Posts tagged ‘personentoetsing’

15 november 2014

Niet-melden van een voor de antecedenten van een “beleidsbepaler” relevante gebeurtenis leidde tot bestuurlijke boete

door Ellen Timmer

Onlangs publiceerde de AFM het bericht dat het niet-melden van een voor antecedenten relevante gebeurtenis leidde tot bestuurlijke boete. In het bericht van 7 november jl. laat de AFM het volgende weten:

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft op 4 juni 2010 een bestuurlijke boete van € 1.000 opgelegd aan een financieeldienstverlener, hierna ´de overtreder´. De overtreder is sinds 2008 actief als adviseur en bemiddelaar in verschillende financiële producten. De bestuurlijke boete is opgelegd omdat de overtreder heeft verzuimd te melden aan de AFM dat één van haar beleidsbepalers door de politie is gehoord als verdachte.

Hoewel dit niet over trustkantoren gaat, geldt ook voor trustkantoren dat voor de antecedenten van een beleidsbepaler relevante gebeurtenissen onmiddellijk moeten worden gemeld.

Blijkens mededeling van AFM wordt een en ander nu pas gepubliceerd omdat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) bij uitspraak van 25 februari 2014 heeft geoordeeld dat de aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor het niet melden van de verdenking, rechtmatig is. Met de uitspraak van het CBb is de boete rechtens onaantastbaar geworden.

Meer informatie

23 september 2014

DNB nieuwsbrief september 2014, onder meer over geschiktheidstoetsing, kosten toezicht en aanpassing procedurehandboeken

door Ellen Timmer

Vandaag heeft DNB een nieuwsbrief gericht op trustkantoren verspreid. Onderwerpen van de artikelen zijn:

29 augustus 2014

Presentatie bij VCO op 9 september 2014 over “De toenemende invloed van de overheid op management van ondernemingen”

door Ellen Timmer

Tijdens de bijeenkomst van de Vereniging van Compliance Officers van 9 september 2014 zal ik een lezing geven over de toenemende overheidsinvloed op het management van ondernemingen. Lees hier de uitnodiging. Onder meer staat er in de uitnodiging:

Ellen Timmer, advocaat ondernemingsrecht verbonden aan Pellicaan Advocaten N.V., zal een presentatie geven over de toenemende overheidsinvloed op de personele bezetting van ondernemingen. Financiële instellingen hebben hier al langer mee te maken vanwege de geschiktheidstoetsing door DNB en AFM.

De overheid gaat zich steeds vaker met de personele organisatie van ondernemingen bemoeien, wat wordt geïllustreerd door recente wijzigingen in de trustsector. Onder meer zijn alle trustkantoren verplicht om over een onafhankelijke auditfunctie te beschikken en wenst DNB dat alle trustkantoren in de toekomst twee ‘beleidsbepalers’ hebben.

De in aantocht zijnde nieuwe Europese antiwitwasregelgeving zal naar verwachting tot gevolg hebben dat bij een aantal niet-financiële ondernemingen ook toetsing van functionarissen zal gaan plaats vinden. Een andere vorm van overheidsinvloed is het bestuursverbod, dat volgens kabinetsplannen in het civiele recht zal worden geïntroduceerd.

Kortom: een onderwerp dat volop in beweging is.

27 augustus 2014

Misverstanden over toetsing van beleidsbepalers door DNB

door Ellen Timmer

DNB schreef in de nieuwsbrief voor verzekeraars over de misverstanden bij toetsing van beleidsbepalers. Deze informatie kan ook voor trustkantoren nuttig zijn. Onderstaand volgt de tekst van het bericht.

Misverstanden over toetsingen
Nieuwsbericht 26 augustus 2014

De betrouwbaarheid en geschiktheid van bestuurders en commissarissen zijn cruciaal voor een gezonde financiële sector. Daarom toetst DNB alle beleidsbepalers op deze punten. Duidelijkheid en transparantie over dit toetsingsproces voorkomt misverstanden. Het is jammer als door misverstanden goede kandidaten wegblijven. Hieronder de meest voorkomende misverstanden.

1. Zonder ervaring in de sector kun je geen commissaris of bestuurder worden.
Een frisse blik kan juist een positieve bijdrage vormen. Het is afhankelijk van de situatie of een kandidaat zonder ervaring in de sector commissaris of bestuurder kan worden. De focus ligt op de specifiek toegevoegde waarde van de nieuwe persoon. Om te bepalen of een kandidaat zonder ervaring in de sector een positieve bijdrage kan leveren, kijkt DNB naar de samenstelling van het collectief. Hierin moet voldoende kennis van de sector aanwezig zijn en ook voldoende kunde. In de praktijk blijkt dat een goede onderbouwing van de voordracht door de onderneming enorm helpt: dat is de bril waarmee DNB naar de kandidaat kijkt. Het gaat er natuurlijk ook om welke portefeuille iemand krijgt toebedeeld. Ondernemingen trekken bijvoorbeeld voor ICT-kennis soms mensen van buiten de financiële sector aan. Cruciaal daarbij is dat de betrokken persoon zich in de onderneming en haar business heeft verdiept.

