Posts tagged ‘DNB’

7 oktober 2013

DNB onderzoekt functiescheiding bij kleine trustkantoren

door Ellen Timmer

In een nieuwsbericht van 3 oktober jl. laat DNB weten functiescheiding bij kleine trustkantoren te gaan onderzoeken.

Aankondiging themaonderzoek ‘functiescheiding bij kleine trustkantoren’
DNB start dit najaar een themaonderzoek naar de wijze waarop kleine trustkantoren de functiescheiding (tussen functies met een uitvoerend en controlerend karakter) hebben opgezet en hoe deze in de praktijk wordt toegepast. Het hebben van functiescheiding is een essentiele beheersmaatregel om integriteitsrisico’s binnen de trustdienstverlening het hoofd te bieden. Op grond van de Regeling Integere Bedrijfsvoering is deze functiescheiding bovendien verplicht.
Tijdens het onderzoek zullen toezichthouders van DNB diverse kleine trustkantoren bezoeken. Na afronding van het onderzoek informeert DNB de trustsector over de uitkomsten via de DNB Nieuwsbrief Trustkantoren.

9 september 2013

Themaonderzoek commanditaire vennootschappen door DNB

door Compliance Platform Trustkantoren

Voor de volledigheid melden wij hier ook het bericht inzake het themaonderzoek van DNB:

Aankondiging themaonderzoek commanditaire vennootschappen van 22 augustus jl.:

Nieuwsbericht
Datum 22 augustus 2013

DNB start dit najaar een themaonderzoek naar de dienstverlening van trustkantoren aan commanditaire vennootschappen (CV’s). In het project onderzoekt DNB de integriteitsrisico’s die aan CV-structuren zijn verbonden en welke maatregelen trustkantoren nemen om deze risico’s te beheersen.

In het licht van het onderzoek verwijst DNB uitdrukkelijk naar de vragen opgenomen in het ISI-formulier 2013 en onderstreept het belang van een juiste invulling van het ISI-formulier. Na afronding van het onderzoek in december 2013 informeert DNB de trustsector over de uitkomsten via de DNB Nieuwsbrief Trustkantoren.

15 augustus 2013

Naar een beter financieel toezicht met De Nederlandsche Bank

door Ellen Timmer

Op ManagementSite verscheen op 14 augustus jl. een interview met Femke de Vries, divisiedirecteur Toezicht Expertisecentra bij De Nederlandsche Bank onder de titel “Naar een beter financieel toezicht”. Citaat:

Voor DNB is de belangrijkste les dat we het toezicht meer vooruitblikkend willen maken. We willen problemen op het spoor komen voordat ze zich vertalen in de cijfers. Als dat gebeurt sta je als toezichthouder vaak machteloos.

Tags:
4 juli 2013

DNB denkt dat trustkantoren te weinig ongebruikelijke transacties melden

door Ellen Timmer

Hoewel je zou denken dat er weinig ongebruikelijke transacties te melden zijn, als trustkantoren hun Wtt-verplichtingen goed naleven, denkt DNB daar anders over, zo blijkt uit de laatste nieuwsbrief van DNB.

Trustkantoren melden meer ongebruikelijke transacties, maar aantal meldingen nog altijd laag

Nieuwsbericht 4 juli 2013

Het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties door trustkantoren is gestegen van 26 in 2011 naar 38 in 2012. Desondanks acht DNB het aantal meldingen nog altijd laag en komt daarom in actie met voorlichting én handhaving.

Trustkantoren moeten ongebruikelijke transacties melden aan de Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland op basis van de verplichtingen voortvloeiend uit de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). Het melden van (voorgenomen) ongebruikelijke transacties vormt een belangrijk onderdeel van de monitoring van klanten en transacties en is essentieel voor de goede uitoefening van de poortwachtersfunctie door trustkantoren.

Gemelde ongebruikelijke transacties
Cijfers van het FIU-Nederland tonen aan dat trustkantoren in 2012 meer ongebruikelijke transacties hebben gemeld, van 26 in 2011 naar 38 in 2012. Van deze 38 meldingen zijn tien transacties na eigen onderzoek van FIU-Nederland aangemerkt als verdachte transacties. In 2011 kon FIU-Nederland drie meldingen van ongebruikelijke transacties aanmelden als verdacht. Daarentegen is het aantal meldende trustkantoren in 2012 gedaald van acht naar zes kantoren. Het lage aantal meldingen en het beperkte aantal trustkantoren dat meldt, zijn voor DNB wederom reden aandacht te vragen voor de meldplicht bij trustkantoren. Op 10 oktober 2013 organiseert FIU-Nederland een relatiedag voor trustkantoren. Op deze dag wordt de trustsector verder voorgelicht over de meldplicht mede aan de hand van verschillende praktijkvoorbeelden van ongebruikelijke transacties.

