29 mei 2018

DNB nieuwsbrief over uitbesteding, aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad en melding wijzigingen zeggenschapsstructuur

door Ellen Timmer

DNB heeft vandaag een nieuwsbrief uitgebracht met als onderwerpen

Over de aansprakelijkheid van het trustkantoor schreef ik al op dit blog.

25 mei 2018

New EU tax reporting rules for Dutch trust offices [2]

door Ellen Timmer

In March I already wrote on the new reporting rules for intermediaries. Today the European Council announced that new rules were adopted. Member States will have until 31 December 2019 to transpose it into national laws and regulations. The new reporting requirements will apply from 1 July 2020.

Though in the European communication it is suggested that the rules are only relevant for tax advisors, accountants and lawyers that design and/or promote tax planning schemes, the group of intermediaries that have to apply these rules is broader, it applies to:

any person that designs, markets, organises or makes available for implementation or manages the implementation of a reportable cross-border arrangement

More information:

2 mei 2018

Wet toezicht trustkantoren 2018: verslag

door Ellen Timmer

Op 1 mei jl. is het verslag vastgesteld in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018. Trustkantoren worden flink onder vuur genomen. Er worden allerlei vragen gesteld, onder meer over de relatie tussen BFI’s en doelvennootschappen:

De leden van de SP-fractie hebben vragen over het aantal bijzondere financiële instellingen (bfi’s) dat wordt bestuurd door trustkantoren. Zij hebben gelezen dat er zo’n 229 vergunninghoudende trustkantoren actief zijn in Nederland die samen zo’n 20.000 doelvennootschappen beheren. Ook hebben de leden van de SP-fractie vernomen dat er eind 2015 zo’n 15.000 bfi’s in Nederland waren en dat bij 87 procent van deze bfi’s niemand werkt. Mogen deze leden aannemen dat deze bfi’s waar niemand werkt, worden bestuurd door een trustkantoor? Kan de regering enige duiding geven over deze verschillende cijfers? Kan de regering aangeven hoeveel werkgelegenheid de trustsector in directe zin biedt? Door hoeveel medewerkers van een trustkantoor wordt een doelvennootschap gemiddeld beheerd? Hoeveel doelvennootschappen heeft een gemiddelde trustee onder zich in Nederland?

Ook het ‘maatschappelijk betamelijk handelen’ komt in het verslag aan bod. De VVD stelt een verstandige vraag over de open normen:

De leden van de VVD-fractie lezen dat de Raad van State vreest dat de open normstelling van het wetsvoorstel tot spanning kan leiden omdat DNB deze normen werkendeweg zal invullen. De leden van de VVD-fractie vrezen de rechtsonzekerheid die dit mee zal brengen en begrijpen dat de regering die wil ondervangen door DNB procedurele beleidsregels op te laten stellen. Hoe moeten deze leden zich die beleidsregels voorstellen? Is het mogelijk daarvan een proeve te delen met de Kamer? Had het niet meer voor de hand gelegen een aantal open normen, zoals die in artikel 10 en 14, verder uit te werken in de wettekst?

Er worden vragen gesteld over de verplichte rechtsvorm van bv, nv of Europese vennootschap. Zo wordt gevraagd “Zijn er ervaringscijfers waaruit blijkt dat integriteitsvraagstukken zich vaker voordoen bij trustkantoren met andere rechtsvormen?

Degenen die actief zijn in de trustsector doen er goed aan het verslag te lezen.

 

Tags:
19 april 2018

European Parliament agrees with publicly accessible register of beneficial owners

door Ellen Timmer

Today European Parliament agreed with publicly accessibly register of beneficial owners of legal entities in Europa. Contrary to what the press release says, the rules do not only regard letterbox companies. The press release is as follows:

Anti-money laundering: MEPs vote to shed light on the true owners of companies

Press Releases
Plenary session ECON LIBE
3 hours ago

  • Identify beneficial owners of companies operating in the EU
  • EP to back closer controls on virtual currencies
  • Greater protection for whistleblowers

To shed light on the true owners of letterbox companies, any citizen will, in future, be able to access data about the beneficial owners of firms operating in the EU.

MEPs supported on Thursday — by 574 votes to 13 votes, with 60 abstentions — a December agreement reached with the Council, which also proposed closer regulation for virtual currencies, like Bitcoin, to prevent them being used for money laundering and terrorism financing.
The agreement represents the fifth and latest update to the EU’s Anti-money laundering Directive and is partly a response to the terrorist attacks of 2015 and 2016 in Paris and Brussels, as well as the Panama Papers leaks.

Public access to information on real owners of firms
The reforms giving citizens the right to access information on the beneficial owners of firms which operate in the EU, could help quash the corrupt use of letterbox companies created to launder money, hide wealth and avoid paying taxes – a practice which received widespread attention in the wake of the Panama Papers.
An additional measure would also open up data on beneficial owners of trusts and similar arrangements to those who can demonstrate a “legitimate interest”. This would make information on trusts available to investigative journalists and non-governmental organisations (NGOs). Member states will also retain the right to provide broader access to information, in accordance with their national law.

Customer verification for virtual currencies
The new measures also address risks linked to prepaid cards and virtual currencies. In a bid to end the anonymity associated with virtual currencies, virtual currency exchange platforms and custodian wallet providers will, like banks, have to apply customer due diligence controls, including customer verification requirements.
These platforms and providers will also have to be registered, as will currency exchanges and cheque cashing offices, and trust or company services providers.

Lower threshold on prepaid cards
Other measures agreed as part of the update include:
a reduction in the threshold for identifying the holders of prepaid cards from currently €250 to €150;
tougher criteria for assessing whether non-EU countries pose an increased risk of money laundering and closer scrutiny of transactions involving nationals from risky countries (including the possibility of sanctions);
protection for whistleblowers who report money laundering (including the right to anonymity);
an extension of the Directive to cover all forms of tax advisory services, letting agents, art dealers, as well as electronic wallet providers and virtual currency exchange service providers.

Quotes

Krišjānis KARIŅŠ (EPP, LV), co-rapporteur said: “Criminal behaviour hasn’t changed. Criminals use anonymity to launder their illicit proceeds or finance terrorism. This legislation helps address the threats to our citizens and the financial sector by allowing greater access to the information about the people behind firms and by tightening rules regulating virtual currencies and anonymous prepaid cards.”
Judith Sargentini (Verts/ALE, NL), co-rapporteur said: “Annually, we lose billions of euros to money laundering, terrorism financing, tax evasion and avoidance — money that should go to fund our hospitals, schools and infrastructure. With this new legislation, we introduce tougher measures, widening the duty of financial entities to undertake customer due diligence. This will shine a light on those who hide behind companies and trusts and keep our financial systems clean. These rules will also be of enormous benefit to developing countries and their fight against illicit outflows of money which is desperately needed for investment in their own societies.”

Next steps
The updated directive will enter into force three days after its publication in the Official Journal of the European Union. Member states will then have 18 months to transpose the new rules into national law.

28 maart 2018

Nieuwsbrief DNB voor trustkantoren

door Ellen Timmer

De Nederlandsche Bank bracht vandaag een nieuwsbrief voor trustkantoren uit.
Inhoud:

  • Interview met twee medewerkers van trustkantoren, onder meer over het keurmerk van Holland Quaestor
  • Artikel over onderzoek naar herkomst van vermogen en dat dit beter moet
  • Artikel Dialoog FEC en trustsector, waarin Holland Quaestor figureert als gesprekspartner van FEC
  • Bericht over het wetsvoorstel Wtt 2018, waarvan DNB verwacht dat het op 1 januari 2019 in werking zal treden.

Onder het kopje “Belangrijke wijzigingen” vat DNB de gevolgen van de nieuwe wet samen:

Veel van de huidige normen komen ook weer terug in het nieuwe normenkader. Maar het nieuwe kader biedt ook nieuwe bepalingen of uitwerkingen van bestaande normen. Dit geldt vooral voor:

◾Integere en beheerste bedrijfsvoering
Er komen verdergaande vereisten voor de integere en beheerste bedrijfsvoering. Zo voorziet het wetsvoorstel in de vereiste van minimaal twee dagelijkse beleidsbepalers vanuit Nederland, wordt het uitbesteden van de interne compliancefunctie niet langer toegestaan en komt er een verbod op de verlening van trustdiensten aan een cliënt waaraan binnen de groep tevens belastingadvies is verstrekt.

◾Cliëntenonderzoek
Het wetsvoorstel kent resultaatverplichtingen, bijvoorbeeld om de formele zeggenschapsstructuur vast te stellen en inspanningsverplichtingen, bijvoorbeeld voor het bepalen van de vermogenspositie van de UBO, die met zoveel mogelijk zekerheid moet worden bepaald indien absolute zekerheid onmogelijk is. Het acceptatiememorandum is nieuw en brengt de uitkomsten van het cliëntenonderzoek en de risicoanalyse samen als basis waarop besluitvorming over acceptatie kan plaatsvinden. Voor verhoogde risicostructuren zijn additionele vereisten gesteld aan een trustkantoor.

Wees ervan bewust dat het overgangsrecht bepaalt dat een trustkantoor zijn huidige cliëntacceptatiedossier (inclusief de invulling van het UBO- en PEP-begrip) moet omzetten bij de eerst volgende periodieke of ‘event-driven’ review (bijvoorbeeld na contact met de cliënt dat raakt aan de aard van de dienstverlening of een ‘bad press’ alert) na inwerkingtreding van de Wtt18.

DNB zal de komende maanden in haar nieuwsbrieven aandacht blijven geven aan het parlementaire proces, de voorgestelde wijzigingen en de gevolgen daarvan voor trustkantoren.

24 maart 2018

De ongedefinieerde beleidsbepaler in het financiële recht | Wtt 2018

door Ellen Timmer

De Nederlandse financiële wetgever heeft een hekel aan het definiëren van het begrip ‘beleidsbepaler‘, daar schreef ik in 2012 al over.

Dat is nog steeds zo, want in het onlangs ingediende wetsvoorstel Wet toezicht trustkantoren 2018 (hierna: Wtt 2018) is nog steeds geen definitie opgenomen. Nog erger: aandacht voor het rechtspersonenrecht ontbreekt grotendeels. Hier en daar komt het begrip ‘bestuurder’ voor, zoals in de definitie van trustdiensten (artikel 1) en in het artikel over de gegevens inzake het trustkantoor (artikel 8). Grappig is dat bestuurders en commissarissen in artikel 8 als aparte categorie worden genoemd, naast de (mede)beleidsbepalers, bijvoorbeeld in lid 1 en onderdelen a. en b. van dat lid:

1. Een trustkantoor meldt schriftelijk aan de Nederlandsche Bank een voornemen tot wijziging van:
a. de identiteit van de bestuurders en commissarissen van het trustkantoor;
b. de identiteit van degenen die het beleid van het trustkantoor bepalen of mede bepalen;

Welke relatie er tussen de onder a. en b. genoemde categorieën bestaat, wordt noch in het wetsvoorstel, noch in de memorie van toelichting uitgewerkt.

Nog aparter wordt het als we artikel 11 van het voorstel lezen:

Artikel 11. Twee dagelijks beleidsbepalers
1. Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een trustkantoor met zetel in Nederland.
2. De personen die het dagelijks beleid van een trustkantoor met zetel in Nederland bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.
3. De Nederlandsche Bank kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van dit artikel, voor zover de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de belangen die dit artikel beoogt te beschermen voldoende worden gewaarborgd.

Dit leidt er toe dat de dagelijks beleidsbepalers geen statutair bestuurder van het trustkantoor (dat een rechtspersoon behoort te zijn op grond van het wetsvoorstel) behoeven te zijn. Dat kan op zijn minst apart worden genoemd.

Meer aandacht voor het rechtspersonenrecht zou goed zijn voor de kwaliteit van financiële regelgeving.

Meer informatie:

Dit artikel verscheen ook op mijn algemene weblog.

20 maart 2018

Artikelen over het wetsvoorstel

door Ellen Timmer

Over het wetsvoorstel zijn de volgende artikelen verschenen:

Het enige eigen geluid rondom dit onderwerp komt van de Raad van State, samenvatting, advies.

Tags:
19 maart 2018

Wet toezicht trustkantoren 2018 ingediend

door Ellen Timmer

Op 16 maart jl. is het voorstel voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 bij de tweede kamer ingediend:

Tags:
17 maart 2018

Compliance- en auditfunctie bij Wwft-plichtige ondernemingen

door Ellen Timmer

Voor zover de cliënten, de doelvennootschappen of de relaties van cliënten en doelvennootschappen van het trustkantoor Wwft-plichtig zijn, zal het trustkantoor moeten nagaan of die cliënten, doelvennootschappen en relaties aan de Wwft voldoen. Daarbij is van belang dat niet alle Wwft-plichtigen over een compliance- of auditfunctie behoeven te beschikken.

In het onlangs door de tweede kamer aangenomen eerste wetsvoorstel tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is het volgende artikel opgenomen:

Artikel 2d
1. Indien het dagelijks beleid van een instelling wordt bepaald door twee of meer personen, wijst een instelling één van de personen die het dagelijks beleid van de instelling bepalen aan die is belast met de verantwoordelijkheid voor de naleving door de instelling van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
2. Voor zover passend bij de aard en omvang van de instelling, beschikt een instelling over een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie.
3. De compliancefunctie is gericht op het controleren van de naleving van wettelijke regels en interne regels die de instelling zelf heeft opgesteld en omvat onder meer de taak die strekt tot het verstrekken van de gegevens, bedoeld in artikel 16, aan de Financiële inlichtingen eenheid.
4. Indien van toepassing en voor zover passend bij de aard en de omvang van de instelling, draagt een instelling er zorg voor dat op onafhankelijke wijze een auditfunctie wordt uitgeoefend ten aanzien van haar werkzaamheden. De auditfunctie controleert de naleving door een instelling van de bij of krachtens deze wet gestelde regels en de uitoefening van de compliancefunctie.

Hier volgt uit dat Wwft-plichtige ondernemingen geen “onafhankelijke en effectieve compliancefunctie” hoeven in te stellen als dat niet passend is bij aard en omvang van die onderneming (lid 2). Een gelijksoortige eis geldt voor de auditfunctie (lid 4).

In de memorie van toelichting werd over dit artikel onder meer het volgende gezegd:

§ 5.1.3. Risicomanagement

Voor banken en andere financiële ondernemingen bestaan ingevolge de Wft reeds verplichtingen tot het opstellen van een risicobeoordeling en het vaststellen van daarop gebaseerde gedragslijnen, procedures en maatregelen, ook voor zover het risico’s op witwassen en terrorismefinanciering betreft. Soortgelijke verplichtingen gelden daarnaast voor trustkantoren en accountants. De met het onderhavige wetsvoorstel geïntroduceerde verplichtingen inzake risicomanagement zullen voor deze instellingen derhalve naar verwachting slechts leiden tot een zeer geringe toename van de administratieve lasten en nalevingskosten. Voor andere instellingen, waaronder in ieder geval de nieuwe categorieën instellingen zoals de aanbieders van kansspelen, is dit een nieuwe verplichting en derhalve een lastenverzwaring.
Het opstellen van een risicobeoordeling en het ontwikkelen van nieuw beleid, procedures en maatregelen vergt in de eerste plaats eenmalige werkzaamheden van een instelling. De hiertoe benodigde werkzaamheden zullen, indien een instelling daarover beschikt, doorgaans worden verricht door de compliancefunctie. De maatregelen die een instelling neemt om een risicobeoordeling op te stellen dienen te worden afgestemd op de aard en omvang van de instelling. Omdat de reikwijdte van de Wwft zich uitstrekt over een breed scala aan instellingen, waaronder ook instellingen die met het oog op hun aard en omvang niet over een compliancefunctie zullen beschikken, zullen de kosten die gepaard gaan bij het opstellen van een risicobeoordeling en beleid, procedures en maatregelen sterk verschillen. (…)

Voor een groot deel van de instellingen zal het inrichten van een compliance- en/of auditfunctie bovendien niet mogelijk of niet evenredig zijn aan de aard en omvang van de instelling: dit geldt in het bijzonder voor natuurlijke personen en eenmanszaken. (…)

Artikel 1f tot en met 2d – risicomanagement
(…) Rechtspersonen of vennootschappen die als instelling in de zin van de Wwft kwalificeren, dienen op grond van artikel 2d een van de personen die het dagelijks beleid van de instelling bepalen aan te wijzen als verantwoordelijk voor de naleving door de instelling van het bij of krachtens de Wwft bepaalde. Door middel van een verwijzing naar instellingen waar het dagelijks beleid wordt bepaald door twee of meer personen, is in het artikel duidelijk gemaakt dat deze verplichting niet geldt voor natuurlijke personen, die naar hun aard niet aan deze bepaling kunnen voldoen.
Op grond van het tweede lid van artikel 2d worden instellingen voorts verplicht om, voor zover dit passend is ten opzichte van de aard en de omvang van de instelling, te voorzien in de invulling van een compliancefunctie. Ook hier geldt dat een natuurlijk persoon, handelend in het kader van zijn beroepsactiviteiten, naar zijn aard niet kan voorzien in een onafhankelijke compliancefunctie. In een dergelijk geval is de verplichting van artikel 2d, tweede lid, niet van toepassing. Daarnaast kan het voor een instelling van beperkte omvang onevenredig en daarmee niet passend zijn om een afzonderlijke compliancefunctie in te richten. De omvang van de instelling, alsmede het type instelling, speelt derhalve een belangrijke rol bij de naleving van deze verplichting.
Ook de wijze waarop de compliancefunctie wordt ingericht, kan op de aard en omvang van de instelling worden afgestemd. De compliancefunctie dient op onafhankelijke en effectieve wijze te worden uitgevoerd. In beginsel betekent dit dat de personen die betrokken zijn bij de uitoefening van de compliancefunctie, niet tevens betrokken zijn bij de activiteiten waarop zij toezicht houden. Echter, bij kleinere instellingen kan het onevenredig zijn om de onafhankelijkheid van de compliancefunctie op deze wijze vorm te geven. Ook is het mogelijk dat een instelling ervoor kiest de compliancefunctie (geheel of gedeeltelijk) uit te besteden.
De uitoefening van de compliancefunctie is gericht op de controle van de naleving van de wettelijke regels en de regels die door een instelling zelf zijn ingesteld. Dit houdt onder meer in dat erop wordt toegezien dat procedures, bijvoorbeeld voor het verrichten van cliëntenonderzoek, in overeenstemming zijn met geldende regelgeving. Indien daarbij onvolkomenheden worden aangetroffen, dient de instelling maatregelen te nemen om deze onvolkomenheden effectief te adresseren. Uit artikel 33, tweede lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn volgt voorts dat het melden van ongebruikelijke transacties en het verstrekken van de benodigde informatie aan de FIU gebeurt door de persoon die belast is met de compliancefunctie. In het derde lid van artikel 2d wordt hierbij aangesloten. Dit neemt overigens niet weg dat het aanmerken van een transactie als ongebruikelijk, doorgaans de verantwoordelijkheid van de eerstelijns functie (de medewerkers verantwoordelijk voor de uitvoering van de dienstverlening van de instelling) is.
Met het vierde lid van artikel 2d wordt de verplichting voor instellingen geïntroduceerd om, indien dit passend is ten opzichte van de aard en omvang van haar onderneming, te voorzien in een onafhankelijke auditfunctie. Hiermee wordt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de vierde anti-witwasrichtlijn geïmplementeerd. De verplichting om een auditfunctie in te stellen geldt, zoals ook bij de compliancefunctie het geval is, naar haar aard alleen voor rechtspersonen en vennootschappen die als instelling kwalificeren.
Voor de toepassing van deze wet dient de auditfunctie de naleving van het bij of krachtens de Wwft bepaalde door de instelling, alsmede de uitoefening van de compliancefunctie, op onafhankelijke wijze te controleren. Dat geldt in het bijzonder voor het controleren van de werking van de gedragslijnen, procedures en maatregelen om geïdentificeerde risico’s te beheersen. Indien de auditfunctie hierbij gebreken constateert, ligt het in de rede dat deze gemeld worden en dat de personen die het dagelijks beleid van de instelling bepalen, ervoor zorg dragen dat de noodzakelijke wijzigingen worden doorgevoerd in de gedragslijnen, procedures en maatregelen. De intensiteit van de invulling van de auditfunctie dient te worden afgestemd op het risicoprofiel van de instelling. Zoals hiervoor reeds is toegelicht ten aanzien van de compliancefunctie, geldt ook voor de invulling die wordt gegeven aan de mate van onafhankelijkheid van de auditfunctie dat dit afhankelijk is van de aard en omvang van de instelling.

Uiteraard zal het voorstel nog door de eerste kamer moeten worden behandeld.

Meer informatie:

Een variant van dit artikel verscheen op mijn algemene weblog.

15 maart 2018

New EU tax reporting rules for Dutch trust offices

door Ellen Timmer

On 13 March the Council of the EU announced that agreement has been reached on tax intermediaries.
According to the announcement the draft directive will require intermediaries to report schemes that are considered potentially aggressive. Interestingly the draft defines a broad concept of intermediaries:

“intermediary” means any person that designs, markets, organises or makes available for implementation or manages the implementation of a reportable cross-border arrangement

Dutch trust offices (‘trustkantoren’) are included in this definition and will have reporting obligations under the proposed directive.