2. DNB vindt het niet goed dat potentiële bestuurders of commissarissen meelopen voordat de toetsing is afgerond.
Bestuurders kunnen maar beter goed worden voorbereid op de functie, dit geldt zeker voor beginnend bestuurders. Sommige ondernemingen laten gegadigden voor commissaris- of bestuursfuncties een tijdje meelopen met het huidige bestuur. Belangrijk is dat deze bestuurders-in-wording niet mogen meebeslissen en intern of extern niet als bestuurder actief zijn. Ze kunnen alleen toehoorder zijn bij vergaderingen. Zo’n voorbereiding helpt hen een idee te geven van wat hen te wachten staat in hun rol; welke producten de onderneming verkoopt, wat het verdienmodel is, wat de bedrijfsstrategie is, hoe de bedrijfscultuur is en welke issues er spelen bij de organisatie. Allemaal zaken die in het toetsingsgesprek ook aan de orde kunnen komen.

3. De toetsing duurt langer dan drie maanden.
Als een bedrijf alle gevraagde documentatie tijdig en compleet aanlevert, hoeft er geen extra informatie te worden opgevraagd. Dit scheelt tijd. Steeds vaker kan de toetsing dan in zes weken worden afgehandeld. Wordt het dossier niet volledig aangeleverd, dan moet DNB deze informatie nogmaals opvragen en daarmee de termijn opschorten. Het helpt als de aangeleverde informatie van goede kwaliteit is en de voordracht goed wordt onderbouwd. Het is geen verplichting maar de ervaring leert dat als de voordragende organisatie zelf assessments, teamanalyses of informatie van searchbureaus in het dossier doet, dit de toetsing vergemakkelijkt. Als ondernemingen deze assessments en analyses toch al op de plank hebben liggen, is het een kleine moeite om die mee te sturen. Let op: het is geen vereiste, meer een voorbeeld van ‘good practice’.

4. Bij ieder antecedent krijg je een kruisje, meerdere kruisjes levert een hertoetsing op.
DNB kijkt altijd naar de inhoud en de ernst van een antecedent en hoe zwaar het antecedent weegt in relatie tot de functie. Het kan soms zelfs zo zijn dat een bestuurder formeel een antecedent heeft, maar feitelijk geen betrokkenheid heeft gehad bij de achterliggende gebeurtenissen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij net bestuurder is geworden.
Wanneer iemand meerdere antecedenten heeft waarbij sprake is van een patroon dat aanleiding geeft tot twijfel aan geschiktheid of betrouwbaarheid, dan kan dit voor DNB wel reden zijn voor een hertoetsing.

5. Iedere hertoetsing leidt tot aftoetsing.
DNB gaat pas hertoetsen als er écht iets aan de hand is. Bij een hertoetsing wordt de toetsing opnieuw gedaan, dus met een zelfstandig oordeel, dat deels door andere ’toezichthouders’ binnen DNB wordt gedaan. Nieuwe mensen kijken weer met een frisse blik naar de zaak en dat komt de objectiviteit van een dergelijk onderzoek ten goede. Het staat vooraf niet vast wat de uitkomst is. Hoewel er vaak sprake is van serieuze antecedenten, hoeft een hertoetsing niet tot aftoetsing te leiden.

6. DNB neemt liever geen formeel besluit.
Een formeel besluit over de geschiktheid en betrouwbaarheid geeft duidelijkheid over de feiten en de weging ervan door DNB. Een positief besluit deelt DNB zo snel mogelijk aan de instelling mee. Bij een negatieve uitslag, neemt DNB eerst telefonisch contact op met de persoon zelf en vervolgens met de instelling.
DNB kan bij de toetsing gebruik maken van bronnen, waarover de instelling niet beschikt. Hierdoor kunnen feiten op tafel komen waarvan de instelling niet op de hoogte was.
Soms wil de instelling of de betrokken persoon liever niet dat het oordeel formeel wordt vastgelegd. De instelling besluit dan vaak de kandidaat terug te trekken, ook kan de kandidaat zelf besluiten zich terug te trekken. DNB komt dan niet toe aan het nemen van een formeel besluit.

7. Als de uitslag van de toetsing negatief is, kun je nooit meer in de sector terecht.
Geschiktheid wordt onder andere bepaald door voldoende kennis van de sector en de onderneming en voldoende vaardigheden voor een goede vervulling van de functie. Is er reden voor DNB om iemand op grond van geschiktheid niet goed te keuren, dan betekent dit niet dat hij of zij niet meer in de sector terecht kan. Immers kennis kan worden bijgespijkerd en ervaring kan worden opgedaan. Bovendien kan iemand voor een andere functies, bij een andere onderneming of in een ander collectief wel geschikt zijn.

Wat betrouwbaarheid betreft, ligt dit anders. Als DNB concludeert dat de betrouwbaarheid van een kandidaat niet buiten twijfel staat, dan zal deze voor langere tijd niet in de sector als bestuurder of commissaris terecht kunnen. Ook dat is niet voor altijd: door tijdverloop kunnen antecedenten minder zwaar gaan wegen. Bovendien kan het gedrag in die periode aantoonbaar zijn veranderd.