OM doet onderzoek naar niet-melder
Om de noodzaak van het melden van ongebruikelijke transacties verder onder de aandacht te brengen van trustkantoren neemt DNB tevens deel aan het niet-melders project van het Openbaar Ministerie. In dit project ‘Niet-Melders’ doet het OM strafrechtelijk onderzoek naar niet-melders van ongebruikelijke transacties. In het najaar van 2013 wordt een nieuwe actieronde van het OM verwacht. Op het niet-melden van ongebruikelijke transacties staat een maximale gevangenisstraf van twee jaar of een maximale boete van 18.500 euro.

Resultaten project Niet-Melders in 2012
In 2012 zijn er tijdens twee actiedagen een aantal personen onderzocht, die werden verdacht van het niet, onjuist of te laat melden van ongebruikelijke transacties. De eerste actiedag van 4 juli 2012 resulteerde in vijf strafrechtelijke onderzoeken. De tweede actiedag, 21 november 2012, leverde acht strafrechtelijke onderzoeken op. In deze onderzoeken in 2012 waren geen trustkantoren betrokken (Bron: jaarverslag 2012 FIU-Nederland).
Het project Niet-Melders is een gezamenlijk project van DNB, de FIOD, de Nationale Recherche, de FIU-Nederland, het BFT en de Belastingdienst Holland Midden/Unit MOT onder leiding van het OM (Functioneel Parket) gericht op het verbeteren van het naleefgedrag van de regels van de Wwft en in het bijzonder het melden van ongebruikelijke transacties.

Tags: , ,
4 juli 2013

Bericht DNB over doorstroomvennootschappen

door Ellen Timmer

Vandaag heeft DNB een nieuwsbrief uitgebracht waarin onder meer het nieuwe fenomeen doorstroomvennootschappen aan de orde komt. DNB schrijft:

Doorstroomvennootschappen van trustkantoren onderzocht door DNB

Nieuwsbericht
Datum 4 juli 2013

DNB constateert grote integriteitsrisico’s bij trustkantoren die Ubo-Ubo structuren in combinatie met adviesdiensten of handelsactiviteiten mogelijk maken via eigen doorstroomvennootschappen. Dienstverlening via deze structuren vergroot de risico’s op het witwassen van geld door cliënten.

Dit voorjaar heeft DNB onderzoek gedaan bij vier trustkantoren naar de dienstverlening via zogenoemde doorstroomvennootschappen. Doorstroomvennootschappen (of inhouse-vennootschappen) zijn vennootschappen die tot dezelfde groep behoren als het trustkantoor en gebruikt worden voor de dienstverlening aan klanten. Deze vorm van dienstverlening valt sinds juli 2012 onder de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) en daarmee onder het toezicht van DNB.

Uit het onderzoek blijkt dat trustkantoren deze doorstroomvennootschappen voor zeer verschillende vormen van dienstverlening gebruiken. Van diensten voor bedrijven die rechten op intellectueel eigendom en image rights exploiteren tot diensten voor consultancybureaus. Handels- en financieringsactiviteiten, zoals het uit- en doorlenen van een door de cliënt verstrekte lening of eenmalige financiële transacties, zijn ook diensten die trustkantoren via doorstroomvennootschappen hun cliënten aanbieden.

Risicostructuren
In een aantal gevallen blijkt deze vorm van dienstverlening een verhoogde kans op integriteitrisico’s met zich mee te brengen, zo constateert DNB. Bijvoorbeeld in geval een doorstroomvennootschap diensten afneemt van een cliënt, en deze vervolgens aan een onderneming van diezelfde cliënt levert; ook wel ultimate beneficial owner (UBO) genoemd. Deze zogenaamde ‘ubo-ubo structuren’ worden vooral gebruikt voor consultancy diensten en handelsactiviteiten.

Een praktijkvoorbeeld hiervan is een structuur waarbij de cliënt, een vennootschap, de doorstroomvennootschap inhuurde voor het doen van internationaal marktonderzoek op het gebied van telecommunicatie. De doorstroomvennootschap huurde vervolgens een buitenlandse vennootschap in om dit marktonderzoek feitelijk uit te voeren. Vervolgens bleek dat de UBO van deze buitenlandse vennootschap ook de UBO en/of directeur van de cliënt was, die in eerste instantie de doorstroomvennootschap inhuurde voor het uitvoeren van het betreffende marktonderzoek. In een dergelijke situatie is het voor een trustkantoor lastig om vast te stellen of het marktonderzoek daadwerkelijk en tegen een redelijke prijs wordt uitgevoerd, en of de structuur niet gebruikt wordt voor bijvoorbeeld het witwassen van geld.

Verplichting
Trustkantoren zijn bij deze dienstverlening verplicht op grond van artikel 16a Regeling interne bedrijfsvoering Wtt (Rib), vast te stellen of, net als bij ‘reguliere’ consultancy doelvennootschappen, de geleverde consultancy diensten daadwerkelijk zijn geleverd én of de afgesproken prijs redelijk is. Dit is noodzakelijk om de integriteitsrisico’s te beperken.

DNB heeft de betreffende trustkantoren gewezen op de geconstateerde verhoogde integriteitrisico’s en ziet er op toe dat zij passende maatregelen nemen om deze risico’s op te sporen en te beperken. Bijvoorbeeld door deze klanten regelmatiger te monitoren en hun cliëntendossiers vaker te reviewen. Een aantal trustkantoren heeft inmiddels afscheid genomen van klanten met dergelijke hoog risicostructuren. Wanneer de betreffende trustkantoren onvoldoende maatregelen nemen zal DNB handhavend optreden.

16 april 2013

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren

door Ellen Timmer

Op 28 maart jl. heeft College van Beroep voor het bedrijfsleven een belangrijke uitspraak gedaan over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze uitspraak een bredere betekenis voor het financiële toezichtrecht. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:

  • “domicilieverlening” in de zin van de Wtt
  • de grondslag voor de ‘documentatieverplichtingen’ voor trustkantoren
  • bestuursrechtelijke resultaatsverplichtingen
  • de bewijslast
  • de wijze waarop de last is omschreven in de last onder dwangsom
  • de cautie

Belangrijke overwegingen over de ‘resultaatsverplichtingen’ in het bestuursrecht:

5.3.6  Ten aanzien van de achtste, elfde en twaalfde grief van [appellant] overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op trustkantoren op grond van de artikelen 12, 13, 14 en 18 van de Rib een aantal duidelijke (resultaats)verplichtingen rust. De in deze artikelen neergelegde verplichtingen zijn concreet ten aanzien van het verzamelen, controleren en administreren van specifiek omschreven informatie. Het College vermag niet in te zien dat het hier niet (ook) om resultaatsverplichtingen zou gaan, nu specifiek is bepaald over welke kennis het trustkantoor dient te beschikken en welke gegevens opgevraagd en in de cliëntadministratie vastgelegd moeten worden. Dat een trustkantoor, zoals [appellant] betoogt, wellicht “geen absolute zekerheid” kan verkrijgen omtrent een deel van de onderwerpen waarvan documentatie is vereist, doet daar niet aan af. Daargelaten wat onder “absolute zekerheid” moet worden verstaan, merkt het College op dat “absolute zekerheid” niet de maatstaf is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een trustkantoor aan de uit de Wtt en Rib voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
De stelling van [appellant] dat ten aanzien van de verplichtingen op grond van het eerste lid van artikel 10 Wtt en de Rib voor haar niet (voldoende) kenbaar is geweest op welke wijze zij daaraan moest voldoen, kan niet worden gevolgd. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de in de Rib neergelegde normen voldoende concreet duidelijk maken, welke handelingen van een trustkantoor worden verlangd.
Het College ziet voorts in de gedingstukken geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen die DNB aan de inrichting van het cliëntacceptatiedossier en het vergaren van de gevraagde informatie heeft gesteld, voor [appellant] niet voldoende duidelijk waren of dat deze eisen, zoals [appellant] heeft gesteld, zouden hebben gewisseld. Uit de stukken blijkt dat DNB in haar brieven naar aanleiding van de gehouden bezoeken steeds uiteen heeft gezet waarom en op welke punten de dossiers van [appellant] te kort schoten.

Op een later tijdstip hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de betekenis van deze uitspraak voor de financiële toezichtpraktijk.

Tags: , , ,
28 maart 2013

DNB start onderzoek naleving Wwft

door Ellen Timmer

In een bericht dat is opgenomen in de nieuwsbrief voor banken, laat DNB weten dat dit voorjaar onderzoek zal worden gedaan naar naleving van de Wwft, ook bij trustkantoren. Hierna volgt de tekst.

DNB start onderzoek naleving Wwft

Nieuwsbericht 28 maart 2013

De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is gewijzigd. Dit voorjaar controleert DNB de naleving daarvan.

