Archive for ‘Vaktechniek’

13 juni 2014

Beantwoording kamervragen over de trustkantorensector

door Ellen Timmer

Onlangs zijn kamervragen beantwoord inzake de trustsector. In de vraag en het antwoord komt de dienstverlening aan commanditaire vennootschappen aan bod, wordt vermeld dat de nieuwe Rib in aantocht is en wordt het algemene juridische kader geschetst.

Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2013-2014
Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

2118
Vragen van de leden Nijboer en Groot (beiden PvdA) aan de Minister en de Staatssecretaris van Financiën over het alarmerende bericht dat de integriteit van trustkantoren in het geding is (ingezonden 6 mei 2014).
Antwoord van Minister Dijsselbloem (Financiën), mede namens de Staatssecretaris van Financiën (ontvangen 3 juni 2014).

Vraag 1
Deelt u de conclusies van het onderzoek van de Nederlandsche Bank (DNB), waaruit zou blijken dat trustkantoren onaanvaardbare risico’s nemen met cv-structuren, bestuurders hun uitvoerende en controlerende functies niet scheiden, controle van de herkomst van gestald vermogen ontbreekt en misstanden vaak niet tot verbetering leiden? [1]

Antwoord 1
Ja

Vraag 2
Deelt u de mening dat, gezien de stevige kritiek van DNB, de trustsector risico’s meebrengt voor onze economie en dat er daarom reden is voor waakzaamheid en er snelle actie wordt verlangd van de toezichthouder? Zo ja, welke aanvullende acties zal DNB inzetten en welke verbeteringen zal zij afdwingen? Welke maatregelen neemt het Ministerie van Financiën zelf?

Antwoord 2
Ja, zoals ik in mijn eerdere reactie op het DNB onderzoek heb aangegeven (brief van 14 mei jl) vind ik resultaten van het onderzoek door DNB verontrustend. De aard van het trustbedrijf brengt meer dan gemiddelde risico’s met zich mee. Van het trustkantoor wordt verwacht dat zij zich vergewissen van de identiteit en intenties van hun cliënten voordat het trustkantoor hen toegang verleent tot de financiële markten.
Het toezicht op trustkantoren is een van de speerpunten van DNB. In dat verband voert DNB naast het reguliere toezicht op trustkantoren ook regelmatig onderzoeken naar specifieke onderdelen van de bedrijfsvoering van trustkantoren uit. Als gevolg van het laatste onderzoek naar functiescheiding en CV structuren bij trustkantoren heeft dit geleid tot formele maatregelen. Daarnaast laten de recente vervolg acties van het Openbaar Ministerie bij een aantal trustkantoren zien dat de resultaten van het DNB onderzoek de basis kunnen vormen voor een strafrechtelijke onderzoek.
Binnenkort zal ik de nieuwe Regeling Integere Bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (RibWtt 2014) publiceren. Met deze regeling worden de regels rond de integere bedrijfsvoering voor trustkantoren aangescherpt. Voorziene inwerkingtreding is 1 januari 2015. In de regeling zullen aanvullende specifieke eisen worden gesteld aan de bedrijfsvoering van trustkantoren. Zo zullen de nieuwe regels trustkantoren verplichten om een derdelijns controlefunctie, een auditfunctie, in te voeren en periodiek een analyse te maken van de risico’s die zijn verbonden aan de bedrijfsvoering én aan de dienstverlening van het trustkantoor.

Vraag 3
In hoeverre dragen de vorig jaar door het kabinet genomen maatregelen bij aan het voorkomen van schadelijke belastingontwijking via trustkantoren? [2] Ziet u naar aanleiding van het onderzoek van DNB aanleiding voor aanvullende maatregelen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3
De maatregelen die het kabinet vorig jaar heeft genomen waren gericht tegen het gebruik van schakelvennootschappen in Nederland met zo weinig economische betekenis dat de vraag gerechtvaardigd is of deze vennootschappen (meestal BV’s) terecht een beroep doen op een door Nederland gesloten belastingverdrag. Die problematiek staat los van het gebruik van Nederlandse besloten CVs zoals die in het DNB rapport wordt beschreven. De in het rapport beschreven structuren lijken er meer op gericht de balans tussen enerzijds aftrekbare kosten en anderzijds de belasting over diezelfde vergoeding te verbreken.
Een besloten CV is een samenwerkingsverband waarbij naar Nederlands recht de deelnemers belastingplichtig zijn en niet de CV zelf. Indien die deelnemers niet in Nederland wonen, en in Nederland geen vaste inrichting hebben, kan Nederland dus ook bij hen geen belasting heffen over de vergoeding die de CV ontvangt. Indien de deelnemers in hun woonland wel direct belastingplichtig zijn voor die inkomsten hebben zij een eigen verantwoordelijkheid om deze inkomsten in hun woonstaat aan te geven. Uiteraard zal de Nederlandse belastingdienst, binnen de daarvoor geldende regelingen, de autoriteiten van andere landen alle gewenste informatie verstrekken over de behandeling van CV’s in Nederland.

Vraag 4
Wat is uw antwoord op de vraag van DNB of een internationale structuur met een Nederlands cv nog wel past binnen het aanbod van trustkantoren? [3] Welke rol spelen trustkantoren en cv’s in fiscale constructies als de «Double Irish with a Dutch Sandwich»? Hoe beoordeelt u dergelijke fiscale constructies conform de letter en hoe conform de geest van de Nederlandse wetgeving?

Antwoord 4
Het aanbieden van diensten door trustkantoren waarbij gebruikt wordt gemaakt van CV’s vind ik risicovol. Op grond van de bepalingen van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) hebben trustkantoren de verplichting zich te vergewissen van de identiteit en intenties van hun cliënten alvorens hen toegang te verlenen tot de Nederlandse financiële markten. Dit wordt de poortwachtersfunctie genoemd. Bij het gebruik van complexe CV structuren lijkt het vervullen van de poortwachterfunctie niet goed mogelijk en is er een risico dat het trustkantoor wordt misbruikt voor het witwassen van crimineel geld. Een trustkantoor dat dit risico niet afdoende afdekt bijvoorbeeld door onvoldoende zicht op de uiteindelijk belanghebbende, handelt in strijd met de Wtt.
In structuren die bekend staan onder diverse «sandwich» beschrijvingen gaat het niet om het in aftrek brengen van een vergoeding in het buitenland die in Nederland bij de CV buiten de belasting blijft. Dergelijke «sandwich» structuren spelen een rol bij het beperken van bronheffingen in het land waar een vennootschap actief is en waar die vennootschap ook belastingplichtig is voor de daar behaalde winst.
Voor zover dergelijke structuren in strijd zijn met de letter van de Nederlandse wet worden zij uiteraard door de Nederlandse Belastingdienst bestreden. Datzelfde geldt wanneer bestrijding aan de hand van de Nederlandse leer van fraus legis kansrijk lijkt.
Van structuren waarbij wordt ingespeeld op kwalificatieverschillen tussen nationale rechtssystemen kan moeilijk gezegd worden dat ze in strijd zijn met letter of geest van die nationale systemen. Internationaal wordt tegen dit soort structuren actie ondernomen, met name in het OESO/G20 project tegen Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) waaruit de eerste conclusies en aanbevelingen dit jaar verwacht worden. Nederland speelt daarin een actieve rol.

Vraag 5
Is een maatregel als een verplichte certificering voor bestuurders van trustkantoren wenselijk? Zo nee, waarom niet? Welke mogelijkheden ziet u verder om de integriteit en kwaliteit van bestuurders van trustkantoren beter te bewaken?

Antwoord 5
DNB controleert of de bestuurders en beleidsbepalers van het trustkantoor deskundig en betrouwbaar zijn. Op grond van de RibWtt 2014 is het bestuur van een trustkantoor verantwoordelijk voor de integere bedrijfsvoering en draagt het zorg voor inbedding van deze procedures, regels en normen in het volledige bedrijfsproces en voor controle op de naleving hiervan. Daarnaast heeft de trustsector het initiatief genomen om elkaar te controleren teneinde het aanzien van de sector te verbeteren. Dit zal geschieden door middel van een certificeringsysteem van de brancheorganisatie Holland Questor. Een dergelijk privaat certificeringsysteem kan behulpzaam zijn om het imago van de trustsector te verbeteren.

Noten

[1] Het Financieele Dagblad, 2 mei 2014, p.1–3 en http://www.dnb.nl/publicatie/publicaties-dnb/nieuwsbrieven/nieuwsbrief-trustkantoren/nieuwsbrief-trustkantoren-april-2014/dnb306898.jsp
[2] Kamerstuk 25 087, nr. 60, d.d. 30 augustus 2013
[3] Kamerstuk 33 695, nr. 4, d.d. 6 februari 2014

Vindplaats: overheid.nl

5 juni 2014

Bericht DNB over de uitleg van het begrip “receptiewerkzaamheden” (domicilieverlening)

door Ellen Timmer

DNB heeft op 3 juni 2014 op zijn website het onderstaande bericht geplaatst over de uitleg van het begrip “receptiewerkzaamheden” in het kader van het onderscheid tussen Wwft-domicilie en Wtt-domicilie:

Trustkantoren – Receptiewerkzaamheden

Datum: 3 juni 2014.
Status: Factsheet
Referentie: 01622

De Wet toezicht trustkantoren bepaalt dat een trustdienst onder meer is het ter beschikking stellen van een adres mits er tenminste bijkomende werkzaamheden worden verricht.

Indien een trustkantoor een adres ter beschikking stelt aan een rechtspersoon of vennootschap en daarbij tevens bijkomende werkzaamheden verricht ten behoeve van die rechtspersoon of vennootschap of ten behoeve van een, tot dezelfde groep behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, wordt deze dienstverlening als een trustdienst beschouwd (artikel 1, sub d, onderdeel 2, Wet toezicht trustkantoren). Daarmee is de Wet toezicht trustkantoren van toepassing op deze dienstverlening.

Als bijkomende werkzaamheden worden onder meer beschouwd het op privaatrechtelijk gebied geven van advies of verlenen van bijstand. De wet zondert expliciet het verrichten van receptiewerkzaamheden uit en beschouwt dit niet als bijkomende werkzaamheid. Deze uitzondering is per 1 juli 2011 in de Wet toezicht trustkantoren opgenomen. Als receptiewerkzaamheden worden aangemerkt het doorschakelen van telefonisch verkeer en het doorzenden van ongeopende poststukken. Let op: de grens van enkel receptiewerkzaamheden wordt zeer snel overschreden. In de praktijk gaat het daarbij om het openen van een poststuk, het bewaren van documentatie, het voorschieten van een rekening, het legaliseren van buitenlandse documenten.

Het meer doen – hoe marginaal ook – voor een rechtspersoon of vennootschap (of ten behoeve van een, tot dezelfde groep behorende, andere rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon) waaraan een adres ter beschikking wordt gesteld, heeft tot gevolg dat een trustdienst wordt verricht waarop de Wtt van toepassing is. Aan een dergelijke trustdienst zijn vervolgens wettelijke verplichtingen verbonden zoals omschreven in de Regeling Integere Bedrijfsvoering (Rib). Let ook op de verplichtingen onder de Sanctiewet 1977.

In die gevallen waar inderdaad slechts een adres ter beschikking wordt gesteld, en dus de Wet toezicht trustkantoren niet van toepassing is, is wel de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) van toepassing. De Wwft kent een eigen wettelijk kader waarbinnen de dienstverlener de cliënt moet kennen. Deze wijken in essentie niet veel af van de vereisten onder de Wtt.

Tags: , ,
2 juni 2014

Over de bestrijding van het Kwaad | 126 vragen over de witwasbestrijding in Nederland

door Ellen Timmer

Voor mijn algemene weblog schreef ik het artikel “Over de bestrijding van het Kwaad | 126 vragen over de witwasbestrijding in Nederland” naar aanleiding van de vragen die een kamercommissie onlangs stelde over de witwasbestrijding in Nederland.

Tags:
27 mei 2014

Brief minister van financiën over toezicht op trustkantoren, onder meer met aankondiging dat de nieuwe Rib op 1 januari 2015 in werking zal treden

door Ellen Timmer

In het parlementaire dossier over evaluatie van trustkantoren is een brief van 14 mei 2014 van de minister van financiën opgenomen. Deze brief schrijft de minister naar aanleiding van berichten over tekortkomingen bij enkele door DNB onderzochte trustkantoren. De minister gaat in de brief onder meer in op functiescheiding en op de positie van kleine trustkantoren, en verder op de cliëntenacceptatie bij werkzaamheden voor commanditaire vennootschappen. Voorts kondigt de minister aan dat de Regeling integere bedrijfsvoering trustkantoren Wtt (“Rib”) zal worden aangescherpt en op 1 januari 2015 in werking zal treden.

Uit de brief:

Onlangs heeft DNB handhavend opgetreden naar aanleiding van geconstateerde tekortkomingen bij de naleving van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). De constateringen komen voort uit twee themaonderzoeken, het eerste naar functiescheiding bij kleine trustkantoren en het tweede naar het faciliteren van Nederlandse commanditaire vennootschapsstructuren (CV’s).

Het onderzoek naar functiescheiding richtte zich op kleine kantoren, waarbij met «klein» gedoeld wordt op een klein aantal medewerkers en (in bijna alle gevallen) maar één bestuurder. De reden voor deze selectie is de premisse dat de scheiding van functies tussen een controlerende en uitvoerende medewerker/bestuurder meer kwetsbaar is wanneer er maar weinig mensen zijn om de functies over te verdelen. Het risico dat er onvoldoende tegenwicht is om goede afwegingen te maken bij bijvoorbeeld cliëntacceptatie of bepaalde transacties moet daarom bij kleine kantoren extra scherp op het netvlies staan en passend gemitigeerd zijn.

Het onderzoek naar het faciliteren van CV’s richtte zich op zowel kleine als grotere kantoren. De feitelijke selectie van trustkantoren is voor beide onderzoeken gemaakt op basis van toezichtsinformatie van DNB én op de informatie die trustkantoren zelf in hun jaarlijkse rapportages aan DNB aanleveren.

Begin mei heeft DNB de resultaten van haar optreden in een nieuwsbrief gepubliceerd. Over de hele linie was er sprake van slecht gefundeerde afwegingen bij cliëntacceptatie die zich hoofdzakelijk openbaarde door een gebrek aan kennis over het doel van de structuur en de herkomst van het vermogen van de UBO. De controle op deze dossiers bleek vaak gebrekkig of in het geheel niet te zijn uitgevoerd.

Verder signaleert DNB onaanvaardbare risico’s met diensten waarbij trustkantoren het gebruik van CV’s door klanten faciliteren. De inkomsten voor dit type dienstverlening zijn in de regel laag maar brengen hoge risico’s met zich mee. Daarom vraagt DNB zich af waarom trustkantoren het gebruik van dergelijke structuren door hun klanten nog faciliteren. De structuur van deze CV constructies zijn vaak complex waardoor geldstromen die door een CV lopen buiten het blikveld blijven van het betrokken trustkantoor. Dit duidt op een hoog risico dat de CV structuur wordt misbruikt voor witwassen en fiscale fraude. Het invullen van de poortwachterfunctie lijkt op deze wijze niet goed mogelijk.

De twee thema onderzoeken hebben bij vier trustkantoren geleid tot het (vrijwillig) intrekken van de vergunning, in twee gevallen heeft DNB het voornemen om een boete op te leggen.

De resultaten van het onderzoek vind ik verontrustend. De aard van het trustbedrijf brengt meer dan gemiddelde risico’s met zich mee. Van het trustkantoor wordt verwacht dat zij zich vergewissen van de identiteit en intenties van hun cliënten voordat het trustkantoor hen toegang verleent tot de financiële markten. De integriteit van de trustsector dient buiten enige twijfel te staan.

Ik scherp de Regeling integere bedrijfsvoering trustkantoren Wtt aan. Voorziene inwerkingtreding is per 1 januari 2015. Zo zullen er in de toekomst aanvullende specifieke eisen worden gesteld aan de bedrijfsvoering van het trustkantoor, de diensten die het trustkantoor verleent en de risico’s die hieraan zijn verbonden. Hiertoe wordt een onderzoeksplicht opgenomen naar de risico’s ten aanzien van de integere bedrijfsvoering. Daarnaast is er een onderzoeksplicht naar de dienstverlening van de trustkantoren. Tevens wordt er naast de compliancefunctie een auditfunctie geïntroduceerd. Er wordt dus een extra controlefunctie ingericht als onderdeel van de bedrijfsvoering.

Er sprake kan zijn van een verhoogd integriteitrisico bij trustkantoren waar het dagelijks beleid wordt bepaald door niet meer dan één persoon. Dit heb ik onderkend in de wetgevingsbrief financiële markten 2013 (kamerstuk 32 545, nr. 14). Met de aanscherping van de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt wordt ondermeer door de introductie van de auditfunctie beoogd dit risico adequaat te ondervangen. Ik zal de aangescherpte regeling, in overleg met DNB als toezichthouder, een jaar na inwerkingtreding evalueren.

Tot slot heeft de branchevereniging Holland Quaestor aangegeven de onderzoeksresultaten van DNB zeer serieus te nemen. De trustsector zal elkaar gaan controleren teneinde het imago van deze sector te verbeteren. Dit zal geschieden door middel van een certificeringsysteem.

Meer informatie

  • Brief van de minister van financiën van 14 mei 2014, overheid.nl
  • Dossier evaluatie trustkantoren, 32 384
21 mei 2014

Openbaar Ministerie actief op het gebied van compliance verplichtingen van trustkantoren

door Ellen Timmer

Niet alleen De Nederlandsche Bank (DNB) houdt zich bezig met de naleving van de Wtt verplichtingen. Uit een bericht van het Openbaar Ministerie blijkt dat een aantal trustkantoren worden onderzocht, waarbij het bij een Amsterdams en Amstelveens trustkantoor gaat om niet-naleving van de verplichtingen tot cliëntenonderzoek.

Inzake de laatstgenoemde twee trustkantoren is door DNB strafrechtelijke aangifte gedaan. De interessante vraag is hoe het OM gaat beoordelen dat niet aan de verplichtingen tot cliëntenonderzoek is voldaan, nu daar geen heldere normen voor zijn. Normaliter is het DNB die toezicht houdt op de naleving van deze verplichtingen en constateert of er al dan niet aan de verplichtingen wordt voldaan. Het is dan ook bijzonder dat het OM schrijft (onderstreping door mij) “Het onderzoek tegen de twee trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam is gestart na een aangifte van DNB, dat de trustkantoren vermoedelijk niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek.

Over de onderzochte trustkantoren staat het volgende in het bericht:

Drie strafrechtelijke onderzoeken naar trustkantoren

De FIOD en Politie hebben vandaag een Amsterdams trustkantoor doorzocht. Het kantoor wordt verdacht van het tientallen keren niet doen van verplicht cliëntenonderzoek. Er is administratie in beslag genomen. Van een trustkantoor in Amstelveen zijn twee directeuren als verdachte gehoord. Ook hier is de verdenking dat zij tientallen keren het cliëntenonderzoek niet hebben uitgevoerd. In de omgeving van Eindhoven is een trustkantoor doorzocht vanwege het niet vrijwillig uitleveren van alle gevraagde informatie aan de belastingdienst. De niet uitgeleverde informatie is nu door de FIOD in beslag genomen. Alle drie de strafrechtelijke onderzoeken staan onder leiding van het Functioneel Parket.

Compliance trustsector
In Nederland zijn circa 289 vergunning houdende trustkantoren, die zich bedrijfsmatig bezig houden met het verlenen van trustdiensten, zoals het zijn van bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap. Integriteit is hierbij belangrijk. Het is in ieders belang dat de sector schoon blijft en dat de sector niet door criminelen gebruikt kan worden voor witwassen of belastingontduiking. Trustkantoren spelen een wezenlijke rol in het bewaken van de integriteit van de financiële sector in Nederland. Trustkantoren moeten hun bedrijfsvoering zo inrichten dat een integere bedrijfsvoering gewaarborgd is. Deze verplichting hebben zij op grond van Wet Toezicht trustkantoren, de hierop gebaseerde Regeling integere bedrijfsvoering en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) . Een van de belangrijkste onderdelen daarvan is het principe van cliëntonderzoek of customer due diligence (CDD) en het daarbij behorende principe dat een trustkantoor zich ook moet vergewissen van de herkomst van het vermogen en de bestemming van gelden. Wanneer trustkantoren de regels op dit gebied niet naleven, dan worden zij zeer kwetsbaar voor (crimineel) misbruik en wordt de cliënt onzichtbaar voor toezicht en controle door de overheid. Ook tegenover andere onderdelen van de overheid, zoals de Belastingdienst, dienen trustkantoren compliant te zijn. Het niet voldoen aan wettelijke verplichtingen is ongeoorloofd en daar treden wij samen met de toezichthouders tegen op.

Project TCSP
Het onderzoek naar het trustkantoor in de omgeving van Eindhoven komt voort uit het zogenoemde ‘Trust and Company Service Providers’-project (TCSP) van de belastingdienst en het Functioneel Parket. De belastingdienst voert boekenonderzoeken uit bij Trustkantoren om te controleren of trustkantoren ‘compliant’ zijn en de aangiften kloppen. Met het Functioneel Parket het de FIOD zijn afspraken gemaakt over de inzet van het strafrecht voor kantoren die niet voldoen aan verzoeken van de belastingdienst om gegevens uit te leveren.
Bij het trustkantoor in de omgeving van Eindhoven is door de fiscus een boekenonderzoek aangekondigd voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2012. Het onderzoek heeft ten doel de juistheid en volledigheid van de ingediende aangiften vast te stellen. Om het onderzoek uit te kunnen voeren is het kantoor verplicht om de administratie ter beschikking te stellen van de belastingdienst. Dit kantoor heeft ondanks herhaaldelijke verzoeken geweigerd om delen van de administratie te overhandigen. De FIOD is daarop onder leiding van het Functioneel Parket een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Project Niet-Melders
De onderzoeken naar de trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam zijn onderdeel van het project Niet-Melders, een gezamenlijk project van FIOD, de Nationale Recherche, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), het Bureau Financieel Toezicht (BFT), Belastingdienst Holland Midden/ Belastingdienst, Bureau Toezicht Wwft (BTW), De Nederlandsche Bank (DNB) en het Openbaar Ministerie (OM). De deelnemers aan het project willen dat instellingen hun cliëntonderzoek beter uitvoeren en vaker melding maken van ongebruikelijke transacties. Het niet naleven van de regels werkt ondermijnend, concurrentievervalsend en kan witwassen faciliteren. Daarom pakt de overheid dit aan. Het onderzoek tegen de twee trustkantoren in Amstelveen en Amsterdam is gestart na een aangifte van DNB, dat de trustkantoren vermoedelijk niet voldoen aan het verplichte cliëntenonderzoek. De twee aangiften van DNB zijn afkomstig uit een DNB-project waarin een groep trustkantoren zijn gecontroleerd op het doen van CDD.

9 mei 2014

Een nieuw juridisch beroep: de auditor

door Ellen Timmer

De wijziging van de uitvoeringsregeling voor trustkantoren [*] illustreert een ontwikkeling die gaande is in het financiële (toezicht)recht.

Tijdens de internetconsultatie over de nieuwe uitvoeringsregeling voor trustkantoren is dit concept (pdf) aan het publiek voorgelegd. In dat concept wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Uitvoering: dit zijn de mensen die zich binnen de onderneming bezig houden met het primaire proces: degenen die zorgen voor de ‘verkoop’ en voor het verzorgen van de overige primaire activiteiten (zoals het maken van cliëntacceptatiedossiers, het oprichten van rechtspersonen, het voeren van administraties). In het voorstel gaat het over trustkantoren, maar het zou net zo goed over banken, verzekeraars, tussenpersonen, notarissen en ICT-ondernemers kunnen gaan.
  • Compliance: de compliancemedewerkers zijn bezig met de naleving van wet- en regelgeving geldend voor de onderneming. Dit zijn de mensen die alle wet- en regelgeving bij houden, cursussen volgen en de mensen van de uitvoering op de huid zitten.
  • Audit: het voorstel introduceert een nieuwe functie, nl. degenen die de eerste twee categorieën personen moeten controleren, de (interne) “auditfunctie”. Het betreft hier een audit die ziet op naleving van wet- en regelgeving en niet op de financiële verantwoording. Het is dus een juridische audit.

Klein mag niet meer

Het concept als hiervoor beschreven is bij grotere ondernemingen al terug te vinden. Een trend is dat dat overheid een dergelijke scheiding ook aan kleine ondernemingen wil opleggen, wat voor de overheid meteen een mooie mogelijkheid biedt om de ondernemingen die in de ogen van de overheid te klein zijn uit het vak te verwijderen. Bij trustkantoren is die ontwikkeling al in volle gang. In een brief van 27 juni 2013 heeft DNB gevraagd om maatregelen tegen kleine trustkantoren. De Bank vraagt in de brief de Wtt aan te vullen met de eis dat bij trustkantoren er ten minste twee natuurlijke personen optreden als dagelijkse beleidsbepaler. En dat is niet het enige.

De juridische audit in het consultatievoorstel

In de consultatietekst staat in artikel 7 lid 2:

Een trustkantoor draagt er zorg voor dat op onafhankelijke en effectieve wijze een auditfunctie wordt uitgeoefend ten aanzien van haar werkzaamheden en de compliancefunctie. De auditfunctie is gericht op het controleren van de naleving door het trustkantoor van het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek en de uitvoering van de compliancefunctie.

Uit deze tekst blijkt dat deze audit helemaal niets te maken heeft met de financieel getinte audit die accountants uitvoeren.

Vervolgens wordt in de toelichting onder meer het volgende opgemerkt, mensen die van ‘moderne’ toezichtconcepten houden zullen hier van smullen (onderstreping door mij):

Een trustkantoor dient ervoor te zorgen dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie en een auditfunctie worden uitgeoefend. Voor de formulering van dit artikel is ten dele aangesloten bij artikel 21 van het Besluit prudentiële regels Wft waarin de compliancefunctie voor bepaalde financiële ondernemingen is geregeld.
De compliancefunctie is gericht op de naleving door het trustkantoor van de Wet toezicht trustkantoren, de onderhavige regeling en het eigen procedurehandboek. De compliancefunctie is bedoeld voor controle op de dagelijkse gang van zaken. Gebruikelijk zal deze controle intern kunnen worden uitgevoerd door medewerkers van het trustkantoor die niet betrokken zijn of waren bij de te controleren werkzaamheden (onafhankelijkheid) en daartoe voldoende zijn toegerust (effectiviteit). Bij grotere trustkantoren is denkbaar dat een aparte complianceafdeling wordt ingericht waarvan de medewerkers zijn vrijgesteld van commerciële dienstverlening.
De auditfunctie is daarnaast ook gericht op de uitoefening van de compliancefunctie; in zoverre is sprake van controle op controle. Dit is met name van belang waar de compliancefunctie wordt uitgeoefend door medewerkers van het trustkantoor die ook betrokken zijn bij commerciële dienstverlening. Naar gelang de compliancefunctie meer op afstand staat van de uitvoering van werkzaamheden, zal de auditfunctie minder intensief kunnen zijn. Voor de vereiste intensiviteit van de auditfunctie zijn verder de complexiteit en het risicoprofiel van de dienstverlening van belang. Procedures inzake compliance en audit moeten worden opgenomen in het procedurehandboek. Zodoende kan de toezichthouder de voorziene intensiteit en frequentie van de auditfunctie toetsen aan alle omstandigheden. In het procedurehandboek moet verder worden vermeld welke natuurlijke personen de auditfunctie kunnen uitoefenen.
In het derde lid is geregeld dat een trustkantoor de onafhankelijkheid van de compliance- en auditfunctie moet waarborgen. Daartoe dient het trustkantoor in elk geval te voorkomen dat degenen die deze functies uitoefenen hun eigen werk controleren. Ten aanzien van bestuurders van een trustkantoor geldt in dit opzicht een nog strengere regel: zij mogen als eindverantwoordelijken binnen het trustkantoor geen auditfunctie uitoefenen en in de uitoefening van de compliancefunctie mogen zij niet kruiselings elkaars werk controleren. De opsomming van maatregelen in het derde lid is niet limitatief: een trustkantoor zal in voorkomend geval aanvullende maatregelen moeten nemen om te waarborgen dat bij de uitoefening van de compliance- en auditfunctie geen sprake kan zijn van belangenverstrengeling. De toezichthouder kan hierover nadere regels stellen op grond van het zesde lid.
Zoals hiervoor al vermeld moet er voldoende afstand zijn tussen werkzaamheden en controle ter voorkoming van belangenverstrengeling. De compliancefunctie moet op voldoende afstand staan van uitvoering, en de auditfunctie moet op voldoende afstand staan van uitvoering en compliance. Zo zou een middelgroot trustkantoor de compliancefunctie intern kunnen realiseren (uitvoerende medewerkers controleren elkaars werkzaamheden) en de auditfunctie kunnen uitbesteden. Een groot trustkantoor zou ervoor kunnen kiezen ook de auditfunctie intern te beleggen, in een aparte afdeling die los van uitvoering en compliance opereert en direct rapporteert aan het bestuur. Een klein trustkantoor daarentegen zou genoopt kunnen zijn ook de compliancefunctie uit te besteden. In dit laatste geval is van belang de afstand tussen compliance en audit te bewaken. Zo zal de auditfunctie niet mogen worden uitbesteed aan een rechtspersoon die ook de compliancefunctie uitoefent of heeft uitgeoefend, of die deel uitmaakt van dezelfde groep als degene die de compliancefunctie uitoefent of heeft uitgeoefend. In het algemeen zal een trustkantoor de compliance- of auditfunctie niet mogen uitbesteden aan een persoon of rechtspersoon die tevens controle- of adviesdiensten voor dat trustkantoor verricht.
In het vierde lid is geregeld dat de bevindingen van de compliancefunctie en de auditfunctie, waaronder met name gesignaleerde tekortkomingen of gebreken, worden gerapporteerd aan het bestuur. Deze rapportageverplichtingen gelden onafhankelijk van elkaar; bevindingen uit de compliancefunctie moeten dus worden gemeld aan het bestuur ongeacht te rapporteren bevindingen uit de auditfunctie. Deze rapportageverplichtingen zijn voorts te onderscheiden van de verplichting op grond van artikel 11, eerste lid, om de toezichthouder onverwijld te informeren in geval van incidenten. Denkbaar is dat een tekortkoming eerst intern wordt gerapporteerd aan het bestuur op grond van artikel 7, vierde lid, en vervolgens – indien de tekortkoming kwalificeert als incident – door het bestuur wordt gemeld aan de toezichthouder op grond van artikel 11, eerste lid.

Toelichting voor de lezer die niet uit de trust komt:

“de toezichthouder” is de persoon van DNB die bij de ondernemer op bezoek komt om te controleren of de ondernemer het goed heeft gedaan. De toezichthouder is de controleur van de controleur.

Effectiviteit

De toelichting op het consultatievoorstel ronkt van de goede bedoelingen. Maar over de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen is in het consultatievoorstel niets te vinden. Er wordt geen melding gemaakt van wetenschappelijke onderzoeken die zijn gedaan naar de kwaliteit van financiële ondernemingen. Er blijkt ook niet uit of onderzoek is gedaan naar de vraag of procedurehandboeken en cliëntacceptatiesystemen wel enig positief effect sorteren op die kwaliteit. Dus of al het gedoe rondom die procedurehandboeken (waarin voor 90% de wet en de uitvoeringsregeling wordt overgeschreven) wel enige zin heeft, weet niemand. En of het maken van al die cliëntacceptatierapportjes en afvinken van uitgevoerde handelingen wel iets oplevert, is ook niet bekend.

Gouden toekomst

Deze aanpak bij trustkantoren, die vast als model zal dienen voor veel andere sectoren, zal zorgen voor veel juridische werkgelegenheid. Niet alleen bij de betrokken ondernemingen zelf en bij de dienstverleners die actief zijn voor deze ondernemingen.

Universiteiten kunnen hun opleidingsprogramma uitbreiden met een speciale opleiding tot academisch gevormd juridisch auditor. Inmiddels is er alle aanleiding om een speciale richting “compliance” te introduceren bij de juridische faculteiten. Misschien is het nog beter om de juridische faculteiten om te dopen in “financieel-juridische” faculteiten, zodat de accountancy-opleiding kan worden geïntegreerd in de nieuwe financieel-juridische opleidingen.

Binnen het moderne financiële toezicht is de werkgelegenheid gegarandeerd, al is natuurlijk de vraag of er nog voldoende klanten blijven om de kosten van de diensten te betalen.

[*]  Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren

Aanvulling 14 mei 2014
Dit bericht heb ik ook in de LinkedIn groep ‘Trustbase’ geplaatst. Er kan ook via die LinkedIn groep gediscussieerd worden.

 

1 mei 2014

DNB nieuwsbrief voor trustkantoren, april 2014

door Ellen Timmer

DNB heeft een nieuwe editie van de nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht.
Onderwerpen:

  • de betrouwbaarheidstoetsing, tijdig melden van relevante feiten;
  • licht meer doelvennootschappen;
  • onvoldoende functiescheiding;
  • wijzigingen in de regelgeving;
  • trustsector neemt onaanvaardbare risico’s met commanditaire vennootschappen.
29 april 2014

Factsheet geschiktheidstoetsing vergunningverlening trustkantoren is aangepast

door Ellen Timmer

In de nieuwsbrief van 29 april 2014 laat DNB weten dat voor trustkantoren het factsheet over de geschiktheidstoetsing voor de vergunningverlening aangepast. DNB schrijft dat het van belang is hiervan kennis te nemen. De huidige tekst is hier te vinden. Er staat:

Vergunningaanvraag Trustkantoren – geschiktheidstoetsing

Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een trustkantoor is dat de bestuurders, commissarissen en (mede) beleidsbepalers (hierna: bestuurder) geschikt worden geacht om het beroep of bedrijf van trustkantoor uit te oefenen.

Geschiktheid is een zware voorwaarde
Het is de ervaring van DNB dat aanvragers niet altijd geheel op de hoogte zijn van de vereisten ten aanzien van de geschiktheid, terwijl de geschiktheid op het moment van de vergunningaanvraag moet worden aangetoond. Als op het moment van de vergunningaanvraag niet aan deze geschiktheidsvereisten wordt voldaan, zal DNB de vergunningaanvraag moeten afwijzen. Ook in dat geval dient u leges te betalen (in 2014: EUR 3.200,-). DNB adviseert een potentiële aanvrager / bestuurder dan ook om zorgvuldig na te gaan of aan de voorwaarden van geschiktheid wordt voldaan. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de betrouwbaarheidstoets .

Aantonen van geschiktheid
De beoordeling of iemand geschikt is voor de voorgenomen functie vindt plaats op grond van de Beleidsregel geschiktheid 2012. Op grond van deze beleidsregel moet de bestuurder van een trustkantoor aantonen dat hij of zij beschikt over:

* Bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid;
* Leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding; en
* Algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis.

Deze vaardigheden en kennis moeten zijn opgedaan in een relevante werkomgeving gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. De algemene en specifiek vakinhoudelijke kennis moet zijn opgedaan maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetreding. De geschiktheid ten aanzien van de bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden moeten zijn opgedaan maximaal tien jaar voorafgaand aan het moment van aantreden. Minimaal zal een bestuurder kennis en ervaring moeten hebben opgedaan op het gebied van antiwitwas- en terrorisme financiering. Ook de relevante wet- regelgeving moet actief bekend zijn.

Beleidsregel geschiktheid 2012

Meer informatie:

24 april 2014

Hoge Raad over de rol van een trustbestuurder in een joint venture

door Ellen Timmer

Al eerder schreef ik over de uitspraak van de Ondernemingskamer, waarin deze tot het oordeel kwam dat het betrokken trustkantoor (Equity Trust) de door haar opdrachtgevers gegeven instructies te klakkeloos had opgevolgd.

Inmiddels heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in cassatie en is het trustkantoor in het ongelijk gesteld.

Positie statutaire bestuurders bij een joint venture

De Hoge Raad geeft in overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3 de algemene context waarbinnen alle statutair bestuurders (dus ook trustbestuurders) zich dienen te bewegen:

4.2.1  Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. In geval van een joint venture-vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een joint venture-vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.

4.2.2  Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (vgl. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI), HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461 (VEB c.s./KLM) en HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, NJ 2007/610 (Versatel I)).
Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor aan het slot van 4.2.1 is overwogen, kan de verplichting van bestuurders van een joint venture-vennootschap om jegens de aandeelhouders de nodige zorgvuldigheid te betrachten, een bijzondere zorgplicht meebrengen met betrekking tot de positie van een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of (verder) dreigt te verwateren.

4.2.3  Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de joint venture-vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap (vgl. art. 2:239 lid 4 BW en Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92). Deze verplichtingen van een bestuurder gelden vanaf het moment van zijn aantreden.

Verwatering

Uit overweging nummer 4.3 blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat de Ondernemingskamer juist heeft geoordeeld. Dat het trustkantoor pas was aangetreden, neemt niet weg dat ook zij nalatig is geweest in de vaststelling en uitvoering van het beleid rondom de eerste verwatering. Het vennootschapsbelang kan meebrengen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder zouden veranderen.

4.3  De ondernemingskamer heeft het vorenstaande niet miskend. Haar oordeel houdt in dat het bestuur, onder wie ook Equity Trust als pas aangetreden bestuurder, nalatig is geweest in de vaststelling en uitvoering van het beleid rondom de eerste verwatering. Naar het oordeel van de ondernemingskamer heeft deze nalatigheid ertoe geleid dat de Vennootschap de controle over haar onderneming blijvend kon verliezen waardoor haar continuïteit in gevaar werd gebracht en zij niet langer een positie kon kiezen die, gezien de tussen haar aandeelhouders ontstane onevenwichtige verhoudingen, voldoende onafhankelijk was. Daarbij heeft de ondernemingskamer acht geslagen op de aard van de Vennootschap als een joint venture die is aangegaan tussen twee gelijkwaardige partners, naderhand aangevuld met een aandeelhouder met een minderheidsbelang. Blijkens de rov. 3.20.1 en 3.20.2 heeft zij onderkend dat het vennootschapsbelang onder de gegeven omstandigheden meebracht dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder zouden veranderen dan in het licht van de omstandigheden was geboden.
Zij heeft geoordeeld dat het bestuur zich geen rekenschap heeft gegeven van het eigen belang van de Vennootschap en van zijn eigen rol en taak hierin. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt daarom.

Pogingen om de verwatering terug te draaien zijn er wel geweest, maar deze zijn mislukt. De Hoge Raad zegt daarover:

4.4.1  Onderdeel 1.4 is onder meer gericht tegen rov. 3.20.2. Daarin verwijt de ondernemingskamer (het bestuur van de) Vennootschap dat ook na 9 juli 2009 is nagelaten consequenties te trekken uit het niet doorgaan van de financiering door Banco Sabadell. Naar het oordeel van de ondernemingskamer had de Vennootschap al het redelijkerwijs mogelijke in het werk moeten stellen om de eerste verwatering volledig te (doen) terugdraaien of de gevolgen daarvan te repareren, bijvoorbeeld door de uitgifte alsnog in overeenstemming te (doen) brengen met een zakelijke ruilverhouding.
Het onderdeel klaagt onder 2.27 over onbegrijpelijkheid van dit oordeel. Het voert daartoe aan dat het bestuur van de Vennootschap wel degelijk heeft getracht om de verwatering (door middel van het ‘Stappenplan’) terug te draaien. Volgens het onderdeel zijn deze pogingen evenwel niet succesvol geweest, doordat de aandeelhouders geen overeenstemming konden bereiken.

4.4.2  Het onderdeel wijst terecht erop dat het bestuur blijkens het onderzoeksverslag (4.4.16–4.4.24 en 10.1.15) heeft gepoogd om de eerste verwatering te doen terugdraaien. Blijkens rov. 3.18 zou het door [A] opgestelde Stappenplan ertoe leiden dat de vordering van Inversiones op Efesyde zou worden afgelost met behulp van een banklening of uit de winst. In de tussentijd zouden de oorspronkelijke verhoudingen tussen de aandeelhouders worden gehandhaafd en zouden de relevante beslissingen door de aandeelhouders unaniem genomen worden. Inversiones heeft dit plan echter afgewezen omdat zij geen directe voldoening in contanten zou ontvangen voor haar vordering op Efesyde. In het licht van deze omstandigheden is het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.20.2 dat ook de door het bestuur ([A] en Equity Trust) uitgewerkte plannen de onzakelijke ruilverhouding als uitgangspunt aanvaardden, onvoldoende gemotiveerd.
Het onderdeel kan evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het oordeel in rov. 3.21 dat de Vennootschap ter zake van de eerste verwatering en de ontwikkelingen onmiddellijk daarna (tot en met 31 augustus 2009) heeft gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, steunt namelijk op verschillende overwegingen. Voor zover het oordeel van de ondernemingskamer betrekking heeft op de gang van zaken rondom de eerste verwatering, berust dit op rov. 3.20.1 (het door bepaalde nalatigheden scheppen van een situatie waarin het mogelijk werd dat de Vennootschap de controle over haar onderneming blijvend kon verliezen en niet langer een eigen, voldoende onafhankelijke positie heeft kunnen kiezen). Voor zover het oordeel van de ondernemingskamer ziet op de ontwikkelingen onmiddellijk daarna (tot en met 31 augustus 2009), berust het mede op rov. 3.19.1 en 3.19.2 (het in augustus 2009 meewerken aan de voorbereiding van besluitvorming, tegen de bezwaren van Holding I in, waardoor de ongelijkheid tussen Inversiones en Holding I nog verder zou worden vergroot). Het oordeel in rov. 3.21 dat de Vennootschap ten tijde van de eerste verwatering en onmiddellijk daarna heeft gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, wordt zelfstandig gedragen door deze overwegingen, die in cassatie niet met vrucht zijn bestreden (zie hiervoor in 4.3 en hierna in 4.7).

Pariteitsbeginsel

Over de vraag of moet worden uitgegaan van een pariteitsbeginsel bij joint ventures overweegt de Hoge Raad:

4.5  Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.25.2–3.27 en betoogt onder meer dat de ondernemingskamer ten onrechte de pariteit van de aandeelhouders (en een noodzaak tot pariteitsherstel) tot premisse heeft genomen, en een abstracte joint venture-gedachte aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd. Daarmee miskent de ondernemingskamer dat het partijen vrij staat om hun joint venture in te richten en dat de keuze om juist niet een aanbiedingsplicht of informatieplicht overeen te komen moet worden gerespecteerd. De omstandigheid dat Equity Trust als bestuurder van de Vennootschap heeft nagelaten om Holding I te informeren over de beoogde overdracht van aandelen C door Invernostra aan Inversiones, kan in de gegeven omstandigheden daarom niet (zonder nadere motivering) als wanbeleid worden aangemerkt, zo stelt het onderdeel.

4.6.1  Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het berust op de lezing dat de ondernemingskamer is uitgegaan van een abstracte joint venture-gedachte of dat de gelijkwaardige verhoudingen tussen de aandeelhouders naar het oordeel van de ondernemingskamer te allen tijde behouden, althans hersteld dienen te worden.
De ondernemingskamer heeft haar oordeel gegeven op basis van de omstandigheden van het onderhavige geval, en daarin ligt niet het oordeel besloten dat de gelijkwaardige verhouding tussen Inversiones en Holding I als aandeelhouders te allen tijde behouden, althans hersteld dient te worden.

4.6.2  Het oordeel van de ondernemingskamer moet aldus worden verstaan dat de omstandigheid dat Holding I en Inversiones hun joint venture hebben opgezet op basis van gelijkwaardigheid en dat deze gelijkwaardigheid is behouden na de toetreding van Invernostra, van belang is in verband met hetgeen voor de aandeelhouders voortvloeit uit art. 2:8 BW. Op grond van deze bepaling waren Invernostra en Inversiones gehouden zich jegens Holding I en jegens de Vennootschap te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Art. 2:8 BW is van dwingend recht en geldt ook indien Invernostra haar aandelen op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst kon en mocht overdragen aan Inversiones zonder deze aandelen aan Holding I aan te bieden of zonder Holding I te informeren. Het oordeel van de ondernemingskamer dat Invernostra en Inversiones, door heimelijk afbreuk te doen aan de beoogde aandeelhoudersgelijkheid, en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, hebben gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van Holding I in acht behoorden te nemen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk. Met de verwijzing naar de overige omstandigheden van het geval heeft de ondernemingskamer onmiskenbaar het oog op de omstandigheden dat met de toetreding van Invernostra als aandeelhouder de gelijkwaardigheid van Inversiones en Holding I als joint venture-partners was gehandhaafd, dat aan de over te dragen aandelen C specifieke zeggenschapsrechten waren verbonden, en dat sprake was van een conflict tussen Inversiones en Holding I (vgl. rov. 2.14, 2.16, 2.20-2.22, 3.17, 3.19.1, 3.19.2 en 3.26).

4.6.3  Met betrekking tot de vraag of het bestuur van de Vennootschap de beoogde overdracht ter kennis van Holding I had moeten brengen, overweegt de Hoge Raad als volgt. Bij gebreke van een wettelijke of statutaire informatieplicht is het bestuur in beginsel niet gehouden de aandeelhouders te informeren over een door een aandeelhouder beoogde aandelenoverdracht. Dat laat evenwel onverlet dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en dat zij zorgvuldigheid dienen te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken (zie hiervoor in 4.2.1–4.2.3).
De ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het belang van de Vennootschap en de verplichting om zorgvuldigheid te betrachten jegens Holding I, in het onderhavige geval meebrachten dat het bestuur gehouden was om Holding I te informeren over de beoogde aandelenoverdracht en om te trachten om de 50/50-verhouding tussen Holding I en Inversiones te (doen) herstellen. Gelet op de aard van de Vennootschap als joint venture die was opgezet als samenwerking tussen twee gelijkwaardige partners, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook heeft de ondernemingskamer dat oordeel in rov. 3.26 en 3.27 voldoende gemotiveerd. Het voorgaande geldt eveneens met betrekking tot haar oordeel dat het nalaten van het bestuur van de Vennootschap om Holding I te informeren onder de omstandigheden van het geval strijdig is met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.
Ten aanzien van Equity Trust getuigt het oordeel van de ondernemingskamer evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Haar oordeel is ook niet onvoldoende gemotiveerd, gelet op haar overwegingen in 3.25 en 3.64.2 dat Equity Trust zich in verband met de ruzie tussen de aandeelhouders bewust afzijdig heeft gehouden van de besluitvorming en steeds de instructies van Inversiones heeft opgevolgd.
De onderdelen falen derhalve.

Trustbestuurders zullen zich ter dege moeten realiseren dat zij een zelfstandige verantwoordelijkheid hebben als statutair bestuurder, ook wanneer zij nog maar net zijn aangetreden.

16 april 2014

Zware kritiek Raad van State op uitbreiding van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsing in het financiële toezicht

door Ellen Timmer

Onlangs heeft de Afdeling advisering van Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2015. Een van de onderwerpen die de Raad aan de orde stelt is de voorgenomen uitbreiding van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis voor ondernemingen die vergunninghouder zijn op grond van onder meer de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt op dit punt (nog) niet aangepast.

De kritiek van de Raad is vernietigend:

  • de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis wordt uitgebreid naar een zeer ruime en niet helder gedefinieerde groep personen;
  • de overheid trekt taken naar zich toe (beoordelen van een ruime kring van personen die geen ‘beleidsbepaler’ zijn), zonder dat is aangegeven dat is nagedacht over de consequenties daarvan, de Raad schrijft heel diplomatiek dat “de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden“.

Hierna volgt de complete passage die op het onderwerp betrekking heeft.

2. Uitbreiding geschiktheids- en betrouwbaarheidseis

Ingevolge artikel 3:9 Wft dient de betrouwbaarheid van personen die het beleid van de financiële onderneming (mede) bepalen buiten twijfel te staan. (zie noot 2) Ingevolge artikel 3:8 Wft dient voor personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen tevens vast te staan dat zij daartoe geschikt zijn. (zie noot 3)

Het voorgestelde artikel I, onderdelen S en T, breidt de kring van personen op wie de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis van toepassing is uit naar alle ‘personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar met zetel in Nederland, die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ In de toelichting wordt hierover opgemerkt dat ‘door te verlangen dat personen verantwoordelijk voor medewerkers die het risicoprofiel van de financiële onderneming wezenlijk (kunnen) beïnvloeden, geschikt en betrouwbaar zijn, kan beter worden tegengegaan dat onder hun verantwoordelijkheid risico’s worden genomen die de stabiliteit van en het vertrouwen in de financiële sector in gevaar brengen.’ (zie noot 4)

De Afdeling merkt hierover het volgende op.

a. Kring van personen
Het onderhavige voorstel breidt de kring van personen die onder het bereik van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen uit tot personen […] ‘die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ Daarbij leidt de Afdeling uit de toelichting af dat het begrip ‘werkzaamheden die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming’ ruim moet worden opgevat. Zo wordt in de toelichting opgemerkt dat ‘voor de bepaling van de activiteiten die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming, niet alleen moet worden gekeken naar de financiële risico’s van deze activiteiten maar ook naar de niet-financiële risico’s. Ook niet-financiële risico’s, zoals juridische, reputatie- en IT-risico’s, kunnen immers een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van een onderneming.’ (zie noot 5)

Wie onder de reikwijdte van deze uitbreiding vallen, wordt in het voorstel niet nader omschreven. (zie noot 6) Ziet de Afdeling het goed dan wordt de kring van personen die na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel aan een betrouwbaarheids- en geschiktheidseis wordt onderworpen aanmerkelijk vergroot. Het betreft immers een ieder die binnen een bank of verzekeraar verantwoordelijkheid draagt voor personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden. Er is geen beperking aangebracht ten aanzien van het niveau binnen de organisatie waar de verantwoordelijke werkzaam is; het kan aldus zowel een ‘lagere’ afdelingsmanager als het hoofd compliance betreffen. Aldus is, zo meent de Afdeling, sprake van een discrepantie tussen de tekst van het voorstel en de toelichting waarin onder meer wordt opgemerkt dat slechts ongeveer 650 personen verantwoordelijk zijn voor werkzaamheden die het risicoprofiel wezenlijk kunnen beïnvloeden. (zie noot 7) De Afdeling meent dat in dit verband de tekst van het voorstel en de toelichting met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

De Afdeling merkt vervolgens op dat in het systeem van de Wft maar ook van het Burgerlijk Wetboek, het een interne aangelegenheid van de financiële instelling is om in de eigen organisatie te bewerkstelligen dat voor de onderneming relevante risico’s worden beheerst. De wet stelt in dat verband eisen aan de onderneming als zodanig. (zie noot 8) Het bestuur van de instelling is voor de naleving daarvan verantwoordelijk. De Afdeling merkt op dat met de uitbreiding van de door de overheid opgelegde geschiktheidseis het toezicht zodanig uitgebreid wordt dat op de overheid een veel verder strekkende verantwoordelijkheid dan thans komt te rusten. De overheid trekt immers de beoordeling van de geschiktheid (vaardigheden, kennis en professioneel gedrag) van medewerkers onder het niveau van de (dagelijks) beleidsbepalers, mede aan zich.

De wet vereist dat personen die binnen de reikwijdte van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen bij voortduring aan die eisen voldoen. Die continue verantwoordelijkheid geldt de onderneming en betreft, zoals hierboven opgemerkt, ook de overheid die met het voorstel die verantwoordelijkheid breder aan zich trekt. De Afdeling merkt op dat een verdergaande verantwoordelijkheid voor de overheid ook met zich kan brengen dat de overheid (in de praktijk De Nederlandsche Bank) ook breder aanspreekbaar wordt op de (continue) invulling van die verantwoordelijkheid.

De Afdeling is, mede in het licht van hetgeen zij onder 1. heeft opgemerkt, van oordeel dat door het voorstel de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de onderneming en de verantwoordelijkheid van de overheid substantieel verschuift. Daarnaast merkt de Afdeling op dat de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden. Zij adviseert in de toelichting de uitbreiding van het geschiktheids- en betrouwbaarheidseis dragend te motiveren en zo nodig het voorstel aan te passen.