8. Jonge bestuurders komen niet door de toetsing.
DNB zou soms willen dat er meer jonge mensen ter toetsing worden voorgedragen. In alle sectoren worden relatief weinig veertigers voorgedragen en dertigers al bijna helemaal niet. Dat is jammer. Binnen het collectief van het bestuur kunnen jonge mensen van grote waarde zijn, bijvoorbeeld omdat zij vernieuwing kunnen brengen, kunnen denken vanuit het belang van de klant of op de hoogte zijn van de laatste trends, zoals social mediagebruik.

9. Een dominante leider komt niet door de toetsing.
Kandidaten die voor een bestuursfunctie of commissariaat worden voorgedragen, hebben vaak een zekere mate van overwicht en dominantie. Dat kan heel goed werken, mits ze zich bewust zijn dat tegenspraak belangrijk is voor een goede besluitvorming. Het is immers goed om een zaak vanuit verschillend perspectief te bekijken. Een leider moet er voor open staan dat zijn of haar visie wordt uitgedaagd. Sterker nog, DNB vindt het noodzakelijk dat bestuurders en commissarissen tegenspraak organiseren. Als binnen het collectief voldoende tegenwicht aanwezig is, hoeft een dominante leider geen probleem te vormen.

10. Een besluit van DNB kun je niet aanvechten
Op elk moment in de procedure is verweer tegen het besluit van DNB mogelijk. Als een toetsing resulteert in een negatief oordeel, dan stelt DNB een voornemen tot een negatief besluit op. Dit wordt verstuurd aan de instelling, met een kopie aan de voorgedragen persoon. In dit voornemen nodigt DNB beide belanghebbenden uit voor het geven van een zienswijze. Dat kan schriftelijk of mondeling. Na de zienswijze komt DNB tot een definitief besluit. Daarin wordt de informatie die is verstrekt in de zienswijze meegenomen. Het kan dus zijn dat DNB na de zienswijze tot een ander oordeel komt. Als DNB negatief besluit, dan kan de voorgedragen persoon niet worden benoemd. Ondertussen staat de mogelijkheid open om in bezwaar en beroep te gaan. Belanghebbenden kunnen bezwaar aantekenen bij de afdeling Juridische Zaken van DNB. Dit bezwaarschrift wordt behandeld door personen die niet eerder bij de zaak zijn betrokken. Daarna kunnen betrokkenen nog in beroep bij de rechter en in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. De mogelijkheid om in verweer te gaan vervalt indien de voordracht wordt ingetrokken.

Meer informatie:

1 mei 2014

DNB nieuwsbrief voor trustkantoren, april 2014

door Ellen Timmer

DNB heeft een nieuwe editie van de nieuwsbrief voor trustkantoren uitgebracht.
Onderwerpen:

  • de betrouwbaarheidstoetsing, tijdig melden van relevante feiten;
  • licht meer doelvennootschappen;
  • onvoldoende functiescheiding;
  • wijzigingen in de regelgeving;
  • trustsector neemt onaanvaardbare risico’s met commanditaire vennootschappen.
29 april 2014

Factsheet geschiktheidstoetsing vergunningverlening trustkantoren is aangepast

door Ellen Timmer

In de nieuwsbrief van 29 april 2014 laat DNB weten dat voor trustkantoren het factsheet over de geschiktheidstoetsing voor de vergunningverlening aangepast. DNB schrijft dat het van belang is hiervan kennis te nemen. De huidige tekst is hier te vinden. Er staat:

Vergunningaanvraag Trustkantoren – geschiktheidstoetsing

Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning voor een trustkantoor is dat de bestuurders, commissarissen en (mede) beleidsbepalers (hierna: bestuurder) geschikt worden geacht om het beroep of bedrijf van trustkantoor uit te oefenen.

Geschiktheid is een zware voorwaarde
Het is de ervaring van DNB dat aanvragers niet altijd geheel op de hoogte zijn van de vereisten ten aanzien van de geschiktheid, terwijl de geschiktheid op het moment van de vergunningaanvraag moet worden aangetoond. Als op het moment van de vergunningaanvraag niet aan deze geschiktheidsvereisten wordt voldaan, zal DNB de vergunningaanvraag moeten afwijzen. Ook in dat geval dient u leges te betalen (in 2014: EUR 3.200,-). DNB adviseert een potentiële aanvrager / bestuurder dan ook om zorgvuldig na te gaan of aan de voorwaarden van geschiktheid wordt voldaan. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de betrouwbaarheidstoets .

Aantonen van geschiktheid
De beoordeling of iemand geschikt is voor de voorgenomen functie vindt plaats op grond van de Beleidsregel geschiktheid 2012. Op grond van deze beleidsregel moet de bestuurder van een trustkantoor aantonen dat hij of zij beschikt over:

* Bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid;
* Leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding; en
* Algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis.

Deze vaardigheden en kennis moeten zijn opgedaan in een relevante werkomgeving gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. De algemene en specifiek vakinhoudelijke kennis moet zijn opgedaan maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetreding. De geschiktheid ten aanzien van de bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden moeten zijn opgedaan maximaal tien jaar voorafgaand aan het moment van aantreden. Minimaal zal een bestuurder kennis en ervaring moeten hebben opgedaan op het gebied van antiwitwas- en terrorisme financiering. Ook de relevante wet- regelgeving moet actief bekend zijn.