Belangrijke wetswijzigingen
Per 1 januari 2013 is de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gewijzigd. De belangrijke wijzingen zijn:

  • Banken moeten informatie over klanten altijd actueel houden.
  • De identiteit van de zogenoemde ‘uiteindelijk belanghebbende’ moet altijd worden geverifieerd. Deze verificatie kan risicogebaseerd plaatsvinden: naarmate het risicoprofiel van een klant hoger is, moet een bank meer informatie inwinnen over diens identiteit.
  • Banken moeten voortdurend alert zijn op ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die een hoger witwasrisico inhouden.

Politiek prominenten
De Wwft bevat ook nieuwe voorschriften voor politiek prominente personen (PEP). Dit betekent dat voortaan ook buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Eerder gold dit verscherpte toezicht al voor PEP’s die buiten Nederland wonen.
DNB heeft de banken een coulanceperiode van drie maanden geboden. In deze periode konden de banken hun systemen aanpassen, zodat ze vanaf 1 april 2013 aan deze nieuwe bepaling kunnen voldoen.

Eisen aan banken
Wat moeten banken doen om te voldoen aan de vernieuwde Wwft? De hierboven genoemde belangrijke wetswijzigingen zijn al opgenomen in de DNB Leidraad Wwft uit 2011. Dat betekent dat ze daarmee al gangbare praktijk moeten zijn. Nu wordt deze praktijk in de wet verankerd. Dit betekent dat het nu niet langer om aanbevelingen gaat, maar om wettelijke bepalingen.

Thema-onderzoek van DNB
DNB gaat in de eerste helft van 2013 controleren op de naleving van de Wwft. De toezichthouder stuurt dit voorjaar een vragenlijst naar een aantal banken, levensverzekeraars en trustkantoren. Zij krijgen vragen over de manier waarop ze hun cliënten monitoren en screenen. Ook onderzoekt DNB of banken en andere instellingen voldoende alert zijn op ongebruikelijke transacties.
Op basis van dit vooronderzoek selecteert DNB een tiental instellingen voor verder onderzoek. DNB zal het onderzoek dit najaar afronden en de belangrijkste generieke bevindingen ook via deze Nieuwsbrief bekend maken.

Meer informatie
Wilt u meer weten? Mail Maud Bökkerink van het DNB Expertisecentrum Cultuur, Organisatie en Integriteit: m.j.bokkerink@dnb.nl

7 maart 2013

Aanpak van illegale trustkantoren door DNB

door Ellen Timmer

Misschien een beetje laat om te signaleren, maar vorige jaar verscheen in het DNB Magazine een wel zeer oninformatief artikel over de trustkantoren sector. Weliswaar was het thema “de mensen van het Frederiksplein”, maar dat betekent dan nog niet dat je de marketing mensen een vrije hand moet geven in het schrijven van een stukje dat alleen op “feel good” misdaadbestrijding is gericht.

Tenslotte is in 2012 de Wet toezicht trustkantoren ingrijpend gewijzigd en het begrip “trustdiensten” sterk verruimd. Daar hadden de lezers van het DNB Magazine ook over geïnformeerd mogen worden.

1 maart 2013

Bericht DNB “Kosten doorlopend toezicht op trustkantoren”

door Ellen Timmer

Op 25 februari 2012 publiceerde DNB onderstaand bericht op de website:

Kosten doorlopend toezicht op trustkantoren

De Nederlandsche Bank (DNB) brengt jaarlijks kosten in rekening aan trustkantoren met een vergunning van DNB voor de kosten van de uitvoering van haar toezicht. Met ingang van 1 januari 2013 is de berekeningswijze van deze jaarlijkse kosten gewijzigd.

Op grond van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft) zullen trustkantoren een procentueel aandeel van de zogenoemde overige kosten uit de begroting van DNB voor hun rekening moeten nemen. In 2013 is dit percentage bepaald op 0.9 procent. Voor de jaren 2014 – 2017 bedraagt dit percentage 1.2 procent van de totale toezichtkosten.

De kosten die een individueel trustkantoor moet betalen voor het toezicht wordt vervolgens bepaald  aan de hand van een maatstaf. De maatstaf voor trustkantoren is de omzet (bijlage II van de Wbft) waarbij de hoogte van het in rekening te brengen bedrag voor het trustkantoor wordt bepaald door de daadwerkelijk behaalde omzet uit trustdiensten.

Voor de kosten die in rekening worden gebracht, wordt de omzet verdeeld in bandbreedtes waaraan de tarieven zijn gekoppeld. Deze zullen uiterlijk per 1 juni van elk jaar op voorstel van DNB bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Wat een individueel trustkantoor moet betalen, kan deze na 1 juni met behulp van de ministeriële regeling zelf uitrekenen. De factuur wordt in de tweede helft van het jaar verzonden.

27 februari 2013

Trustkantoor is financiële instelling

door mr R.W. van der Grinten

In tegenstelling tot wat enkele auteurs zoals Frielink (Toezicht trustkantoren in Nederland, eerste druk, pagina 2)  en Lugard (Tijdschrift voor Compliance, 2006-04) in het verleden meenden, zijn trustkantoren weldegelijk financiële instellingen. In het onderstaande arrest wordt in r.o. 5 vastgesteld dat: ´´Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen.´´

In het onderstaande arrest wordt bevestigd dat DNB niet op basis van een WOB procedure gesommeerd kan worden inzage te geven in allerhande niet publiek voorhanden zijnde stukken. Ook wordt bevestigd dat DNB wel rekening heeft te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals verwoord in de Awb.

Hierna volgt de integrale tekst van arrest 201208382/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK van de Raad van State

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B en S Management Rhoon B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard (hierna: BSMR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 inzaak nr. 10/3221 in het geding tussen:

BSMR

en

De Nederlandsche Bank N.V (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB een verzoek van BSMR om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2010 heeft DNB het door BSMR daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011 heeft de rechtbank het door BSMR daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door BSMR gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft BSMR bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 februari 2012 heeft het CBb zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van BSMR kennis te nemen en bepaald dat het hoger beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden doorgezonden aan de Afdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2012, waar BSMR, vertegenwoordigd door haar [directeur], en DNB, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam en mr. E. Kogan, werkzaam bij DNB, zijn verschenen.

Overwegingen

1.  Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a.  (…);

b.  (…);

c.  (…);

d.  andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, heeft De Nederlandsche Bank tot taak het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder toezichthouder verstaan: De Nederlandsche Bank N.V.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, worden gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, zijn ontvangen, niet gepubliceerd en zijn deze geheim.

Ingevolge het tweede lid is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, verkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (hierna: het Besluit) is als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob uitgezonderd: de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt en de Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de artikelen 2a, 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22, 25a, 46 en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006.

2.  Bij brief van 5 februari 2010 heeft BSMR DNB op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van vergunningaanvragen van BSMR, Adcomp en Forum. Tevens ziet het verzoek op dossiers over virtuele kamerverhuur en het risicoanalyse-dossier met betrekking tot advocatenkantoor Nauta Dutilh.

Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit is uitgezonderd van de toepassing van de Wob. Hiertoe heeft zij in aanmerking genomen dat onder artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 ook de toezichtwerkzaamheden vallen die zij op grond van de Wtt uitoefent.

Aan het besluit van 22 juli 2010 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van BSMR heeft DNB ten grondslag gelegd dat de Wob niet op haar van toepassing is, wat maakt dat haar beslissing op het verzoek van BSMR van 16 maart 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van deAlgemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

3.  De rechtbank heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verwijzing in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit naar de taken en de bevoegdheden van DNB op grond van artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 mede ziet op het toezicht uit hoofde van de Wtt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat DNB met betrekking tot de door BSMR opgevraagde informatie niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob.Voorts komt DNB op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wtt evenmin de bevoegdheid toe om de door BSMR gevraagde informatie openbaar te maken.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 16 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft DNB het door BSMR gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

4.  BSMR betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob. Hiertoe voert zij aan dat het toezicht dat aan DNB is toegewezen op grond van de Wtt niet valt onder de werkzaamheden genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Voorts heeft de rechtbank miskend dat zij niet als financiële instelling kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, nu zij geen financiële instelling is maar handelsactiviteiten onderneemt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de gevraagde documenten onder artikel 12 van de Wtt vallen.

5.  Mede gelet op haar uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr.<a target=”_blank” href=”http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=QM4ou8ZgxGM%3D”>201007835/1/H3</a>is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 16 maart 2010 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt.

Het verzoek van BSMR heeft betrekking op stukken die DNB op grond van de Wtt onder zich heeft.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat DNB met betrekking tot de door BSMR verzochte openbaarmaking van documenten als bestuursorgaan in de zin van de Wob is uitgezonderd. Nu de Wob op het verzoek van BSMR niet van toepassing is, wordt aan een toets aan artikel 2, eerste lid, van de Wob, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van de Wtt, niet toegekomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank met juistheid het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2010 vernietigd en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

6.  Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena  w.g. Klein

voorzitter  ambtenaar van staat

Tags: ,