In trustkantorenland werd soms gedacht dat indien als trustdienst een statutair bestuurder wordt geleverd (wat bij de meeste diensten door trustkantoren het geval is), die trustbestuurder een ‘andere’ bestuurder is dan gewone statutair bestuurders van rechtspersonen.
Dat is een misvatting, zoals al lang geleden door de rechter is uitgemaakt.
Recent wordt dit bevestigd door de uitspraak van 12 mei jl. van het Gerechtshof Amsterdam. Het hof verwerpt het beroep op verjaring en decharge door de bestuurder. De vordering op grond van artikel 2:9 BW wordt in beginsel toewijsbaar geacht tot het bedrag van de tijdens het bestuurderschap ontstane fiscale schuld (vpb 2009), maar toegewezen tot een gematigd bedrag.
Over de rol van trustbestuurder staat in overweging 3.15, de bestuurder wordt als ‘[geïntimeerde 1]‘ aangeduid en de bestuurde rechtspersoon als ‘[naam]‘:
Naar zijn stelling fungeerde [geïntimeerde 1] als een trustbestuurder en werden alle belangrijke beslissingen aangaande [naam] door de aandeelhouder genomen. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen als bestuurder van [naam]. [geïntimeerde 1] wordt in deze zaak met name verweten dat hij alle controle over en elk zicht op (het vermogen van) [naam] heeft losgelaten. Daarbij heeft hij zich bij de stukken die hij als bestuurder tekende geen rekenschap gegeven van de belangen van de vennootschap, en in dit geval van de verplichtingen die voor de vennootschap jegens de fiscus konden ontstaan. Bij het tekenen van de volmacht waarmee het hele vermogen van [naam] zou kunnen worden uitgeleend, had hij bij de aandeelhouder daarvoor aandacht moeten vragen en als dat niet tot resultaat leidde daaraan consequenties moeten verbinden. Als, zoals hij stelt, deze aandeelhouder hem nooit in staat zou hebben gesteld die verantwoordelijkheid als bestuurder te dragen (waarbij overigens niet blijkt dat hij daarom heeft gevraagd), had hem dat eens te meer te denken moeten geven. [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij uitging van intercompany leningen, maar, wat hier verder van zij, onduidelijk is waar hij dit op baseert. De volmacht is daartoe niet beperkt (deze ziet op leningen `to any legal entity`) en de stukken die zich in het dossier bevinden (de leningovereenkomsten en het debiteurenonderzoek, producties 9 tot en met 11 respectievelijk 34b bij de inleidende dagvaarding) ondersteunen dat niet. De leningen zijn verstrekt aan vennootschappen in Belize. In de fiscale procedure heeft [naam] betoogd dat het niet om intercompany leningen ging. [geïntimeerde 1] heeft ook geen zicht gehouden op wat er met de door hem verstrekte volmachten gebeurde, noch voor wat betreft de leningen noch voor wat betreft het bedrag van 14 miljoen advisory fee.
Plaats een reactie