Beleidsregel geschiktheid 2012

Meer informatie:

16 april 2014

Zware kritiek Raad van State op uitbreiding van de betrouwbaarheids- en geschiktheidstoetsing in het financiële toezicht

door Ellen Timmer

Onlangs heeft de Afdeling advisering van Raad van State advies uitgebracht over het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2015. Een van de onderwerpen die de Raad aan de orde stelt is de voorgenomen uitbreiding van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis voor ondernemingen die vergunninghouder zijn op grond van onder meer de Wet op het financieel toezicht (Wft). De Wet toezicht trustkantoren (Wtt) wordt op dit punt (nog) niet aangepast.

De kritiek van de Raad is vernietigend:

  • de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis wordt uitgebreid naar een zeer ruime en niet helder gedefinieerde groep personen;
  • de overheid trekt taken naar zich toe (beoordelen van een ruime kring van personen die geen ‘beleidsbepaler’ zijn), zonder dat is aangegeven dat is nagedacht over de consequenties daarvan, de Raad schrijft heel diplomatiek dat “de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden“.

Hierna volgt de complete passage die op het onderwerp betrekking heeft.

2. Uitbreiding geschiktheids- en betrouwbaarheidseis

Ingevolge artikel 3:9 Wft dient de betrouwbaarheid van personen die het beleid van de financiële onderneming (mede) bepalen buiten twijfel te staan. (zie noot 2) Ingevolge artikel 3:8 Wft dient voor personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen tevens vast te staan dat zij daartoe geschikt zijn. (zie noot 3)

Het voorgestelde artikel I, onderdelen S en T, breidt de kring van personen op wie de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis van toepassing is uit naar alle ‘personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar met zetel in Nederland, die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ In de toelichting wordt hierover opgemerkt dat ‘door te verlangen dat personen verantwoordelijk voor medewerkers die het risicoprofiel van de financiële onderneming wezenlijk (kunnen) beïnvloeden, geschikt en betrouwbaar zijn, kan beter worden tegengegaan dat onder hun verantwoordelijkheid risico’s worden genomen die de stabiliteit van en het vertrouwen in de financiële sector in gevaar brengen.’ (zie noot 4)

De Afdeling merkt hierover het volgende op.

a. Kring van personen
Het onderhavige voorstel breidt de kring van personen die onder het bereik van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen uit tot personen […] ‘die verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.’ Daarbij leidt de Afdeling uit de toelichting af dat het begrip ‘werkzaamheden die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming’ ruim moet worden opgevat. Zo wordt in de toelichting opgemerkt dat ‘voor de bepaling van de activiteiten die een wezenlijke invloed (kunnen) hebben op het risicoprofiel van de financiële onderneming, niet alleen moet worden gekeken naar de financiële risico’s van deze activiteiten maar ook naar de niet-financiële risico’s. Ook niet-financiële risico’s, zoals juridische, reputatie- en IT-risico’s, kunnen immers een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van een onderneming.’ (zie noot 5)

Wie onder de reikwijdte van deze uitbreiding vallen, wordt in het voorstel niet nader omschreven. (zie noot 6) Ziet de Afdeling het goed dan wordt de kring van personen die na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel aan een betrouwbaarheids- en geschiktheidseis wordt onderworpen aanmerkelijk vergroot. Het betreft immers een ieder die binnen een bank of verzekeraar verantwoordelijkheid draagt voor personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden. Er is geen beperking aangebracht ten aanzien van het niveau binnen de organisatie waar de verantwoordelijke werkzaam is; het kan aldus zowel een ‘lagere’ afdelingsmanager als het hoofd compliance betreffen. Aldus is, zo meent de Afdeling, sprake van een discrepantie tussen de tekst van het voorstel en de toelichting waarin onder meer wordt opgemerkt dat slechts ongeveer 650 personen verantwoordelijk zijn voor werkzaamheden die het risicoprofiel wezenlijk kunnen beïnvloeden. (zie noot 7) De Afdeling meent dat in dit verband de tekst van het voorstel en de toelichting met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

De Afdeling merkt vervolgens op dat in het systeem van de Wft maar ook van het Burgerlijk Wetboek, het een interne aangelegenheid van de financiële instelling is om in de eigen organisatie te bewerkstelligen dat voor de onderneming relevante risico’s worden beheerst. De wet stelt in dat verband eisen aan de onderneming als zodanig. (zie noot 8) Het bestuur van de instelling is voor de naleving daarvan verantwoordelijk. De Afdeling merkt op dat met de uitbreiding van de door de overheid opgelegde geschiktheidseis het toezicht zodanig uitgebreid wordt dat op de overheid een veel verder strekkende verantwoordelijkheid dan thans komt te rusten. De overheid trekt immers de beoordeling van de geschiktheid (vaardigheden, kennis en professioneel gedrag) van medewerkers onder het niveau van de (dagelijks) beleidsbepalers, mede aan zich.

De wet vereist dat personen die binnen de reikwijdte van de geschiktheids- en betrouwbaarheidseis vallen bij voortduring aan die eisen voldoen. Die continue verantwoordelijkheid geldt de onderneming en betreft, zoals hierboven opgemerkt, ook de overheid die met het voorstel die verantwoordelijkheid breder aan zich trekt. De Afdeling merkt op dat een verdergaande verantwoordelijkheid voor de overheid ook met zich kan brengen dat de overheid (in de praktijk De Nederlandsche Bank) ook breder aanspreekbaar wordt op de (continue) invulling van die verantwoordelijkheid.

De Afdeling is, mede in het licht van hetgeen zij onder 1. heeft opgemerkt, van oordeel dat door het voorstel de verhouding tussen de verantwoordelijkheid van de onderneming en de verantwoordelijkheid van de overheid substantieel verschuift. Daarnaast merkt de Afdeling op dat de overheid met dit voorstel een verantwoordelijkheid op zich neemt waarvan niet duidelijk is of deze waargemaakt kan worden. Zij adviseert in de toelichting de uitbreiding van het geschiktheids- en betrouwbaarheidseis dragend te motiveren en zo nodig het voorstel aan te passen.

16 april 2014

Uitspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven inzake aanwijzing, inhoudend dat “onbetrouwbare” bestuurder diende af te treden

door Ellen Timmer

Onlangs heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan in een geschil tussen een beleidsbepaler en DNB over een aanwijzing inzake een “onbetrouwbare” bestuurder. In de uitspraak wordt wordt het geschil als volgt samengevat, waarbij met “[bedrijfsnaam 1]” het trustkantoor wordt aangeduid:

Bij besluit van 8 maart 2012 (het primaire besluit) heeft DNB aan [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1]) een aanwijzing gegeven tot het volgen van een gedragslijn dat appellant het beleid van [bedrijfsnaam 1] niet meer kan bepalen of mede bepalen.
Deze aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten, te weten: de door de Centrale Bank van Curaҫao en Sint Maarten (hierna: CBCS) aan de op Curaҫao gevestigde trustkantoor [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3]) opgelegde boetes van 19 mei 2008 en 17 december 2009, het niet onmiddellijk aan DNB melden van deze boetebesluiten, het niet onmiddellijk aan DNB melden van het besluit van CBSC van 14 juli 2010 tot intrekking van de aan [bedrijfsnaam 3] verleende vergunning en het verstrekken van onjuiste informatie ter gelegenheid van zowel de op 18 juli 2011 bij DNB ingediende vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]) als het op 11 november 2011 met een medewerker van DNB gevoerde telefoongesprek. Appellant is bestuurder van zowel [bedrijfsnaam 1] als [bedrijfsnaam 3] en was tevens beoogd bestuurder van [bedrijfsnaam 2].

Uit de uitspraak leid ik af dat de beleidsbepaler (en dus kennelijk niet het trustkantoor) bezwaar heeft gemaakt tegen de aanwijzing. Dat bezwaar is door DNB ongegrond verklaard. Vervolgens verloor het trustkantoor het beroep bij de rechtbank. Daarbij is met name van belang dat bepaalde informatie niet aan DNB is verstrekt. De rechtbank overweegt onder meer:

Dat het Gerecht in eerste aanleg van Curaҫao bij uitspraak van 20 december 2011 de intrekking van de vergunning heeft vernietigd, welke uitspraak door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaҫao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 25 april 2012 is bevestigd (…) DNB heeft immers niet de intrekking van de vergunning van [bedrijfsnaam 2] aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd, maar het niet melden van die als toezichtsantecedent te kwalificeren intrekking. (…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB, gelet op het vorenoverwogene, zowel het niet melden van deze antecedenten als de boetes zelf aan eiser als beleidsbepaler mogen toerekenen. Dat geldt evenzeer voor het verstrekken van onjuiste informatie over zijn arbeidsverleden. Voorts heeft DNB hieraan redelijkerwijs de gevolgtrekking kunnen verbinden dat eiser gedragingen heeft vertoond die er blijk van geven dat het hem in relevante mate ontbreekt aan eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid en openheid als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel, zodat de betrouwbaarheid van eiser niet langer buiten twijfel stond als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Wtt. DNB was dan ook bevoegd de in geding zijnde aanwijzing te geven.

Het trustkantoor gaat in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College honoreert de bezwaren van het trustkantoor niet. Hierna geef ik de volledige overwegingen van het College weer (onderstreping van bepaalde passages door mij):

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Het College is van oordeel dat DNB, in reactie op de in 4.1 weergegeven grief van appellant, terecht heeft aangevoerd dat niet relevant is of [bedrijfsnaam 2] meerdere bestuurders had en hoe de verantwoordelijkheden intern waren geregeld. Appellant was als bestuurder van [bedrijfsnaam 1] verantwoordelijk voor het melden van de aan [bedrijfsnaam 2] opgelegde boetes alsmede van het besluit van CBCS om de vergunning van [bedrijfsnaam 2] in te trekken. Daarnaast is volgens DNB ten aanzien van appellant sprake van twee andere toezichtantecedenten, te weten het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige informatie bij de vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 3] en tijdens een telefoongesprek met een medewerker van DNB op 11 november 2011. Daarop zal hierna worden ingegaan. Vervolgens zal, evenals de rechtbank heeft gedaan, worden beoordeeld of DNB hierop de gegeven aanwijzing heeft mogen baseren.

