19 september 2014

Guide to Anti-Bribery and Corruption Laws

door Ellen Timmer

CMS heeft een Engelstalige gids, “Guide to Anti-Bribery and Corruption Laws”, uitgebracht, waarmee iedereen die internationaal werkt en met dat soort regelgeving te maken kan krijgen, zijn voordeel kan doen. Opvallend is wel dat het aantal besproken landen beperkt is. Buiten Europa en aangrenzend (zoals de Oekraïene) kom ik alleen Rusland, Brazilië, China en India tegen.

De gids, in pdf-formaat, is hier te downloaden.

Tags:
15 september 2014

Europese sanctieregels gaan ook gelden in Aruba, Curaçao en Sint Maarten

door Ellen Timmer

Begin september is het voorstel voor de Rijkssanctiewet ingediend bij de Tweede Kamer. Doel van de Rijkssanctiewet is blijkens de memorie van toelichting om er voor te zorgen dat de Europese sanctieregels ook worden toegepast door de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Zie de onderstaande toelichting:

Voor Europese sancties – hetzij sancties die uitsluitend door de Europese Unie zijn vastgesteld, hetzij sancties die door de EU als aanvullende autonome maatregelen in aanvulling op een VN-sanctie worden geplaatst, rust een dergelijke verplichting uitsluitend op het land Nederland.

Dat Nederland wel uitvoering geeft aan Europese sancties en de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk niet, doet afbreuk aan de eenheid van het buitenlands beleid van het Koninkrijk. Deze discrepantie springt nog sterker in het oog door de omstandigheid dat de Sanctiewet 1977 bij gelegenheid van de herziening van de Koninkrijksverhoudingen op 10 oktober 2010 van toepassing is verklaard op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De strekking van het voorstel wordt als volgt omschreven:

De onderhavige rijkswet strekt ertoe de eenheid van het buitenlands beleid van het Koninkrijk te waarborgen, in die zin dat besluiten, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie, houdende beperkende maatregelen met het oog op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme die voor het land Nederland een bindend karakter hebben, ook in de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten zullen worden uitgevoerd. Artikel 3, eerste lid, onder b, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden bepaalt dat de buitenlandse betrekkingen een aangelegenheid van het Koninkrijk zijn. Gelet op oogmerk en inhoud van de onderhavige rijkswet steunt deze op deze statutaire grondslag. De aard en de effectiviteit van het buitenlands beleid op het gebied van bestrijding van internationale georganiseerde misdaad en terrorisme, en in het bijzonder de in artikel 1 van het voorstel bedoelde sanctiemaatregelen, brengen met zich dat eenvormige toepassing in het gehele Koninkrijk noodzakelijk is. De snelheid van wijziging van vestiging van (rechts)personen en verplaatsing van middelen is zo hoog, dat het niet van toepassing zijn van de sanctiemaatregelen in alle landen van het Koninkrijk de werking daarvan zou kunnen ondermijnen.

Het komt er op neer dat Aruba, Curaçao en Sint Maarten na inwerkingtreding gebonden zijn aan Europese sanctieregimes.

Meer informatie

9 september 2014

Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod naar Tweede Kamer

door Ellen Timmer

Begin september is het wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod naar de Tweede Kamer gestuurd. Eerder is over het voornemen een wetgevingsconsultatie gehouden, meer informatie is via de rubriek bestuursverbod te vinden. Ook brancheorganisatie Holland Quaestor heeft aan die consultatie meegedaan, zo blijkt uit de memorie van toelichting.

