27 november 2013

Onderzoek DNB naar CV-structuren nog niet afgerond

door Ellen Timmer

Al eerder maakte DNB bekend onderzoek te zullen instellen naar CV-structuren. Uit het bericht van DNB van 19 november jl. blijkt dat dit onderzoek nog niet is afgerond. In het bericht staat dat DNB verwacht het onderzoek eind december a.s. af te ronden. Aangekondigd wordt dat DNB in de volgende nummers van de Nieuwsbrief Trustkantoren aandacht zal besteden aan de uitkomsten van het onderzoek en de ‘good practices’ zal delen met de sector.

20 november 2013

DNB-nieuwsbrief voor trustkantoren, editie 19 november 2013

door Ellen Timmer

DNB publiceerde gisteren een nieuwsbrief voor trustkantoren met als onderwerpen:

  • CV-project onderzoekt risico’s commanditaire vennootschappen > zie hierover eerder dit bericht op dit weblog
  • Functiescheiding bij kleine trustkantoren onder de loep > zie hierover eerder dit bericht op dit weblog
  • Transacties beter monitoren
  • Consultatie nieuwe Regeling integere bedrijfsvoering > zie hierover eerder dit bericht op dit weblog
5 november 2013

Bank moet dienstverlening aan klein trustkantoor voortzetten

door Ellen Timmer

In een recente uitspraak van de Rechtbank Amsterdam komt aan de orde of ING de dienstverlening aan een klein trustkantoor mag stopzetten. Gelet op de belangrijke maatschappelijke rol die banken hebben en de specifieke omstandigheden stond het ING in het onderhavige geval niet vrij om de relatie met het trustkantoor op te zeggen.

Onderstaand de belangrijkste overwegingen van de Rechtbank:

4.3. Bij de beoordeling van dit geschil is niet alleen van belang dat het hier gaat om een duurovereenkomst waarbij een opzegmogelijkheid is overeengekomen, maar moeten ook de overige omstandigheden van dit specifieke geval, zoals de aard en inhoud van de Overeenkomst en de (maatschappelijke) positie van partijen, worden betrokken.
Hierbij dient enerzijds tot uitgangspunt dat het voor rechts- en natuurlijke personen voor hun functioneren en voortbestaan van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem.
Anderzijds moet de maatschappelijke positie van banken in ogenschouw worden genomen, waarbij van de banken de grootst mogelijke integriteit wordt verwacht, mede op grond van de thans geldende wet- en regelgeving op het gebied van financieel toezicht. Daarnaast kunnen financiële en andere bedrijfsmatige belangen van de bank een rol spelen. De maatschappelijke positie van de bank brengt echter ook mee dat zij rekening houdt met de belangen van de individuele klant en een relatie met die klant slechts op grond van goede redenen en met toepassing van de vereiste zorgvuldigheid opzegt.

4.4. Lagrey heeft in de eerste plaats gesteld dat het voor haar voortbestaan noodzakelijk is dat zij kan bankieren bij een van de grote Nederlandse (systeem-) banken, te weten ING, SNS, Rabobank of ABN/AMRO. ING heeft dat betwist en aangevoerd dat Lagrey voor haar bankzaken terecht zal kunnen bij een van de andere 837 banken die Nederland rijk is en dat zij bovendien niet is aangewezen op een systeembank. Aan ING kan worden toegegeven dat het op grond van de thans geldende regelgeving (zoals het onder 2.2. aangehaalde besluit), anders dan Lagrey heeft gesteld, strikt genomen voor Lagrey niet verplicht is om een rekening aan te houden bij een Nederlandse (systeem-)bank. Lagrey heeft echter (ondersteund door de onder 2.14 genoemde e-mails) wel voldoende aannemelijk gemaakt dat het beschikken over een relatie met een zodanige bank (althans een bank van vergelijkbaar ‘niveau’) voor haar bedrijfsvoering van essentieel belang is en dat bij gebreke daaraan het risico op verlies van klanten reëel is. Verder heeft Lagrey (met de berichten genoemd onder 2.12, 2.15 en 2.16) voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment niet terecht kan bij de andere ‘grote’ Nederlandse banken. ING heeft weliswaar aangevoerd dat BNP Parisbas Nederland een gelijkwaardige bank is die voor Lagrey en haar klanten acceptabel zou kunnen zijn, maar deze optie is eerder niet ter sprake geweest of onderzocht en als zodanig thans onvoldoende concreet om daarvan in dit kort geding uit te gaan, zoals Lagrey terecht heeft betoogd.

4.5. Vast staat dat Lagrey beschikt over een vergunning van DNB en dat geen sprake is van kredietverstrekking door ING aan Lagrey, maar alleen van het ter beschikking stellen van (overige) bancaire diensten. Daarnaast heeft ING de stelling van Lagrey, dat zij sinds het bestaan van de Overeenkomst met ING op geen enkele wijze jegens ING tekort is geschoten, niet weersproken. Evenmin is gesteld of gebleken dat in concreto sprake zou zijn van onzorgvuldigheden of tekortkomingen in de bedrijfsvoering van Lagrey die integriteitsrisico’s met zich zouden brengen en/of dat Lagrey zich niet zou houden aan de bestaande wet- en regelgeving, waardoor ING mogelijk in de problemen zou kunnen komen bij het voldoen aan de aan haar te stellen eisen op dat gebied.

4.6. De gronden die ING heeft aangevoerd voor de beëindiging van de Overeenkomst zijn dan ook niet specifiek gebaseerd op de handel en wandel van Lagrey, maar op een algemene beleidswijziging die inhoudt dat ING niet langer zaken wenst te doen met trustkantoren van een beperkte omvang. ING wenst daarmee vooruit te lopen op (de uitkomst van) het door DNB aangekondigde onderzoek (2.17) en verscherpte regelgeving, waarbij in de R.I.B. strengere eisen zullen worden gesteld aan trustkantoren met betrekking tot ‘audit en compliance’ (toetsing/controle en naleving van de regels), zodat beter dan nu kan worden gegarandeerd dat de uitvoerende en controlerende functies in deze branche gescheiden zullen zijn. Als zij de dienstverlening aan de kleinere trustkantoren zou voortzetten zou dat volgens ING onaanvaardbaar hoge kosten voor haar meebrengen, wil zij aan de voor de bank geldende (nationale en internationale) eisen blijven voldoen.

4.7. Hoezeer ook de wens van ING om integriteitsrisico’s zoveel mogelijk uit te sluiten legitiem is, in de gegeven omstandigheden levert deze wens – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – niet zonder meer een zwaarwegende grond op voor opzegging van de Overeenkomst met Lagrey. Van belang daarbij is dat ING na een aantal gesprekken, waarbij ook de achtergrond en bekwaamheden van de directeuren van Lagrey (beiden fiscaal jurist en eerder werkzaam geweest in de trust- of aanverwante branche) ter sprake zijn gekomen, eind 2011 met Lagrey in zee is gegaan, terwijl ook toen al de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten), alsmede de WTT en daarop gebaseerde en mee verwante regelgeving – waarnaar ING in dit verband specifiek heeft verwezen – aan de orde waren. Zoals gezegd bestaan geen concrete aanwijzingen dat Lagrey in het licht van die regelgeving een risico vormt, of dat zij niet in staat zou zijn om aan de toekomstige aangescherpte regelgeving te voldoen. Mocht dat te zijner tijd alsnog het geval blijken te zijn, dan ontstaat een nieuwe situatie. Voorshands bestaat onvoldoende grond om daarop vooruit te lopen. Overigens heeft ING de stelling van Lagrey dat ING wel bereid is met de afzonderlijke klanten van Lagrey een individuele bancaire relatie te onderhouden, niet weersproken, hetgeen erop wijst dat ING een integriteitsrisico bij de betrokken doelvennootschappen thans kennelijk niet aanwezig acht.

4.8. De stelling van ING dat voortzetting van de Overeenkomst in het kader van de toekomstige audit- en compliancevereisten onevenredig hoge kosten met zich zou brengen heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Lagrey niet, althans onvoldoende, inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij eventuele hogere kosten niet zou kunnen doorbelasten aan Lagrey. Bovendien wegen mogelijke extra kosten in de gegeven omstandigheden en tegen de achtergrond van de zorgplicht van ING in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van Lagrey bij voortzetting van de relatie.

4.9. Samengevat luidt de conclusie dat Lagrey voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat opzegging van de Overeenkomst door ING ertoe zal leiden dat Lagrey haar onderneming niet langer zal kunnen uitoefenen – en Lagrey dus bij voortzetting van de relatie een zeer groot belang heeft – terwijl Lagrey op geen enkele wijze tekort geschoten is jegens ING en DNB, noch concrete aanwijzingen bestaan dat Lagrey een integriteitsrisico vormt voor ING en/of ING voor onevenredig hoge kosten zal plaatsen, zodat het belang van ING bij een beëindiging van de relatie met Lagrey op dit moment relatief beperkt is en een zwaarwegende grond voor opzegging van de overeenkomst vooralsnog niet aan de orde is. Daar komt bij dat ING eind 2011 weloverwogen een relatie met Lagrey is aangegaan en (nog) geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan een voortzetting van de Overeenkomst niet langer van ING zou kunnen worden gevergd. Lagrey heeft er in dit verband nog terecht op gewezen dat ING niet haar relaties met de gehele trustbranche heeft beëindigd, maar alleen die met de kleinere kantoren, terwijl, anders dan ING heeft betoogd, onvoldoende aannemelijk is dat de grote kantoren per definitie minder risico’s opleveren. Ook uit de in de nieuwsberichten van DNB genoemde onderzoeken (aangehaald bij 2.6. en 2.7) blijkt dat vooralsnog niet, nu daarin niet is vermeld wat de omvang van de onderzochte kantoren is, noch hoe de risico’s bij kleinere kantoren zich verhouden tot die bij grotere ondernemingen.

4.10. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en na afweging van de betrokken belangen, kan dan worden geconcludeerd dat voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de stellingen van Lagrey – dat geen zwaarwegende grond voor opzegging van de Overeenkomst bestaat en dat de gevolgen van de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn – zal honoreren. Daarmee voldoet de vordering van Lagrey aan het criterium genoemd onder 4.1. Op grond van hetgeen ING heeft aangevoerd, waarbij een wijziging in de omstandigheden in de nabije toekomst niet valt uit te sluiten, en het feit dat het hier een kort gedingprocedure betreft, zal veroordeling van ING beperkt blijven tot het meest subsidiair gevorderde, nakoming van de Overeenkomst voor een periode van (tenminste) twee jaar. Nu ING ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft toegezegd zich ook zonder dwangsommen aan een eventuele veroordeling te zullen houden, wordt aan de veroordeling geen dwangsom verbonden.

 

Aanvulling 15 november 2013
Over deze uitspraak is op 14 november jl. ook een artikel op Scherp in Ondernemingsrecht verschenen.

Aanvulling 4 juni 2019
Helaas is het artikel dat ik op 15 november 2013 meldde verdwenen.

30 oktober 2013

Seminar voor trustkantoren op 20/11 en 3/12 (Mazars)

door Ellen Timmer

Accountants- en belastingadviesorganisatie Mazars organiseert op 20 november (Amsterdam) en 3 december (Rotterdam) een seminar voor trustkantoren.
De onderwerpen van het seminar: externe verslaggeving, regelgeving financieel toezicht, international mobility, landendesk Turkije en fiscale actualiteiten.
Meer informatie op de site van Mazars, waar men zich ook kan aanmelden.

29 oktober 2013

DNB Leidraad WWFT en SW

door Ellen Timmer

Onlangs verscheen op de site van DNB een bericht over de nieuwe versie van de DNB Leidraad WWFT en SW (pdf) van oktober 2013.
Deze leidraad is ook vertaald in het Engels.

Op een andere geactualiseerde pagina verstrekt DNB informatie over de rol van de FATF.

8 oktober 2013

Wijziging van de Wet toezicht trustkantoren in het voorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014”

door Ellen Timmer

Al eerder berichtte ik over het voorstel tot wijziging van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), als opgenomen in het wetsvoorstel “Wijzigingswet financiële markten 2014″.
Inmiddels is de Wijzigingswet financiële markten 2014 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt het voorstel bij de Eerste Kamer. Liefhebbers van wetten lezen, kunnen de definitieve tekst van het artikel over de Wtt, artikel XIV van het wetsvoorstel, lezen aan het slot van mijn eerdere bericht.

Aanvulling 11 december 2013
De Wijzigingswet financiële markten 2014 is op 19 november jl. door de Eerste Kamer aangenomen en onlangs in het Staatsblad verschenen. De inwerkingtreding kan binnenkort worden verwacht. Meer informatie over de Wijzigingswet financiële markten 2014:

7 oktober 2013

DNB onderzoekt functiescheiding bij kleine trustkantoren

door Ellen Timmer

In een nieuwsbericht van 3 oktober jl. laat DNB weten functiescheiding bij kleine trustkantoren te gaan onderzoeken.

Aankondiging themaonderzoek ‘functiescheiding bij kleine trustkantoren’
DNB start dit najaar een themaonderzoek naar de wijze waarop kleine trustkantoren de functiescheiding (tussen functies met een uitvoerend en controlerend karakter) hebben opgezet en hoe deze in de praktijk wordt toegepast. Het hebben van functiescheiding is een essentiele beheersmaatregel om integriteitsrisico’s binnen de trustdienstverlening het hoofd te bieden. Op grond van de Regeling Integere Bedrijfsvoering is deze functiescheiding bovendien verplicht.
Tijdens het onderzoek zullen toezichthouders van DNB diverse kleine trustkantoren bezoeken. Na afronding van het onderzoek informeert DNB de trustsector over de uitkomsten via de DNB Nieuwsbrief Trustkantoren.

2 oktober 2013

Internetconsultatie over de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2013

door Ellen Timmer

Gisteren is de internetconsultatie over de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2013 van start gegaan. Onderstaand de consultatiegegevens.

Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2013

De ontwerpregeling Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2013 (hierna: Rib Wtt 2013) bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van de thans geldende Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren (hierna: Rib Wtt).

Consultatie gegevens
Publicatiedatum 01-10-2013
Einddatum consultatie 15-11-2013
Type regeling Ministeriële regeling
Organisatie Financien

Doel van de regeling
De onderhavige regeling vervangt de thans geldende Rib Wtt. Inhoudelijke wijzigingen betreffen met name de volgende onderwerpen:

1. Cliëntenonderzoek
2. Interne controle op de naleving van wettelijke voorschriften (compliance- en auditfunctie)
3. Analyse en ondervanging van integriteitsrisico’s
4. Opleiding van (extern) personeel

De thans geldende Rib Wtt is een regeling van de Nederlandsche Bank als toezichthouder; de onderhavige regeling is een ministeriële regeling.

Concept regeling
Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2013 Pdf-document 153 kB

Doelgroepen die door de regeling worden geraakt
Trustkantoren

Verwachte effecten van de regeling
De regeling stelt regels inzake de integere bedrijfsvoering van trustkantoren en heeft als grondslag artikel 10 van de Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt) en artikel 1 van het Overdrachtbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2012. Als opvolger van de thans geldende Rib Wtt bevat de regeling in veel opzichten een uitbreiding en aanscherping van de geldende regels. Voor een nadere beschrijving van de verwachte effecten wordt verwezen naar de (artikelsgewijze) toelichting bij de desbetreffende onderwerpen.

Het voornemen is de regeling nog in 2013 te publiceren. Om trustkantoren voldoende gelegenheid te geven zich voor te bereiden op de implementatie van de gewijzigde regels, is het voornemen de regeling eerst medio 2014 in werking te laten treden, tegelijk met het Overdrachtbesluit integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren 2012.

Doel van de consultatie
Met deze consultatie wil het ministerie van Financiën graag belanghebbenden informeren over de voorgenomen regeling en iedereen de mogelijkheid bieden hierop te reageren.

Op welke onderdelen van de regeling wordt een reactie gevraagd
De reacties mogen betrekking hebben op alle onderdelen van de ontwerpregeling.

Publicatie reacties
Reacties worden gepubliceerd tijdens de loop van de consultatie. Alleen die reacties worden gepubliceerd waarvan is aangeven, door de inzender, dat deze openbaar mogen zijn. Voordat reacties gepubliceerd worden, worden deze eerst gecontroleerd op beledigende of aanstootgevende uitspraken. Deze controle kan enkele dagen duren.

Reageer op consultatie
Geef uw reactie op deze consultatie

13 september 2013

Rechtsbescherming van personen bij plaatsing op sanctielijsten

door Ellen Timmer

Trustkantoren dienen de Sanctiewet na te leven en periodiek na te gaan of personen op sanctielijsten zijn geplaatst. In dat verband is het wellicht aardig kennis te nemen van een recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake rechtsbescherming van personen die op dergelijke lijsten worden geplaatst. Zie hierover het bericht op mijn weblog, waar ik ook informatiebronnen vermeld.

9 september 2013

Themaonderzoek commanditaire vennootschappen door DNB

door Compliance Platform Trustkantoren

Voor de volledigheid melden wij hier ook het bericht inzake het themaonderzoek van DNB:

Aankondiging themaonderzoek commanditaire vennootschappen van 22 augustus jl.:

Nieuwsbericht
Datum 22 augustus 2013

DNB start dit najaar een themaonderzoek naar de dienstverlening van trustkantoren aan commanditaire vennootschappen (CV’s). In het project onderzoekt DNB de integriteitsrisico’s die aan CV-structuren zijn verbonden en welke maatregelen trustkantoren nemen om deze risico’s te beheersen.

In het licht van het onderzoek verwijst DNB uitdrukkelijk naar de vragen opgenomen in het ISI-formulier 2013 en onderstreept het belang van een juiste invulling van het ISI-formulier. Na afronding van het onderzoek in december 2013 informeert DNB de trustsector over de uitkomsten via de DNB Nieuwsbrief Trustkantoren.