5.2 Ten aanzien van de stelling van appellant dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de wijze waarop het telefoongesprek van 11 november 2011 is verlopen in het midden heeft gelaten, maar vervolgens wel conclusies heeft getrokken uit de wijze waarop het gesprek is verlopen, overweegt het College als volgt. De wijze waarop het gesprek is verlopen, acht het College wel van belang voor de daaraan te verbinden conclusies. Anders dan appellant heeft aangevoerd, acht het College het echter niet aannemelijk dat het door de betreffende medewerker van DNB opgestelde verslag van het op 11 november 2011 met appellant gevoerde telefoongesprek daarvan een onwaarachtige weergave vormt. Ter zitting heeft DNB in dit verband verklaard dat het verslag meteen na afronding van het telefoongesprek is opgemaakt. De datum van 13 december 2011 die bovenaan het verslag is vermeld, is de datum waarop dit exemplaar is afgedrukt.
Uit dit verslag blijkt dat de medewerker van DNB verschillende keren aan appellant heeft gevraagd of hij over informatie beschikte die voor DNB van belang kan zijn bij de beoordeling van zijn deskundigheid en betrouwbaarheid en dat appellant hierop steeds ontkennend heeft geantwoord. Pas nadat de medewerker erop had gewezen dat DNB door CBCS was geïnformeerd over een aantal met [bedrijfsnaam 2] verband houdende toezichtantecedenten is appellant daarop ingegaan. In het verslag is voorts vermeld dat de medewerker van DNB aan het eind van het telefoongesprek heeft opgemerkt dat hij het betreurt dat appellant aan het begin van het gesprek niet direct de openheid heeft betracht die jegens DNB als toezichthouder verwacht mag worden. Aan het eind van het verslag heeft de medewerker van DNB de opmerking toegevoegd dat appellant op de gestelde vragen steeds zeer terughoudend reageerde en dat pas na herhaaldelijk doorvragen concrete antwoorden werden verkregen. Dat appellant pas openheid van zaken heeft gegeven nadat de medewerker hem had gewezen op de van CBCS verkregen informatie, vindt bevestiging in hetgeen appellant in het kader van het hoger beroep heeft aangevoerd, als onder 4.3 weergegeven, alsmede in de e-mail die appellant nog dezelfde dag in reactie op het telefoongesprek aan de medewerker heeft gezonden. Appellant bevestigt daarin immers zijn “aanvankelijke terughoudendheid”.
Het College acht het niet geloofwaardig dat eiser zich niet zou hebben gerealiseerd dat de antecedenten die zich ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] hebben voorgedaan bij de Nederlandse toezichthouder moesten worden gemeld. Uit de opmerkingen van appellant als vermeld aan het eind van het verslag, dat appellant de kwestie zeer vervelend vindt, dat hij “het vreselijk vindt te realiseren dat het gelazer nu vanuit Curaҫao overvliegt” en dat hij het zich absoluut niet kan permitteren dat hij door DNB wordt afgekeurd, leidt het College veeleer af dat appellant niet wenste dat DNB op de hoogte zou raken van de problemen op Curaҫao en derhalve de antecedenten bewust niet heeft gemeld. Daarbij acht het College voorts van belang dat appellant op 13 oktober 2011, derhalve enkele weken voorafgaand aan het telefoongesprek van 11 november 2011 nog op een zitting is geweest in de procedure die [bedrijfsnaam 2] tegen CBCS had aangespannen in verband met de intrekking van de vergunning en dat appellant blijkens zijn hiervoor reeds genoemde e-mail aan de medewerker van DNB in reactie op het telefoongesprek op dat moment in afwachting was van de uitspraak in die zaak, die immers op 24 november 2011 werd verwacht.
De hiervoor in 4.1 en 4.3 weergegeven grieven falen derhalve.

5.3 Appellant heeft bij de vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] een als curriculum vitae bedoeld stuk ingediend, waarin onder meer is vermeld: “Subsequently he returned to the Netherlands to become General Counsel of DNB and the personal adviser to its President, Dr Wim Duisenberg, who later became President of the European Central Bank. At his recommendation, [naam 2] was invited to become General Counsel of the Central Bank of the Netherlands Antilles.” . Appellant heeft niet weersproken dat hij noch bij DNB, noch bij CBCS de functie van General Counsel heeft bekleed. Ook heeft appellant niet betwist dat hij nimmer de “personal advisor” van Wim Duisenberg is geweest. DNB verwijt appellant dat hij met de inzending van bedoeld stuk de suggestie heeft gewekt dat sprake is geweest van zeer zware juridische functies en derhalve zijn arbeidsverleden rooskleuriger heeft voorgesteld dan in werkelijkheid het geval is geweest. Uit de opmerkingen van appellant tijdens het hiervoor reeds genoemde telefoongesprek van 11 november 2011, het zienswijze gesprek van 20 februari 2012 en de hoorzitting in bezwaar van 12 juni 2012 blijkt dat appellant dit aanvankelijk ook tegenover DNB heeft toegegeven. Appellant heeft bij die gelegenheden immers ten aanzien van de functie van General Counsel aangegeven dat het marketing voor zichzelf betrof en dat het niet verkoopt als er bijvoorbeeld “manusje van alles” zou staan. Ook heeft hij verklaard dat hij beseft dat hij de functie van personal advisor misschien iets te zeer heeft aangedikt. In beroep en in hoger beroep heeft (de gemachtigde van) appellant gesteld dat het maar zeer de vraag is of hij zijn functies bij DNB en CBCS rooskleuriger heeft voorgesteld, aangezien het niet uitgesloten is dat de functie van General Secretary, gelet op het bredere palet aan verantwoordelijkheden dat doorgaans aan deze functie wordt toegekend, naar huidige maatstaven juist als een zwaardere functie dan de General Counsel wordt beschouwd. Het College acht deze stelling onvoldoende onderbouwd, nu daarin niet wordt ingegaan op de inhoud van de functies zoals appellant deze destijds heeft verricht in relatie tot de betekenis die thans, zoals DNB heeft aangevoerd, in het normale spraakgebruik wordt toegekend aan de functieomschrijvingen zoals vermeld in het als curriculum vitae bedoelde stuk. Het College houdt het derhalve ervoor dat appellant in voormeld curriculum vitae zijn arbeidsverleden inderdaad rooskleuriger heeft voorgesteld dan in werkelijkheid het geval is geweest. De hiervoor in 4.5 weergegeven grief faalt.

5.4 Appellant betoogt tevergeefs dat DNB zich een eigen oordeel had dienen te vormen over de achterliggende feiten en omstandigheden van de aan [bedrijfsnaam 2] opgelegde boetes. Het College overweegt dat appellant genoemde antecedenten niet aan DNB heeft gemeld, waarmee hij DNB de mogelijkheid heeft onthouden om deze antecedenten destijds te beoordelen en daarbij eventuele volgens appellant belangrijke achterliggende feiten en omstandigheden te betrekken. Naar DNB heeft aangevoerd zijn het niet melden van de boetes alsmede het niet melden van de intrekking van de vergunning de belangrijkste redenen geweest voor het geven van de aanwijzing. Het College is van oordeel dat DNB bij haar besluitvorming tevens de jegens [bedrijfsnaam 2] genomen boetebesluiten heeft mogen betrekken. Appellant en [bedrijfsnaam 2] hebben daartegen immers geen bezwaar gemaakt, zodat DNB zonder nader onderzoek heeft mogen aannemen dat het opleggen van die boetes rechtmatig is geweest. De hierop betrekking hebbende grief (zie hiervoor 4.6) faalt.

5.5 Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van appellant niet langer buiten twijfel stond. Het betoog van appellant dat de antecedenten, die zich ten aanzien van hem hebben voorgedaan, te maken hebben met onvoldoende geschiktheid en niet met zijn betrouwbaarheid faalt. DNB heeft in dit verband terecht gewezen op de definitie van “betrouwbaarheid” in artikel 1 van de Beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing en de daarbij behorende toelichting, alsmede op het belang dat er ten aanzien van invloedrijke personen bij trustkantoren geen twijfel mag bestaan over hun betrouwbaarheid. De rechtbank is hierop ingegaan in r.o. 6.5 en 7.2 van de bestreden uitspraak en heeft daarmee naar het College begrijpt het argument van appellant, dat het niet melden van de antecedenten ten onrechte is beoordeeld in de sfeer van betrouwbaarheid, verworpen. Het College is van oordeel dat het enkele feit dat in de bestreden uitspraak niet alle argumenten van eiser uitvoerig zijn besproken niet betekent dat de rechtbank daaraan geen aandacht zou hebben geschonken. Voorts heeft DNB in haar verweerschrift terecht aangevoerd dat uit de bestreden uitspraak geenszins volgt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door zelf argumenten aan te dragen. De hierop betrekking hebbende grieven (zie 4.2, 4.6 en 4.7) falen.

5.6 Het College overweegt ten slotte naar aanleiding van de in 4.4 weergegeven grief het volgende. Hoewel DNB onweersproken heeft gesteld dat de door appellant bedoelde, in het informatiebulletin van mei 2013 beschreven procedure, in het najaar van 2011 nog niet bestond, is het College van oordeel dat het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming voor de hand zou hebben gelegen om appellant, vóórdat het voorgenomen besluit tot het geven van een aanwijzing werd genomen, te doen horen, opdat appellant in dat stadium zijn visie ten aanzien van de door DNB geconstateerde antecedenten had kunnen geven. Het College verbindt hier evenwel geen conclusies aan, nu appellant de geconstateerde antecedenten niet heeft ontkend en voorts nadat het voorgenomen besluit tot het geven van een aanwijzing was genomen, alsnog is uitgenodigd voor een (zienswijze)gesprek, dat op 20 februari 2012 heeft plaatsgevonden. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag heeft appellant zijn visie ten aanzien van de geconstateerde antecedenten kunnen geven en is appellant uitvoerig op de diverse omstandigheden ingegaan, hetgeen verweerder betrokken heeft bij het (definitieve) besluit van 8 maart 2012 tot het geven van een aanwijzing. De grief faalt derhalve.

Uit de uitspraak blijkt dat het correct en volledig verstrekken van informatie essentieel is voor de beoordeling van beleidsbepalers en dat een aanwijzing kan worden gebruikt om te bereiken dat een beleidsbepaler vertrekt bij een trustkantoor. Voorts behoort DNB in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van een dergelijke aanwijzing de beleidsbepaler vooraf te horen.

Aanvulling 17 april 2014
Overigens vraag ik me af waarom deze procedure is gevoerd tussen de beleidsbepaler en DNB. Uiteraard heeft de beleidsbepaler een belang vanwege de negatieve beoordeling. Maar ook het trustkantoor heeft een belang, aangezien de aanwijzing tot het trustkantoor gericht is. Dit punt wil ik op een ander moment eens nader gaan bekijken.

Aanvulling 29 april 2014
Op de pagina waar de nieuwsbrief van DNB van vandaag naar verwijst wordt ook melding gemaakt van bovenstaande uitspraak. DNB verwijst naar dit bericht van 10 april 2014:

Aanwijzing tot heenzending beleidsbepaler trustkantoor onherroepelijk
Nieuwsbericht 10 april 2014

Het College van beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler van een trustkantoor niet langer buiten twijfel staat en dat DNB in redelijkheid aan het trustkantoor de aanwijzing heeft gegeven dat deze persoon het beleid van het trustkantoor niet meer (mede) kan bepalen.
Hoger beroep tegen uitspraak Rb Rotterdam, waarbij het beroep tegen een door DNB gegeven aanwijzing ongegrond is verklaard. De aan een onderneming van appellant gegeven aanwijzing betreft het volgen van de gedragslijn dat appellant het beleid van die onderneming niet meer kan bepalen of mede bepalen. De aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten dat zich volgens DNB ten aanzien van appellant heeft voorgedaan.

7 januari 2014

Weet wat je zegt, zeg alles wat je weet? Artikel door AFM-auteurs over de meldplicht betrouwbaarheid

door Ellen Timmer

Drie bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) werkzame auteurs hebben voor het jaarboek Compliance een artikel geschreven over de verplichtingen van financiële ondernemingen om relevante feiten en omstandigheden voor beoordeling van de betrouwbaarheid van hun beleidsbepalers te melden aan de toezichthouder. De inhoud van dit artikel is ook voor trustkantoren relevant.
Een introductie van het artikel is op de AFM-site te vinden.

7 mei 2013

Negatief betrouwbaarheidsoordeel DNB inzake beleidsbepaler (uitspraak Rechtbank Rotterdam)

door Ellen Timmer

De Rechtbank Rotterdam oordeelt in een uitspraak van 28 maart 2013 dat DNB in redelijkheid aan trustkantoor Y de aanwijzing heeft kunnen gegeven dat de heer X het beleid niet meer mag (mede)bepalen [*] op grond van een negatief betrouwbaarheidsoordeel.
Dit oordeel berust op het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens over toezichtsantecedenten (boetes en melden intrekking vergunning) en X’ arbeidsverleden. Dat de toezichtsantecedenten van X afkomstig zijn van een andere toezichthouder een andere vennootschap betroffen speelt geen rol, omdat X als bestuurder/beleidsbepaler betrokken was bij zowel trustkantoor Y als de andere vennootschap. Uit de uitspraak blijkt dat DNB de aanwijzing op het volgende heeft gebaseerd:

Deze aanwijzing, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, waarbij DNB het volgende in aanmerking heeft genomen:
– twee boetebesluiten van onderscheidenlijk 19 mei 2008 (één boete) en 17 december 2009 (twee boetes) wegens overtreding van de artikelen 16 en 17 van de Landsverordening toezicht trustwezen (Ltt) door [D] (het niet of niet tijdig indienen van de jaarrekeningen en andere stukken over verscheidene jaren);
– het niet onverwijld melden van deze opgelegde (inmiddels onherroepelijke) boetes;
– het niet onverwijld melden van het intrekken van de vergunning van [D] op 14 juli 2010;
– het bij de aanvraag van 18 juli 2011 en in het telefoongesprek op 11 november 2011 door eiser aan DNB verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens over de toezichtsantecedenten en zijn arbeidsverleden.

Wat betreft eisers arbeidsverleden heeft DNB vastgesteld dat eiser nimmer de functie van ‘general counsel’ bij CBCS en/of DNB heeft uitgeoefend, zoals in zijn curriculum vitae is vermeld. Ook met betrekking tot de door hem vermelde adviseursfunctie van de toenmalige president van DNB, dr. W. Duisenberg, heeft DNB vastgesteld dat deze niet op waarheid berust.
Als bijkomende toezichtsantecedenten heeft DNB aangemerkt dat [D], onder verantwoordelijkheid van eiser, niet tijdig een lokaal bestuurder heeft benoemd, de opgelegde boetes niet heeft betaald en structureel te laat is met het betalen van de toezichtskosten.

De uitspraak illustreert het belang van correcte en complete informatieverstrekking aan DNB. Dat betreft niet alleen het melden van opgelegde sancties, maar ook juiste gegevensverstrekking inzake uitgeoefende functies.

[*] Zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren.