer X het beleid niet meer mag (mede)bepalen [*] op grond van een negatief betrouwbaarheidsoordeel.
Dit oordeel berust op het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens over toezichtsantecedenten (boetes en melden intrekking vergunning) en X’ arbeidsverleden. Dat de toezichtsantecedenten van X afkomstig zijn van een andere toezichthouder een andere vennootschap betroffen speelt geen rol, omdat X als bestuurder/beleidsbepaler betrokken was bij zowel trustkantoor Y als de andere vennootschap. Uit de uitspraak blijkt dat DNB de aanwijzing op het volgende heeft gebaseerd:

Deze aanwijzing, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, waarbij DNB het volgende in aanmerking heeft genomen:
– twee boetebesluiten van onderscheidenlijk 19 mei 2008 (één boete) en 17 december 2009 (twee boetes) wegens overtreding van de artikelen 16 en 17 van de Landsverordening toezicht trustwezen (Ltt) door [D] (het niet of niet tijdig indienen van de jaarrekeningen en andere stukken over verscheidene jaren);
– het niet onverwijld melden van deze opgelegde (inmiddels onherroepelijke) boetes;
– het niet onverwijld melden van het intrekken van de vergunning van [D] op 14 juli 2010;
– het bij de aanvraag van 18 juli 2011 en in het telefoongesprek op 11 november 2011 door eiser aan DNB verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens over de toezichtsantecedenten en zijn arbeidsverleden.

Wat betreft eisers arbeidsverleden heeft DNB vastgesteld dat eiser nimmer de functie van ‘general counsel’ bij CBCS en/of DNB heeft uitgeoefend, zoals in zijn curriculum vitae is vermeld. Ook met betrekking tot de door hem vermelde adviseursfunctie van de toenmalige president van DNB, dr. W. Duisenberg, heeft DNB vastgesteld dat deze niet op waarheid berust.
Als bijkomende toezichtsantecedenten heeft DNB aangemerkt dat [D], onder verantwoordelijkheid van eiser, niet tijdig een lokaal bestuurder heeft benoemd, de opgelegde boetes niet heeft betaald en structureel te laat is met het betalen van de toezichtskosten.

De uitspraak illustreert het belang van correcte en complete informatieverstrekking aan DNB. Dat betreft niet alleen het melden van opgelegde sancties, maar ook juiste gegevensverstrekking inzake uitgeoefende functies.

[*] Zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren.

3 mei 2013

Wijzigingen in voor trustkantoren relevante informatie van DNB

door Ellen Timmer

Uit de nieuwsbrief van DNB van heden blijkt dat een aantal internetpagina’s met voor trustkantoren relevante informatie zijn aangepast. Onderstaand een overzicht van de pagina’s met de toelichting van DNB over de inhoud.

  • Toetsing bestuurders, commissarissen en andere beleidsbepalers. Bestuurders, commissarissen en andere beleidsbepalers van onder toezicht staande ondernemingen worden op betrouwbaarheid en/of geschiktheid getoetst. Afhankelijk van het type onderneming wordt deze toetsing uitgevoerd door DNB of AFM. Een voorgenomen benoeming dient altijd gemeld te worden aan DNB, via het Meldingsformulier Benoeming. Als de kandidaat niet eerder door DNB of AFM is getoetst, moet ook het Betrouwbaarheidsformulier ingediend worden.
  • Wegwijs in sanctieregelgeving. Op deze pagina zijn de vindplaatsen van alle informatie inzake sanctieregelingen, ontheffingsmogelijkheden, meldingen en vragen opgenomen.
  • 16 april 2013

    Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren

    door Ellen Timmer

    Op 28 maart jl. heeft College van Beroep voor het bedrijfsleven een belangrijke uitspraak gedaan over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze uitspraak een bredere betekenis voor het financiële toezichtrecht. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:

    • “domicilieverlening” in de zin van de Wtt
    • de grondslag voor de ‘documentatieverplichtingen’ voor trustkantoren
    • bestuursrechtelijke resultaatsverplichtingen
    • de bewijslast
    • de wijze waarop de last is omschreven in de last onder dwangsom
    • de cautie

    Belangrijke overwegingen over de ‘resultaatsverplichtingen’ in het bestuursrecht:

    5.3.6  Ten aanzien van de achtste, elfde en twaalfde grief van [appellant] overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op trustkantoren op grond van de artikelen 12, 13, 14 en 18 van de Rib een aantal duidelijke (resultaats)verplichtingen rust. De in deze artikelen neergelegde verplichtingen zijn concreet ten aanzien van het verzamelen, controleren en administreren van specifiek omschreven informatie. Het College vermag niet in te zien dat het hier niet (ook) om resultaatsverplichtingen zou gaan, nu specifiek is bepaald over welke kennis het trustkantoor dient te beschikken en welke gegevens opgevraagd en in de cliëntadministratie vastgelegd moeten worden. Dat een trustkantoor, zoals [appellant] betoogt, wellicht “geen absolute zekerheid” kan verkrijgen omtrent een deel van de onderwerpen waarvan documentatie is vereist, doet daar niet aan af. Daargelaten wat onder “absolute zekerheid” moet worden verstaan, merkt het College op dat “absolute zekerheid” niet de maatstaf is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een trustkantoor aan de uit de Wtt en Rib voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
    De stelling van [appellant] dat ten aanzien van de verplichtingen op grond van het eerste lid van artikel 10 Wtt en de Rib voor haar niet (voldoende) kenbaar is geweest op welke wijze zij daaraan moest voldoen, kan niet worden gevolgd. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de in de Rib neergelegde normen voldoende concreet duidelijk maken, welke handelingen van een trustkantoor worden verlangd.
    Het College ziet voorts in de gedingstukken geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen die DNB aan de inrichting van het cliëntacceptatiedossier en het vergaren van de gevraagde informatie heeft gesteld, voor [appellant] niet voldoende duidelijk waren of dat deze eisen, zoals [appellant] heeft gesteld, zouden hebben gewisseld. Uit de stukken blijkt dat DNB in haar brieven naar aanleiding van de gehouden bezoeken steeds uiteen heeft gezet waarom en op welke punten de dossiers van [appellant] te kort schoten.

    Op een later tijdstip hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de betekenis van deze uitspraak voor de financiële toezichtpraktijk.

    Tags: , , ,