Het KNB schrijft naar aanleiding van het wetsvoorstel:

Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod naar Tweede Kamer
04 september 2014
Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie wil verhinderen dat malafide bestuurders hun activiteiten kunnen blijven voortzetten. Een malafide bestuurder mag daarom straks maximaal vijf jaar geen rechtspersoon meer besturen als de rechter een civielrechtelijk bestuursverbod heeft opgelegd. Dit staat in het wetsvoorstel dat Opstelten op 3 september bij de Tweede Kamer heeft ingediend.
De maatregel is onderdeel van het wetgevingsprogramma ‘Herijking Faillissementsrecht’ en is gericht op een effectievere bestrijding van faillissementsfraude. Met de invoering van het bestuursverbod wil Opstelten voorkomen dat bestuurders fraudeleuze activiteiten maskeren met een web van rechtspersonen of steeds nieuwe ondernemingen oprichten om ze vervolgens failliet te laten gaan.
Een bestuursverbod kan niet zomaar worden opgelegd. De bestuurder moet een bijzonder verwijt treffen, zoals de vaststelling van aansprakelijkheid wegens wanbeleid dat tot een faillissement heeft geleid, maar ook het doelbewust benadelen van schuldeisers door vlak voor een faillissement bedrijfsvermogen weg te sluizen of voor zelfverrijking aan te wenden. Een verbod zou ook kunnen worden opgelegd als de curator ernstig wordt tegengewerkt of als sprake is van opvolgende faillissementen waarbij een bestuurder in drie jaar tijd bij drie of meer faillissementen betrokken is geweest. Als een bestuursverbod wordt opgelegd, kan de betrokkene – tenzij de rechter anders beslist – bij geen enkele rechtspersoon aanblijven als bestuurder. Ook kan hij niet opnieuw als bestuurder of commissaris worden benoemd.

Rol van de notaris
Minister Opstelten geeft de notaris een grote rol bij de handhaving van het verbod. Hij schrijft: ‘De handhaving van het civielrechtelijk bestuursverbod wordt op verschillende manieren geborgd. In de eerste plaats zullen de notaris en de Kamer van Koophandel hierin een rol hebben. Zij mogen niet meewerken aan de oprichting en inschrijving van een rechtspersoon waarin een bestuurder wordt benoemd die een bestuursverbod opgelegd heeft gekregen.’ Omdat bestuursverboden zullen worden ingeschreven bij het Handelsregister kunnen de notaris en de Kamer van Koophandel eenvoudig online nagaan of een persoon die een onderneming wil oprichten of als bestuurder wil worden ingeschreven een bestuursverbod heeft. Voor de KNB is voorkoming en bestrijding van faillissementsfraude erg belangrijk. De KNB heeft daarom gepleit voor spoedige invoering van een civielrechtelijk bestuursverbod.

Artikelen 106a en 106b

De kernbepalingen van het voorstel zijn de voorstellen voor artikelen 106a en 106b:

Artikel 106a
1. Op vordering van de curator of op verzoek van het openbaar ministerie kan de rechtbank een bestuursverbod opleggen aan de bestuurder van een in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek genoemde rechtspersoon, de gewezen bestuurder daaronder begrepen, als tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het uitspreken van het faillissement van die rechtspersoon:
a. door de rechter bij onherroepelijk geworden uitspraak is geoordeeld dat hij voor zijn handelen of nalaten bij die rechtspersoon aansprakelijk is, als bedoeld in de artikelen 138 of 248 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de bestuurder doelbewust namens de rechtspersoon rechtshandelingen heeft verricht, toegelaten of mogelijk gemaakt waardoor schuldeisers aanmerkelijk zijn benadeeld en die overeenkomstig de artikelen 42 of 47 bij onherroepelijk geworden uitspraak door de rechter zijn vernietigd;
c. de bestuurder, ondanks een verzoek van de curator, in ernstige mate is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatie- of medewerkingsverplichtingen, bedoeld in deze wet, jegens de curator;
d. de bestuurder, hetzij als zodanig, hetzij als natuurlijke persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, ten minste tweemaal eerder betrokken was bij een faillissement van een rechtspersoon en hem daarvan een persoonlijk verwijt treft; of
e. aan de rechtspersoon of de bestuurder ervan een boete wegens een vergrijp als bedoeld in de artikelen 67d, 67e of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgelegd en deze beschikking onherroepelijk is.
2. Een bestuursverbod kan mede worden uitgesproken jegens de bestuurder van een of meer rechtspersonen die bestuurder is of zijn als bedoeld in het eerste lid.
3. De rijksbelastingdienst verstrekt op verzoek aan het openbaar ministerie of de curator de voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, benodigde gegevens.
4. Met uitzondering van het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing op een natuurlijke persoon die handelt of heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Artikel 106b
1. Een bestuurder aan wie een bestuursverbod is opgelegd, kan gedurende vijf jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, of zoveel korter als in de uitspraak is bepaald, niet tot bestuurder of commissaris van een in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek genoemde rechtspersoon worden benoemd. Een benoeming tot bestuurder of commissaris in weerwil van een onherroepelijk opgelegd bestuursverbod is nietig.
2. Tenzij in de uitspraak anders is bepaald, vormt het bestuursverbod voor betrokkene tevens een beletsel voor de uitoefening van zijn functie als bestuurder of commissaris bij alle op grond van artikel 106c, tweede lid, in de procedure betrokken rechtspersonen.
3. De griffier van de rechtbank, of in geval van hoger beroep, van het gerechtshof, biedt de onherroepelijke uitspraak waarin een bestuursverbod is opgelegd met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan, die terstond tot uitschrijving van de betrokken bestuurder uit het Handelsregister overgaat. Tevens wordt het bestuursverbod, voor de duur waarvoor het is opgelegd, geregistreerd bij het Handelsregister.
4. De rechtbank regelt zo nodig alle overige gevolgen van het door haar uitgesproken bestuursverbod.
5. De rechtbank kan ter verzekering van de naleving van haar uitspraak een dwangsom opleggen. Wordt de dwangsom verbeurd, dan komt deze toe aan de boedel of, als daarvan geen sprake is, aan de staat. De Minister van Veiligheid en Justitie kan de ontvangen gelden besteden aan nader door hem te bepalen doeleinden van faillissementsfraudebestrijding.
6. Een uitspraak houdende oplegging van een bestuursverbod kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Meer informatie

29 augustus 2014

Presentatie bij VCO op 9 september 2014 over “De toenemende invloed van de overheid op management van ondernemingen”

door Ellen Timmer

Tijdens de bijeenkomst van de Vereniging van Compliance Officers van 9 september 2014 zal ik een lezing geven over de toenemende overheidsinvloed op het management van ondernemingen. Lees hier de uitnodiging. Onder meer staat er in de uitnodiging:

Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht verbonden aan Pellicaan Advocaten N.V., zal een presentatie geven over de toenemende overheidsinvloed op de personele bezetting van ondernemingen. Financiële instellingen hebben hier al langer mee te maken vanwege de geschiktheidstoetsing door DNB en AFM.

De overheid gaat zich steeds vaker met de personele organisatie van ondernemingen bemoeien, wat wordt geïllustreerd door recente wijzigingen in de trustsector. Onder meer zijn alle trustkantoren verplicht om over een onafhankelijke auditfunctie te beschikken en wenst DNB dat alle trustkantoren in de toekomst twee ‘beleidsbepalers’ hebben.

De in aantocht zijnde nieuwe Europese antiwitwasregelgeving zal naar verwachting tot gevolg hebben dat bij een aantal niet-financiële ondernemingen ook toetsing van functionarissen zal gaan plaats vinden. Een andere vorm van overheidsinvloed is het bestuursverbod, dat volgens kabinetsplannen in het civiele recht zal worden geïntroduceerd.

Kortom: een onderwerp dat volop in beweging is.

28 augustus 2014

Toezichtkosten voor rekening financiële ondernemingen, nota naar aanleiding van verslag

door Ellen Timmer

In een eerder bericht op dit weblog – Pleidooi zes brancheorganisaties in de financiële sector voor checks en balances in toezichtkosten – besteedde ik aandacht aan de overheidsplannen om alle kosten van de toezichthouders aan de onder toezicht vallende ondernemingen door te berekenen.
Aan die plannen wordt vastgehouden, zo blijkt uit de onlangs uitgebrachte nota naar aanleiding van verslag. Opmerkelijk is dat de door de toezichthouders geïncasseerde boetes maar voor een beperkt deel in mindering komen op het budget van de toezichthouder en dat ook de kosten gemoeid met betrokkenheid bij nieuwe wetgeving en voorlichting volledig voor de ondernemingen zullen komen.

27 augustus 2014

Misverstanden over toetsing van beleidsbepalers door DNB

door Ellen Timmer

DNB schreef in de nieuwsbrief voor verzekeraars over de misverstanden bij toetsing van beleidsbepalers. Deze informatie kan ook voor trustkantoren nuttig zijn. Onderstaand volgt de tekst van het bericht.

Misverstanden over toetsingen
Nieuwsbericht 26 augustus 2014

De betrouwbaarheid en geschiktheid van bestuurders en commissarissen zijn cruciaal voor een gezonde financiële sector. Daarom toetst DNB alle beleidsbepalers op deze punten. Duidelijkheid en transparantie over dit toetsingsproces voorkomt misverstanden. Het is jammer als door misverstanden goede kandidaten wegblijven. Hieronder de meest voorkomende misverstanden.

1. Zonder ervaring in de sector kun je geen commissaris of bestuurder worden.
Een frisse blik kan juist een positieve bijdrage vormen. Het is afhankelijk van de situatie of een kandidaat zonder ervaring in de sector commissaris of bestuurder kan worden. De focus ligt op de specifiek toegevoegde waarde van de nieuwe persoon. Om te bepalen of een kandidaat zonder ervaring in de sector een positieve bijdrage kan leveren, kijkt DNB naar de samenstelling van het collectief. Hierin moet voldoende kennis van de sector aanwezig zijn en ook voldoende kunde. In de praktijk blijkt dat een goede onderbouwing van de voordracht door de onderneming enorm helpt: dat is de bril waarmee DNB naar de kandidaat kijkt. Het gaat er natuurlijk ook om welke portefeuille iemand krijgt toebedeeld. Ondernemingen trekken bijvoorbeeld voor ICT-kennis soms mensen van buiten de financiële sector aan. Cruciaal daarbij is dat de betrokken persoon zich in de onderneming en haar business heeft verdiept.

2. DNB vindt het niet goed dat potentiële bestuurders of commissarissen meelopen voordat de toetsing is afgerond.
Bestuurders kunnen maar beter goed worden voorbereid op de functie, dit geldt zeker voor beginnend bestuurders. Sommige ondernemingen laten gegadigden voor commissaris- of bestuursfuncties een tijdje meelopen met het huidige bestuur. Belangrijk is dat deze bestuurders-in-wording niet mogen meebeslissen en intern of extern niet als bestuurder actief zijn. Ze kunnen alleen toehoorder zijn bij vergaderingen. Zo’n voorbereiding helpt hen een idee te geven van wat hen te wachten staat in hun rol; welke producten de onderneming verkoopt, wat het verdienmodel is, wat de bedrijfsstrategie is, hoe de bedrijfscultuur is en welke issues er spelen bij de organisatie. Allemaal zaken die in het toetsingsgesprek ook aan de orde kunnen komen.

3. De toetsing duurt langer dan drie maanden.
Als een bedrijf alle gevraagde documentatie tijdig en compleet aanlevert, hoeft er geen extra informatie te worden opgevraagd. Dit scheelt tijd. Steeds vaker kan de toetsing dan in zes weken worden afgehandeld. Wordt het dossier niet volledig aangeleverd, dan moet DNB deze informatie nogmaals opvragen en daarmee de termijn opschorten. Het helpt als de aangeleverde informatie van goede kwaliteit is en de voordracht goed wordt onderbouwd. Het is geen verplichting maar de ervaring leert dat als de voordragende organisatie zelf assessments, teamanalyses of informatie van searchbureaus in het dossier doet, dit de toetsing vergemakkelijkt. Als ondernemingen deze assessments en analyses toch al op de plank hebben liggen, is het een kleine moeite om die mee te sturen. Let op: het is geen vereiste, meer een voorbeeld van ‘good practice’.

4. Bij ieder antecedent krijg je een kruisje, meerdere kruisjes levert een hertoetsing op.
DNB kijkt altijd naar de inhoud en de ernst van een antecedent en hoe zwaar het antecedent weegt in relatie tot de functie. Het kan soms zelfs zo zijn dat een bestuurder formeel een antecedent heeft, maar feitelijk geen betrokkenheid heeft gehad bij de achterliggende gebeurtenissen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij net bestuurder is geworden.
Wanneer iemand meerdere antecedenten heeft waarbij sprake is van een patroon dat aanleiding geeft tot twijfel aan geschiktheid of betrouwbaarheid, dan kan dit voor DNB wel reden zijn voor een hertoetsing.

5. Iedere hertoetsing leidt tot aftoetsing.
DNB gaat pas hertoetsen als er écht iets aan de hand is. Bij een hertoetsing wordt de toetsing opnieuw gedaan, dus met een zelfstandig oordeel, dat deels door andere ’toezichthouders’ binnen DNB wordt gedaan. Nieuwe mensen kijken weer met een frisse blik naar de zaak en dat komt de objectiviteit van een dergelijk onderzoek ten goede. Het staat vooraf niet vast wat de uitkomst is. Hoewel er vaak sprake is van serieuze antecedenten, hoeft een hertoetsing niet tot aftoetsing te leiden.

6. DNB neemt liever geen formeel besluit.
Een formeel besluit over de geschiktheid en betrouwbaarheid geeft duidelijkheid over de feiten en de weging ervan door DNB. Een positief besluit deelt DNB zo snel mogelijk aan de instelling mee. Bij een negatieve uitslag, neemt DNB eerst telefonisch contact op met de persoon zelf en vervolgens met de instelling.
DNB kan bij de toetsing gebruik maken van bronnen, waarover de instelling niet beschikt. Hierdoor kunnen feiten op tafel komen waarvan de instelling niet op de hoogte was.
Soms wil de instelling of de betrokken persoon liever niet dat het oordeel formeel wordt vastgelegd. De instelling besluit dan vaak de kandidaat terug te trekken, ook kan de kandidaat zelf besluiten zich terug te trekken. DNB komt dan niet toe aan het nemen van een formeel besluit.

7. Als de uitslag van de toetsing negatief is, kun je nooit meer in de sector terecht.
Geschiktheid wordt onder andere bepaald door voldoende kennis van de sector en de onderneming en voldoende vaardigheden voor een goede vervulling van de functie. Is er reden voor DNB om iemand op grond van geschiktheid niet goed te keuren, dan betekent dit niet dat hij of zij niet meer in de sector terecht kan. Immers kennis kan worden bijgespijkerd en ervaring kan worden opgedaan. Bovendien kan iemand voor een andere functies, bij een andere onderneming of in een ander collectief wel geschikt zijn.

Wat betrouwbaarheid betreft, ligt dit anders. Als DNB concludeert dat de betrouwbaarheid van een kandidaat niet buiten twijfel staat, dan zal deze voor langere tijd niet in de sector als bestuurder of commissaris terecht kunnen. Ook dat is niet voor altijd: door tijdverloop kunnen antecedenten minder zwaar gaan wegen. Bovendien kan het gedrag in die periode aantoonbaar zijn veranderd.

8. Jonge bestuurders komen niet door de toetsing.
DNB zou soms willen dat er meer jonge mensen ter toetsing worden voorgedragen. In alle sectoren worden relatief weinig veertigers voorgedragen en dertigers al bijna helemaal niet. Dat is jammer. Binnen het collectief van het bestuur kunnen jonge mensen van grote waarde zijn, bijvoorbeeld omdat zij vernieuwing kunnen brengen, kunnen denken vanuit het belang van de klant of op de hoogte zijn van de laatste trends, zoals social mediagebruik.

9. Een dominante leider komt niet door de toetsing.
Kandidaten die voor een bestuursfunctie of commissariaat worden voorgedragen, hebben vaak een zekere mate van overwicht en dominantie. Dat kan heel goed werken, mits ze zich bewust zijn dat tegenspraak belangrijk is voor een goede besluitvorming. Het is immers goed om een zaak vanuit verschillend perspectief te bekijken. Een leider moet er voor open staan dat zijn of haar visie wordt uitgedaagd. Sterker nog, DNB vindt het noodzakelijk dat bestuurders en commissarissen tegenspraak organiseren. Als binnen het collectief voldoende tegenwicht aanwezig is, hoeft een dominante leider geen probleem te vormen.

10. Een besluit van DNB kun je niet aanvechten
Op elk moment in de procedure is verweer tegen het besluit van DNB mogelijk. Als een toetsing resulteert in een negatief oordeel, dan stelt DNB een voornemen tot een negatief besluit op. Dit wordt verstuurd aan de instelling, met een kopie aan de voorgedragen persoon. In dit voornemen nodigt DNB beide belanghebbenden uit voor het geven van een zienswijze. Dat kan schriftelijk of mondeling. Na de zienswijze komt DNB tot een definitief besluit. Daarin wordt de informatie die is verstrekt in de zienswijze meegenomen. Het kan dus zijn dat DNB na de zienswijze tot een ander oordeel komt. Als DNB negatief besluit, dan kan de voorgedragen persoon niet worden benoemd. Ondertussen staat de mogelijkheid open om in bezwaar en beroep te gaan. Belanghebbenden kunnen bezwaar aantekenen bij de afdeling Juridische Zaken van DNB. Dit bezwaarschrift wordt behandeld door personen die niet eerder bij de zaak zijn betrokken. Daarna kunnen betrokkenen nog in beroep bij de rechter en in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De mogelijkheid om in verweer te gaan vervalt indien de voordracht wordt ingetrokken.

Meer informatie:

12 augustus 2014

Hinderlijke reclame onder blogberichten

door Ellen Timmer

Tot mijn spijt staan er tegenwoordig hinderlijke reclameberichten onder blogberichten op dit door WordPress gehoste blog. Het is wel mijn bedoeling daar iets aan te doen, helaas ontbreekt me daar nu de tijd voor. Degenen die zich storen aan de reclameberichten van de WordPress partners, bied ik hierbij mijn excuses aan.

12 augustus 2014

Kapitalistische banken als criminele ondernemingen: de casus Wall Street

door Ellen Timmer

In het onlangs uitgekomen WODC-rapport over fraude is het eerste artikel van David O. Friedrichs en heeft de prikkelende titel “Kapitalistische banken als criminele ondernemingen: de casus Wall Street“. De auteur betoogt dat de structuur, de cultuur, de collectieve praktijken en de beleidsprincipes die het huidige financiële systeem kenmerken, fundamenteel crimineel en criminogeen zijn. Interessant leesvoer voor degenen die in de financiële sector actief zijn.

Tags:
5 augustus 2014

DNB: “De Sanctiewet: de financiële sector als poortwachter”

door Ellen Timmer

DNB heeft vandaag een bericht over de Sanctiewet gepubliceerd:

De Sanctiewet: de financiële sector als poortwachter

De oplopende politieke spanningen rond het conflict in Oekraïne en de vliegramp met vlucht MH17 hebben ertoe geleid dat de Europese Unie en de Verenigde Staten sancties hebben afgekondigd tegen personen en entiteiten die betrokken zijn bij dit conflict. De financiële sector heeft een belangrijke functie als poortwachter bij de uitvoering van die sancties. Dit DNBulletin schetst de achtergronden bij de sancties en de rol van de Nederlandse financiële sector bij de uitvoering daarvan.
De afgelopen weken heeft de Europese Unie sancties afgekondigd tegen ruim honderd personen en entiteiten die betrokken zijn bij het conflict. Daarnaast zijn er restricties opgelegd aan financiële transacties met Russische staatsbanken en gelden er voor enkele sectoren handelsbeperkingen. De afgelopen jaren zijn er overigens vaker sancties opgelegd tegen personen, entiteiten en landen wereldwijd. Deze sancties kregen niet altijd veel aandacht: naast sancties tegen terroristen en hun organisaties, ging het in eerdere gevallen bijvoorbeeld om sancties die de handel in bepaalde goederen tegengaan of sancties die waren gericht op personen uit conflictgebieden op het Afrikaanse continent, of tegen dictatoriale regimes.

Sanctiemaatregelen
Sancties zijn politieke instrumenten in het buitenland- en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Het zijn dwingende instrumenten die worden ingezet als reactie op schendingen van het internationaal recht of de mensenrechten of om verandering te brengen in beleid wanneer wettelijke of democratische beginselen niet worden nageleefd.

Sancties vormen ook een belangrijk wapen in de strijd tegen terrorisme. Door de tegoeden van terroristen te bevriezen wordt het weliswaar niet onmogelijk om terroristische aanslagen voor te bereiden en uit te voeren, het wordt wel moeilijker.
De meest voorkomende sancties zijn wapenembargo’s en handelsrestricties, reis- en visumrestricties en financiële sancties. Er zijn grofweg twee soorten financiële sancties te onderscheiden: een gebod tot het bevriezen van tegoeden en ander financieel bezit, en een verbod op het verlenen van financiële diensten. Het gaat dan om betalingsverkeer, handelsfinanciering, (transport)verzekeringen, maar ook de directievoering over doelvennootschappen door trustkantoren.

Hoe controleren financiële instellingen de naleving?
Sancties moeten door iedereen worden nageleefd en dus ook door financiële instellingen. Het niet naleven van sancties is een economisch delict. Financiële instellingen fungeren als poortwachter om ongewenste elementen in ons financiële stelsel waar nodig te identificeren, te weren en ongewenste transacties tegen te gaan. Op basis van integriteits-, anti-terrorisme- en anti-witwas-wetgeving wordt van financiële instellingen verwacht dat zij hun klant kennen.
Als een nieuwe of gewijzigde sanctieregeling wordt uitgevaardigd, moeten financiële instellingen nagaan of zij de in de sanctieregeling opgenomen personen, bedrijven of entiteiten als relatie hebben. Daarnaast moeten ze nagaan of ze met hun dienstverlening in potentie ongeoorloofde transacties mede uitvoeren of faciliteren. Aan dat soort transacties mag geen medewerking meer worden verleend. Als daarvan sprake is moet een financiële onderneming direct actie ondernemen. Wat een financiële onderneming precies moet doen hangt af van de aard van de dienstverlening door de financiële instelling en de bepalingen in de sanctieregeling. Hierbij kan gedacht worden aan het verplicht bevriezen van een tegoed op een bankrekening, het blokkeren van een verzekerings- of pensioenpolis of het beëindigen van een handelskrediet. De financiële instelling moet DNB onmiddellijk informeren over bijvoorbeeld een bevriezing.
Financiële instellingen kunnen zich niet beperken tot een check op de gepubliceerde namen op de sanctielijst, maar moeten er alles aan doen om te doorgronden wie de uiteindelijke zeggenschap heeft bij een klant. Deze zogenoemde UBO (‘ultimate beneficial owner’) kan zich bijvoorbeeld verschuilen achter ondernemingen, stichtingen of personen. Het is dus zaak dat financiële instellingen te allen tijde weten wie hun daadwerkelijke klant is. Dit is ook verplicht gesteld in wetgeving. Daarnaast zullen financiële instellingen de financiële relaties van hun klant in hun onderzoek moeten betrekken en moeten nagaan of die wellicht voorkomen op een sanctielijst. Dit alles om te voorkomen dat een financiële instelling op welke manier dan ook meewerkt aan verboden transacties.

Toezicht op de naleving van de Sanctiewet
DNB en AFM houden in de financiële sector toezicht op de naleving van de sancties. Zij kijken naar de effectiviteit van procedures en maatregelen van financiële instellingen die zijn gericht op de naleving van de sancties. Bij overtreding kunnen zij een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete aan een instelling opleggen. Ook kunnen ze strafrechtelijk aangifte doen. Ontvangen meldingen worden door DNB en AFM beoordeeld. Als er sprake is van een (voorgenomen) transactie die in strijd is met de sancties, dan sturen zij de melding daarvan door aan het ministerie van Financiën. Ook zal er, indien nodig, aanvullend onderzoek worden verricht naar de melding.

29 juli 2014

Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2014 is in de Staatscourant geplaatst

door Ellen Timmer

De nieuwe versie van de Regeling integere bedrijfsvoering is afgelopen week in de Staatscourant geplaatst onder de titel “Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2014“. Bij de tekst van de regeling hoort ook een summiere toelichting.

De regeling heeft een zeer algemeen karakter, zoals ook in de vorige versie al het geval was, zodat de praktijk behoefte zal houden aan meer informatie over de interpretatie. In de regeling zijn nieuwe regels inzake functiescheiding binnen trustkantoren opgenomen, die tot doel hebben kleine trustkantoren te weren. Met name artikel 7 is interessant, omdat daarin onder meer de functie van de juridisch auditor is opgenomen, een onderwerp waar over ik al eerder schreef. Dat artikel luidt:

Artikel 7

1. Een trustkantoor draagt zorg voor een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie ten aanzien van haar werkzaamheden. De compliancefunctie is gericht op het controleren van de naleving door het trustkantoor van het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek.

2. Een trustkantoor draagt er zorg voor dat op onafhankelijke en effectieve wijze een auditfunctie wordt uitgeoefend ten aanzien van haar werkzaamheden en de compliancefunctie. De auditfunctie is gericht op het controleren van de naleving door het trustkantoor van het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek en de uitvoering van de compliancefunctie.

3. Een trustkantoor creëert een adequate functiescheiding. Daarmee waarborgt het trustkantoor de onaf-hankelijke uitoefening van de compliancefunctie en de auditfunctie door vastlegging van taken, verant-woordelijkheden en bevoegdheden. Met deze functiescheiding draagt een trustkantoor er in elk geval zorg voor dat:
a. de uitvoering van werkzaamheden niet wordt gecombineerd met de uitoefening van de compliancefunctie ten aanzien van die werkzaamheden;
b. de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van de compliancefunctie niet wordt gecombineerd met de uitoefening van de auditfunctie;
c. een bestuurder van een trustkantoor geen auditfunctie uitoefent en geen compliancefunctie uitoefent ten aanzien van de werkzaamheden van een andere bestuurder, indien de laatstbedoelde bestuurder de compliancefunctie uitoefent of heeft uitgeoefend ten aanzien van werkzaamheden van de eerstbedoelde bestuurder.

4. De personen belast met de compliancefunctie of de auditfunctie rapporteren hun bevindingen, met name gesignaleerde tekortkomingen of gebreken in de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde en het procedurehandboek, aan het bestuur.

5. Een trustkantoor houdt de rapportages, bedoeld in het vierde lid, gedurende vijf jaar beschikbaar voor de toezichthouder.

6. Een trustkantoor kan de compliancefunctie en de auditfunctie uitbesteden.

Vindplaatsen Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2014: