Posts tagged ‘Wtt’

16 april 2013

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren

door Ellen Timmer

Op 28 maart jl. heeft College van Beroep voor het bedrijfsleven een belangrijke uitspraak gedaan over complianceverplichtingen op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze uitspraak een bredere betekenis voor het financiële toezichtrecht. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen:

  • “domicilieverlening” in de zin van de Wtt
  • de grondslag voor de ‘documentatieverplichtingen’ voor trustkantoren
  • bestuursrechtelijke resultaatsverplichtingen
  • de bewijslast
  • de wijze waarop de last is omschreven in de last onder dwangsom
  • de cautie

Belangrijke overwegingen over de ‘resultaatsverplichtingen’ in het bestuursrecht:

5.3.6  Ten aanzien van de achtste, elfde en twaalfde grief van [appellant] overweegt het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op trustkantoren op grond van de artikelen 12, 13, 14 en 18 van de Rib een aantal duidelijke (resultaats)verplichtingen rust. De in deze artikelen neergelegde verplichtingen zijn concreet ten aanzien van het verzamelen, controleren en administreren van specifiek omschreven informatie. Het College vermag niet in te zien dat het hier niet (ook) om resultaatsverplichtingen zou gaan, nu specifiek is bepaald over welke kennis het trustkantoor dient te beschikken en welke gegevens opgevraagd en in de cliëntadministratie vastgelegd moeten worden. Dat een trustkantoor, zoals [appellant] betoogt, wellicht “geen absolute zekerheid” kan verkrijgen omtrent een deel van de onderwerpen waarvan documentatie is vereist, doet daar niet aan af. Daargelaten wat onder “absolute zekerheid” moet worden verstaan, merkt het College op dat “absolute zekerheid” niet de maatstaf is aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een trustkantoor aan de uit de Wtt en Rib voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
De stelling van [appellant] dat ten aanzien van de verplichtingen op grond van het eerste lid van artikel 10 Wtt en de Rib voor haar niet (voldoende) kenbaar is geweest op welke wijze zij daaraan moest voldoen, kan niet worden gevolgd. In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de in de Rib neergelegde normen voldoende concreet duidelijk maken, welke handelingen van een trustkantoor worden verlangd.
Het College ziet voorts in de gedingstukken geen aanleiding voor het oordeel dat de eisen die DNB aan de inrichting van het cliëntacceptatiedossier en het vergaren van de gevraagde informatie heeft gesteld, voor [appellant] niet voldoende duidelijk waren of dat deze eisen, zoals [appellant] heeft gesteld, zouden hebben gewisseld. Uit de stukken blijkt dat DNB in haar brieven naar aanleiding van de gehouden bezoeken steeds uiteen heeft gezet waarom en op welke punten de dossiers van [appellant] te kort schoten.

Op een later tijdstip hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de betekenis van deze uitspraak voor de financiële toezichtpraktijk.

Tags: , , ,
7 maart 2013

Aanpak van illegale trustkantoren door DNB

door Ellen Timmer

Misschien een beetje laat om te signaleren, maar vorige jaar verscheen in het DNB Magazine een wel zeer oninformatief artikel over de trustkantoren sector. Weliswaar was het thema “de mensen van het Frederiksplein”, maar dat betekent dan nog niet dat je de marketing mensen een vrije hand moet geven in het schrijven van een stukje dat alleen op “feel good” misdaadbestrijding is gericht.

Tenslotte is in 2012 de Wet toezicht trustkantoren ingrijpend gewijzigd en het begrip “trustdiensten” sterk verruimd. Daar hadden de lezers van het DNB Magazine ook over geïnformeerd mogen worden.

27 februari 2013

Trustkantoor is financiële instelling

door mr R.W. van der Grinten

In tegenstelling tot wat enkele auteurs zoals Frielink (Toezicht trustkantoren in Nederland, eerste druk, pagina 2)  en Lugard (Tijdschrift voor Compliance, 2006-04) in het verleden meenden, zijn trustkantoren weldegelijk financiële instellingen. In het onderstaande arrest wordt in r.o. 5 vastgesteld dat: ´´Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen.´´

In het onderstaande arrest wordt bevestigd dat DNB niet op basis van een WOB procedure gesommeerd kan worden inzage te geven in allerhande niet publiek voorhanden zijnde stukken. Ook wordt bevestigd dat DNB wel rekening heeft te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals verwoord in de Awb.

Hierna volgt de integrale tekst van arrest 201208382/1/A3.

Datum uitspraak: 23 januari 2013

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK van de Raad van State

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B en S Management Rhoon B.V., gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard (hierna: BSMR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 inzaak nr. 10/3221 in het geding tussen:

BSMR

en

De Nederlandsche Bank N.V (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB een verzoek van BSMR om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2010 heeft DNB het door BSMR daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011 heeft de rechtbank het door BSMR daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door BSMR gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft BSMR bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 februari 2012 heeft het CBb zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van BSMR kennis te nemen en bepaald dat het hoger beroep met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden doorgezonden aan de Afdeling.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2012, waar BSMR, vertegenwoordigd door haar [directeur], en DNB, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam en mr. E. Kogan, werkzaam bij DNB, zijn verschenen.

Overwegingen

1.  Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is deze wet van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a.  (…);

b.  (…);

c.  (…);

d.  andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, heeft De Nederlandsche Bank tot taak het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder toezichthouder verstaan: De Nederlandsche Bank N.V.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, worden gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, zijn ontvangen, niet gepubliceerd en zijn deze geheim.

Ingevolge het tweede lid is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, verkregen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (hierna: het Besluit) is als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, van de Wob uitgezonderd: de Nederlandsche Bank N.V., voor zover belast met de werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken op grond van de artikelen 2, eerste, tweede en derde lid, en 3 van de Bankwet 1998, en haar taken en bevoegdheden ingevolge artikel 4, eerste lid van de Bankwet 1998, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het notarisambt en de Wet op het financieel toezicht, alsmede, voor zover nog van toepassing op grond van de artikelen 2a, 5, 8, 17, 18, 19, 20a, 22, 25a, 46 en 49 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals deze luidden op 31 december 2006.

2.  Bij brief van 5 februari 2010 heeft BSMR DNB op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van vergunningaanvragen van BSMR, Adcomp en Forum. Tevens ziet het verzoek op dossiers over virtuele kamerverhuur en het risicoanalyse-dossier met betrekking tot advocatenkantoor Nauta Dutilh.

Bij brief van 16 maart 2010 heeft DNB zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit is uitgezonderd van de toepassing van de Wob. Hiertoe heeft zij in aanmerking genomen dat onder artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 ook de toezichtwerkzaamheden vallen die zij op grond van de Wtt uitoefent.

Aan het besluit van 22 juli 2010 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van BSMR heeft DNB ten grondslag gelegd dat de Wob niet op haar van toepassing is, wat maakt dat haar beslissing op het verzoek van BSMR van 16 maart 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van deAlgemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

3.  De rechtbank heeft geoordeeld dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verwijzing in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit naar de taken en de bevoegdheden van DNB op grond van artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 mede ziet op het toezicht uit hoofde van de Wtt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat DNB met betrekking tot de door BSMR opgevraagde informatie niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob.Voorts komt DNB op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wtt evenmin de bevoegdheid toe om de door BSMR gevraagde informatie openbaar te maken.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 16 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop heeft DNB het door BSMR gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

4.  BSMR betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat DNB niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Wob. Hiertoe voert zij aan dat het toezicht dat aan DNB is toegewezen op grond van de Wtt niet valt onder de werkzaamheden genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Voorts heeft de rechtbank miskend dat zij niet als financiële instelling kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998, nu zij geen financiële instelling is maar handelsactiviteiten onderneemt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de gevraagde documenten onder artikel 12 van de Wtt vallen.

5.  Mede gelet op haar uitspraak van 30 maart 2011 in zaak nr.<a target=”_blank” href=”http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=QM4ou8ZgxGM%3D”>201007835/1/H3</a>is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid en op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 16 maart 2010 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt.

Het verzoek van BSMR heeft betrekking op stukken die DNB op grond van de Wtt onder zich heeft.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het toezicht uit hoofde van de Wtt valt onder de taken en bevoegdheden van DNB als genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtt volgt dat een ruime uitleg wordt gegeven aan het begrip financiële instellingen en dat trustkantoren door de wetgever worden aangemerkt als financiële instellingen. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat DNB met betrekking tot de door BSMR verzochte openbaarmaking van documenten als bestuursorgaan in de zin van de Wob is uitgezonderd. Nu de Wob op het verzoek van BSMR niet van toepassing is, wordt aan een toets aan artikel 2, eerste lid, van de Wob, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van de Wtt, niet toegekomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank met juistheid het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juli 2010 vernietigd en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

6.  Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.  Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena  w.g. Klein

voorzitter  ambtenaar van staat

Tags: ,
19 februari 2013

DNB onderzoekt gedrag & cultuur bij trustkantoren

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB.

Datum 15 februari 2013

In februari 2013 start DNB een onderzoek naar gedrag & cultuur bij 4 trustkantoren. Wat houdt dat in, toezicht op gedrag & cultuur en wat betekent dit onderzoek voor trustkantoren? Een interview met Melanie de Waal en Ingeborg Rademakers, toezichthouders bij het Expertisecentrum Cultuur, Organisatie en Integriteit van DNB.

Wat voor onderzoek gaat DNB doen?

‘In februari start onderzoek naar het gedrag & cultuur van twee grotere trustkantoren en twee kleinere trustkantoren. Daarvoor houden we gesprekken met de bestuursleden en de compliance officers, en zullen we ook vergaderingen bijwonen.    We kijken vooral naar de besluitvorming en leiderschap, de gedragspatronen en groepsdynamiek die deze kunnen versterken of verzwakken. Hierbij spelen de dieperliggende waarden en overtuigingen, ofwel de mindset, binnen een trustkantoor ook een rol. Al deze begrippen zijn nieuw voor de trustsector en het onderzoek zal mede behulpzaam zijn om bestuurders van trustkantoren hier meer inzicht in te bieden.’

Waarom besteedt DNB vanuit het toezicht aandacht aan gedrag & cultuur bij trustkantoren?

Het gedrag en de cultuur bij een trustkantoor heeft grote invloed op de financiële prestaties, de aandacht voor integriteitsrisico’s en de reputatie van trustkantoren, en daarmee breder ook op het vertrouwen in de financiële sector. Door binnen het toezicht specifiek te kijken naar gedrag en cultuur aspecten bij de trustkantoren kunnen we (integriteits)risico’s die samenhangen met het gedrag en de cultuur binnen een trustkantoor in een vroeg stadium op het spoor komen en beïnvloeden. Een dominante bestuurder die weinig tegenspraak duldt, loopt bijvoorbeeld het risico dat hij te weinig luistert naar de mening van de compliance officer, die hem waarschuwt voor bepaalde integriteitsrisico’s bij de cliëntacceptatie. Daardoor kunnen klanten geaccepteerd worden die niet voldoen aan de integriteitseisen.

Wat betekent dit onderzoek voor trustkantoren?

Trustkantoren spelen als poortwachter een belangrijke rol in het bewaken van de integriteit van de financiële sector. Zij hebben er belang bij dat het vertrouwen in de financiële sector niet wordt geschaad door gedrag dat een risico vormt voor hun prestaties, integriteit en reputatie en andersom.

DNB wil met dit onderzoek de bestuurders van de trustkantoren een spiegel voorhouden. Het zet aan tot discussie over het eigen gedrag en de eigen cultuur, waarbij zowel de goede voorbeelden als de verbeterpunten aan de orde komen. Daar waar wij risico’s signaleren, verwachten we dat trustkantoren zelf met verbeteracties komen en deze in gang zetten. De algemene resultaten van dit onderzoek zal DNB na afronding van het onderzoek presenteren aan de sector.

Tags: ,
19 februari 2013

DNB doet in 2013 onderzoek naar doorstroomvennootschappen

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB over onderzoek naar doorstroomvennootschappen.

Datum 15 februari 2013

Begin 2013 is DNB een themaonderzoek gestart naar doorstroomvennootschappen bij trustkantoren. De cliënten van doorstroomvennootschappen, ook wel ‘inhouse’-vennootschappen genoemd, vallen namelijk sinds 1 juli 2012 onder de Wtt.

Start themaonderzoek doorstroomvennootschappen

Sinds 1 juli 2012 vallen de doorstroomvennootschappen binnen de reikwijdte van de Wtt en daarmee binnen het toezicht van DNB, omdat aan de cliënten van deze doorstroomvennootschappen en de transacties die daarmee gepaard gaan integriteitsrisico’s zijn verbonden. Deze risico’s zijn voor DNB voldoende aanleiding om begin 2013 het themaonderzoek ‘Doorstroomvennootschappen bij trustkantoren’ te starten.

In dit onderzoek kijkt DNB naar de dienstverlening aan cliënten via doorstroomvennootschappen en in het bijzonder naar consultancydiensten, waar DNB in 2012 uitvoerig onderzoek naar heeft gedaan, leningen en royalties. Binnen één doorstroomvennootschap worden vaak verschillende cliënten bedient en zijn er dus meerdere geldstromen. Dit bemoeilijkt de monitoring van de geldstromen alsook het inzicht in de onderbouwing van de transacties, wat doorstroomvennootschappen tot een risicovolle trustdienst maakt.    Van de trustkantoren wordt verwacht dat ze de clientacceptatiedossiers voor de cliënten in de doorstroomvennootschapen op gelijke wijze inrichten als voor bestaande Wtt-klanten. DNB zal bij onvoldoende naleving van de normen bij doorstroomvennootschappen direct handhavend kunnen optreden.

Doorstroomvennootschap

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd waardoor als trustdienst wordt aangemerkt het ten behoeve van een cliënt gebruikmaken van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor.    De wettelijke verplichtingen zien niet alleen op bestaande trustkantoren. Ook andere  partijen, onder meer belastingadviseurs en juridisch adviesbureaus, die voor hun cliënten gebruik maken van deze zogenoemde inhouse- of doorstroomvennootschappen zijn verplicht een trustvergunning aan te vragen. Een voorbeeld van een doorstroomvennootschap bij een niet-trustkantoor is de belastingadviseur die zijn cliënt een royaltystructuur adviseert en tevens aanbiedt dat de cliënt voor deze structuur gebruik kan maken van een vennootschap van de belastingadviseur.

Eisen aan de bedrijfsvoering

De wettelijke eisen die gelden voor de dienstverlening aan cliënten door middel van een eigen doorstroomvennootschap zijn vergelijkbaar met de Wtt-normen zoals die gelden voor doelvennootschappen van trustkantoren. Zo bepaalt de wet dat het trustkantoor moet voldoen aan de ‘ken-uw-klant’ eisen  en de verdere vereisten voor cliëntacceptatie; zoals kennis van het doel van de  dienstverlening aan de cliënt en de herkomst en bestemming van de middelen. Tot slot zal het trustkantoor ook een individuele risicoanalyse moeten maken van de cliënt.

Aandacht voor Meldingen Ongebruikelijke Transacties

DNB besteedt in 2013 extra aandacht aan het wijzen van trustkantoren op de verplichting om Meldingen Ongebruikelijke Transacties (MOT) te melden aan de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU). Ook voor ongebruikelijke transacties van cliënten in doorstroomvennootschappen geldt dat trustkantoren deze moeten melden aan FIU-Nederland. DNB verwijst voor extra informatie, uitleg over de meldindicatoren en FAQ over MOT-meldingen naar de website van FIU-Nederland.

19 februari 2013

Wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013 in werking getreden

door mr R.W. van der Grinten

Onderstaand een nieuwsbericht van DNB over de wijzigingen van de WWFT per 1 januari 2013.

Datum 5 februari 2013

Op 1 januari 2013 is een wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) in werking getreden die strekt tot aanvulling en verbetering van de wet. DNB vindt het belangrijk dat instellingen bijdragen aan een schone sector en zich niet inlaten met financieel economische criminaliteit. De aanpassingen van de WWFT verduidelijken onder andere het cliëntenonderzoek, waardoor doelgerichter toezicht kan plaatsvinden.

Aanpassingen cliëntenonderzoek

De meeste wijzigingen betreffen een verduidelijking van de bepalingen over het cliëntenonderzoek. De WWFT bepaalt nu duidelijker dat de instelling de uiteindelijk belanghebbende altijd geïdentificeerd moet hebben, maar dat de verificatie risicogebaseerd kan plaatsvinden. Tevens bepaalt de wet dat de instelling de verzamelde informatie over de cliënt actueel moet houden. Ook zijn nu expliciete bepalingen opgenomen voor het identificeren en verifiëren van de vertegenwoordiger, de personenvennootschap en de trust. Een groot deel van de aangescherpte bepalingen waren al in de DNB Leidraad WWFT/SW opgenomen en zijn daarom al gangbare praktijk voor de banken en de levensverzekeraars. Met andere woorden, de wet is explicieter geworden.

Vereisten voor PEP’s

Een nieuw vereiste is dat de instelling niet alleen van de cliënt, maar nu ook van de uiteindelijk belanghebbende moet controleren of deze een politiek prominent persoon (politically-exposed person, PEP) is. Ook nieuw is het vereiste dat PEP’s die in Nederland wonen maar een niet-Nederlandse nationaliteit hebben, onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen. Voor levensverzekeraar is er echter een uitzondering gemaakt voor deze extra maatregelen voor buitenlandse PEP’s die in Nederland wonen.    Door de nieuwe maatregelen die voor PEP’s zijn gaan gelden, dienen instellingen over het algemeen hun systemen aan te passen. DNB heeft daarom besloten tot 1 april 2013 een zekere coulance te betrachten bij het handhaven van die gewijzigde bepalingen die een materiele aanpassing van de systemen vereisen.

Monitoring en melden ongebruikelijke transacties

De WWFT stelt nu ook expliciet dat instellingen aandacht moeten besteden aan ongebruikelijke transactiepatronen en transacties die naar hun aard een hoger risico inhouden. Ook moeten instellingen maatregelen te treffen ter voorkoming van risico’s die samenhangen met het gebruik van nieuwe technologieën. Een verdere wijziging betreft de bepaling dat de meldtermijn voor ongebruikelijke transacties weer onverwijld is geworden. Dit was overigens al zo onder de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties die in 2008 is ingetrokken bij de inwerkingtreding van de WWFT.

WWFT thema-onderzoeken

DNB start in 2013 weer diverse thema-onderzoeken waarbij DNB onder meer zal kijken naar de naleving van de WWFT. Instellingen die in deze thema-onderzoeken betrokken worden, zijn bijkantoren van in Nederland gevestigde buitenlandse banken waarbij aandacht zal worden besteed aan controles van het betalingsverkeer en correspondentrelaties, en banken en levensverzekeraars waarbij de voortdurende controle van klanten en monitoring van activiteiten aan de orde zal komen.

Tags: , ,
11 juli 2012

Bericht DNB over de wijzigingen in Wtt en Rib

door Ellen Timmer

Onderstaand het bericht van DNB over de wijzigingen in Wtt en Rib, zoals te vinden op de DNB-site.

Wijziging Wtt en Rib

Nieuwsbericht
Datum: 11 juli 2012

Per 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd. Dit brengt een aantal belangrijke veranderingen met zich mee voor trustkantoren.

De wijzigingen zijn drieledig:

1. Wijziging van het begrip ‘uiteindelijk belanghebbende’.
2. Wijziging van de reikwijdte van de Wtt.
3. Wijziging van handhavingsbevoegdheden van DNB.

1. Uiteindelijk belanghebbende
De grens voor de kwalificatie als uiteindelijk belanghebbende (UBO) is in de wet verhoogd van 10 naar 25 procent. Dit betekent dat een natuurlijk persoon pas als uiteindelijk belanghebbende wordt aangemerkt als hij ten minste 25% kapitaalbelang heeft, 25% van de stemrechten houdt, begunstigde is van ten minste 25% van het vermogen of een bijzondere zeggenschap heeft over 25% of meer van het vermogen in een doelvennootschap. Deze wetswijziging is vooral van belang voor de cliëntidentificatie-procedures van trustkantoren.

2. Reikwijdte Wtt
Op 1 juli 2012 is de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) zodanig gewijzigd dat twee nieuwe activiteiten als trustdienst onder de reikwijdte van de wet zijn gebracht:
1. Het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen.
2. Het ten behoeve van de cliënt gebruik maken van een zogenoemde doorstroomvennootschap.

Bemiddelen
Naast de verkoop van rechtspersonen is met ingang van 1 juli 2012 het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen ook aangemerkt als een dienst in de zin van de Wtt. Hiervoor is dus een trustvergunning vereist.

Van bemiddelen is sprake wanneer een trustkantoor kopers en verkopers van rechtspersonen met elkaar in contact brengt. Dit kan onder andere blijken uit het gegeven dat het trustkantoor een vergoeding krijgt voor het verlenen van deze diensten. Van het vergunning houdende trustkantoor wordt verwacht dat het op de hoogte is van de intenties van partijen betrokken bij de overdracht. Het trustkantoor moet aannemelijk maken dat de betrokken rechtspersonen niet gebruikt zullen worden voor het witwassen van criminele geldstromen of het financieren van terrorisme.

Doorstroomvennootschappen
Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor en door de cliënt, bijvoorbeeld om fiscale redenen, wordt gebruikt om gelden te ontvangen en uit te keren. Het eigendom van de doorstroomvennootschap is hierbij niet van belang. Met de wetswijziging is het gebruik maken van een doorstroomvennootschap ook een trustdienst geworden.

Virtuele trustkantoren
Virtuele trustkantoren verrichten trustactiviteiten in Nederland, maar niet vanuit een Nederlandse vestiging. Meestal voor Nederlandse vermogende particulieren en ondernemingen die belasting willen ontwijken of anoniem rechtspersonen willen gebruiken. Virtuele trustkantoren vallen met de wetswijziging onder de verbodsbepaling, doordat de vestigingseis komt te vervallen.

De komende periode besteedt DNB extra aandacht aan partijen die zonder de vereiste vergunning bovengenoemde activiteiten verrichten. DNB neemt in het bijzonder (het bemiddelen bij) de verkoop van rechtspersonen onder de loep. DNB zal met een aantal gerichte handhavingsacties optreden tegen illegale marktpartijen. Hierbij werkt DNB nauw samen met de Belastingdienst, FIOD en het Openbaar Ministerie.

3. Handhavingsbevoegdheden
De wetswijziging breidt de bevoegdheden van DNB uit om een aanwijzing te geven. Met ingang van 1 juli 2012 kan DNB een aanwijzing opleggen aan illegale trustkantoren. Daarnaast kan DNB bij een trustkantoor een (stille) curator aanstellen.

Nieuwe Regeling integere bedrijfsvoering Wtt
De uitbreiding van de wet maakt een aanvulling van onderliggende regelgeving, de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt (‘Regeling’), noodzakelijk. In de nieuwe Regeling, die per 1 juli van kracht is, is verduidelijkt hoe trustkantoren het cliëntenonderzoek moeten vormgeven bij het uitvoeren van de twee nieuwe trustdiensten ‘Doorstroomvennootschappen’ en ‘Bemiddelen’.

De wijziging van de Regeling wordt gepubliceerd in de Staatscourant en op Open Boek Toezicht. Hier kunt u ook het feedbackdocument terug vinden, waarin de analyse van de consultatieronde is opgenomen. Op 1 januari 2013 wordt de Regeling omgezet in een ministeriële regeling. DNB en het Ministerie van Financiën werken gezamenlijk aan deze overgang.

27 juni 2012

Wijziging Vrijstellingsregeling Wet toezicht trustkantoren, onder meer in verband met vergunningplichtig worden van bemiddeling bij de verkoop van rechtspersonen

door Ellen Timmer

Op grond van een regeling van 13 juni 2012 is de Vrijstellingsregeling Wet toezicht trustkantoren gewijzigd met het oog op de inwerkingtreding per 1 juli a.s. van belangrijke wijzigingen in de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Op die datum wordt onder meer het bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen vergunningplichtig op grond van de Wtt. De wijziging in de vrijstellingsregeling luidt als volgt:

ARTIKEL II

In de Vrijstellingsregeling Wet toezicht trustkantoren worden na artikel 3 twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

1. Vrijstelling van het in artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren genoemde verbod wordt verleend aan personen, indien deze uitsluitend bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 3°, van de Wet toezicht trustkantoren voor zover:

a. hun bemiddeling is gericht op de verkoop van een rechtspersoon door een trustkantoor dat beschikt over een vergunning op grond van de Wet toezicht trustkantoren;

b. de rechtspersoon op welke de bemiddeling betrekking heeft een onderneming drijft en de verkoop van die rechtspersoon geen verband houdt met beëindiging van die onderneming onder voortzetting van die rechtspersoon.

2. Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, worden de volgende voorschriften verbonden:

a. de bemiddelaar beschikt over procedures gericht op het achterhalen van de intentie van de beoogde koper van de rechtspersoon met betrekking tot de onderneming die de rechtspersoon drijft en het schriftelijk vastleggen van die intentie;

b. de bemiddelaar leeft de procedures, bedoeld in onderdeel a, na;

c. de bemiddelaar draagt zorg voor schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tot bemiddeling en de overeenkomst tot verkoop van de rechtspersoon;

d. de bemiddelaar bewaart de stukken, bedoeld in onderdelen a en c, gedurende ten minste vijf jaar en houdt deze op een voor de toezichthouder toegankelijke wijze beschikbaar.

Artikel 3b

1. Vrijstelling van het in artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren genoemde verbod wordt verleend aan de hierna te noemen personen onder de hierna te noemen voorwaarden, indien deze uitsluitend de dienst verlenen genoemd in artikel 1, onderdeel d, onder 5°, van de Wet toezicht trustkantoren:

a. advocaten en personen die beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden verrichten gericht op het incasseren van vorderingen, voor zover zij de bedoelde dienst verlenen door middel van een stichting die:

1°. als enige activiteit heeft het tijdelijke beheer van gelden ten behoeve van de rechthebbenden of degenen die zullen blijken de rechthebbenden te zijn; en

2°. uitsluitend werkzaam is voor personen die niet zelf gerechtigd zijn tot de gelden, hetgeen uit een schriftelijke overeenkomst tussen de stichting en de betrokken personen blijkt;

b. betaaldienstverleners die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in of vanuit Nederland het bedrijf van betaaldienstverlener mogen uitoefenen voor zover de bedoelde dienst betrekking heeft op gelden die zijn of worden ontvangen van betaaldienstgebruikers in verband met het verlenen van betaaldiensten;

c. bewindvoerders die:

1°. benoemd zijn op grond van artikel 287, derde lid, van de Faillissementswet; en

2°. personen zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering, voor zover zij gelden aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in Titel III van de Faillissementswet.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de begrippen ‘betaaldienstverlener’, ‘betaaldienstgebruiker’, ‘betaaldienst’ en ‘bewindvoerder’ verstaan: hetgeen daaronder in de Wet op het financieel toezicht wordt verstaan.

De Wtt wordt een heel interessante wet nu er allerlei ondernemingsactiviteiten onder worden gebracht die weinig te maken hebben met het klassieke werk van trustkantoren. Er is alle aanleiding voor een analyse van deze merkwaardige wet (maar daar heb ik nu even geen tijd voor).

(*) Regeling van de Minister van Financiën van 13 juni 2012, nr. FM/2012/882M, tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met de bepalingen ten aanzien van wisselinstellingen in de Wet op het financieel toezicht en de implementatie van de herziene Prospectusrichtlijn (PbEU L 327/1) en tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht trustkantoren in verband met de wijziging van de Wet toezicht trustkantoren

Tags: ,
7 maart 2012

Uitleg van het begrip ‘consultancydiensten’ door DNB

door Compliance Platform Trustkantoren

DNB heeft aangekondigd dat zij extra interesse hebben voor doelvennootschappen die consultancydiensten verlenen, zie het eerdere bericht op deze site. In een mededeling van Robbert-Jan Lugard op Trustbase staat dat DNB in samenspraak met de brancheverenigingen VIMS en DFA de volgende definitie heeft geformuleerd:

Doelvennootschappen waar sprake is van betalingen voor verleende diensten in het kader van een specifieke kennis of vaardigheid van de doelvennootschap, hetzij aan natuurlijke personen hetzij aan een entiteit, waarbij door de doelvennootschap gebruik gemaakt wordt van de diensten van een specialist die de diensten namens de doelvennootschap uitvoert, gezien de specifieke kennis of vaardigheden die benodigd zij om de betreffende dienst uit te voeren”.

4 januari 2012

Wijzigingen in de Wet toezicht trustkantoren treden op 1 juli 2012 in werking

door Compliance Platform Trustkantoren

Onlangs zijn wijzigingen op de Wet toezicht trustkantoren in het Staatsblad verschenen, zie het eerdere bericht op dit weblog. Inmiddels is bekend geworden dat de wijzigingen op 1 juli 2012 in werking treden. Zie hierover het artikel van Aike van der Staay op Trustbase.nu en het besluit tot inwerkingtreding op dit adres.